Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-01-20
ECLI:NL:GHARL:2025:224
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,761 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.337.961/01
CJIB-nummer
: 243682172
Uitspraak d.d.
: 20 januari 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 30 januari 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 300,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 400,- opgelegd voor: “voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 12 juli 2021 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het sanctiebedrag gematigd naar € 300,- omdat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene de gedraging ontkent. Het is vaste rechtspraak van het hof dat een enkele ontkenning niet leidt tot twijfel aan de gegevens in het dossier, zodat de gedraging kan worden vastgesteld.
4. Verder voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend, terwijl wel het bedrag van de sanctie is gematigd. De overschrijding van de redelijke termijn zou in overwegende mate aan de betrokkene te wijten zijn, met name omdat een niet onderbouwd draagkrachtverweer is gevoerd. De gemachtigde verwijst naar een arrest van het hof van 25 januari 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:656) en stelt dat de kantonrechter binnen twee jaar en vier maanden uitspraak had moeten doen. Dat is niet gebeurd.
5. Het hof stelt vast dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden. Dit oordeel impliceert dat er geen aan de gemachtigde toe te rekenen omstandigheden zijn die maken dat de redelijke termijn van berechting zodanig wordt verlengd dat van overschrijding van de redelijke termijn van berechting geen sprake is (vgl. de laatste volzin van overweging 12 van het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
6. De kantonrechter heeft, in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, het bedrag van de sanctie gematigd. Onder verwijzing naar genoemd arrest van het hof van 28 juli 2023 is het hof van oordeel dat daarmee ook grond bestaat voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.
7. De kantonrechter heeft het verzoek om een proceskostenvergoeding evenwel afgewezen, omdat de overschrijding van de redelijke termijn is gerelateerd aan verschillende omstandigheden met betrekking tot de handelingen van de gemachtigde. De kantonrechter heeft erop gewezen dat de gemachtigde enkel een pro forma beroepschrift had ingediend met een verzoek om de stukken maar vervolgens de gronden niet heeft aangevuld en verder dat de behandeling van de zaak is aangehouden doordat de gemachtigde een onvoldoende onderbouwd draagkrachtverweer had gevoerd en niet ter zitting was verschenen.
8. De door de kantonrechter genoemde omstandigheden over het verloop van de procedure en wijze van procederen van een gemachtigde kunnen meewegen in het oordeel of de redelijke termijn van berechting is overschreden. Als echter is vastgesteld dat die termijn is overschreden en het sanctiebedrag daarom wordt gematigd, bestaat aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding.
9. De omstandigheden die door de kantonrechter zijn genoemd kunnen niet worden beschouwd als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, op grond waarvan een proceskostenvergoeding geheel achterwege kan worden gelaten. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen voor zover het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen.
10. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast.
11. De proceskosten in hoger beroep komen eveneens voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het hoger beroep € 907,-. Aangezien de betrokkene in hoger beroep alleen ten aanzien van de proceskostenvergoeding in het gelijk wordt gesteld, wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Het hof past op de in hoger beroep verrichte proceshandeling niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769).
Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 680,25 (= (1 x € 907,- x 0,5) + ( 1 x € 907,- x 0,25)).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 680,25.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.