Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-12-24
ECLI:NL:GHARL:2024:8187
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
11,637 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004194-22
Uitspraak d.d.: 24 december 2024
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 21 september 2022 met parketnummer 16-080392-19 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1990,
wonende te [adres 1] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 11 december 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de eerste rechter met uitzondering van de opgelegde straf en de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij. De advocaat-generaal vordert dat:
verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling en een contactverbod met [benadeelde] ;
de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij van € 12.071,79 geheel wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. N. Alberts, en de advocate van de benadeelde partij, mr. N. Wijkman, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Verdachte is bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 21 september 2022 ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, kort gezegd: ontucht en verkrachting, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling en een contactverbod. Daarnaast heeft de rechtbank de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toegewezen.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 augustus 2011 tot en met 27 februari 2014 te [plaats] , met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 1998, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [benadeelde] , immers heeft hij, verdachte, (telkens)
- zich laten aftrekken door [benadeelde] , althans heeft hij [benadeelde] haar hand om zijn, verdachtes, penis gebracht en/of (vervolgens) (heen en weer) laten bewegen en/of
- zijn penis laten aanraken door [benadeelde] met haar mond en/of zijn penis in de mond van [benadeelde] gestopt/gehouden en/of zich door [benadeelde] laten pijpen en/of
- zijn vinger(s) in de vagina van [benadeelde] gebracht en/of gehouden en/of
- zijn penis in de vagina van [benadeelde] geduwd en/of gebracht en/of gehouden en/of (heen en weer) bewogen en/of
- zijn vinger in de anus en/of tussen de billen van [benadeelde] geduwd en/of gebracht en/of gehouden;
2.hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 februari 2014 tot en met 30 november 2016 te [plaats] , door feitelijkheden en bedreiging met feitelijkheden [benadeelde] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [benadeelde] , immers heeft hij, verdachte, (telkens)
- zich laten aftrekken door [benadeelde] , althans de hand van [benadeelde] om zijn, verdachtes, penis heeft gebracht en/of (vervolgens) (heen en weer) laten bewegen en/of
- zijn penis in de mond van [benadeelde] gebracht en/of zich door [benadeelde] laten pijpen en/of
- zijn vinger(s) in de vagina van [benadeelde] gebracht en/of gehouden en/of
- zijn penis in de vagina van [benadeelde] geduwd en/of gebracht en/of gehouden en/of (heen en weer) bewogen en/of
- zijn vinger in de anus en/of tussen de billen van [benadeelde] geduwd en/of gebracht en/of gehouden
en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte,
- met zijn leeftijd een groot fysiek en psychisch overwicht had op een minderjarig meisje en bewust was van dit leeftijdsverschil en/of
- misbruik heeft gemaakt van de afhankelijke en ondergeschikte positie waarin [benadeelde] ten opzichte van hem als tennisleraar verkeerde en/of
- [benadeelde] de woorden heeft toegevoegd dat hij, verdachte, zelfmoord zou plegen en/of dat hij het leven niet meer zag zitten, als [benadeelde] het seksuele contact zou stopzetten, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of
- heeft gedreigd naaktfoto’s en naaktfilms van [benadeelde] op internet te zetten en/of naar haar ouders te sturen en/of
- ( zodoende) voor [benadeelde] een bedreigende/beangstigende situatie heeft doen ontstaan.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Standpunt verdediging
Door de verdediging is partiële vrijspraak van feit 1 en algehele vrijspraak van feit 2 bepleit. Ten aanzien van feit 1 verzoekt de verdediging om verdachte vrij te spreken van de periode 2011 en 2012.
Ten aanzien van feit 2 is primair aangevoerd dat dwang niet kan worden bewezen. Subsidiair is bepleit dat het opzet op het ontstaan van druk op aangeefster om seksuele handelingen te verrichten ontbreekt.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat generaal heeft gerekwireerd tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank en daarmee van de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de bewijsmiddelen te twijfelen.
Niet ter discussie staat dat verdachte ontuchtige/seksuele handelingen, waaronder ‘seks’ (vaginale penetratie), met aangeefster heeft gepleegd toen zij minderjarig was.
Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verdachte en het slachtoffer hebben elkaar leren kennen op een tenniskamp in augustus 2011. Aangeefster was toen 13 jaar oud en verdachte 21 jaar oud. Na het kamp hebben zij contact gehouden en kregen zij – zoals zij dat zelf beschrijven – een broer-zus-relatie.
Aangeefster vond verdachte een aardige en lieve jongen; ze hield van hem als een broer. Ze voelde medelijden voor verdachte die kampte met verschillende (psychische) problemen, waaronder eenzaamheid, en zij voelde zich verantwoordelijk voor zijn welbevinden.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 541 (vijfhonderdeenenveertig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 540 (vijfhonderdveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich binnen 3 werkdagen na het onherroepelijk worden van dit arrest (tussen 09.00 en 12.00 uur) zal melden bij Reclassering Nederland op het [adres 2] , zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich onder behandeling blijft stellen van [zorgverlener] of een soortgelijke zorgverlener (te bepalen door de reclassering), op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven, teneinde zich te laten behandelen zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Daarbij geldt dat deze behandeling (ook) dient te zijn gericht op de positie van verdachte als dader.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de verdachte gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 1998.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 12.071,79 (twaalfduizend eenenzeventig euro en negenenzeventig cent) bestaande uit € 2.071,79 (tweeduizend eenenzeventig euro en negenenzeventig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 12.071,79 (twaalfduizend eenenzeventig euro en negenenzeventig cent) bestaande uit € 2.071,79 (tweeduizend eenenzeventig euro en negenenzeventig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 95 (vijfennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
22 december 2022 en van de immateriële schade op 30 november 2016.
Aldus gewezen door
mr. M.B. de Wit, voorzitter,
mr. L.T. Wemes en mr. M.E. de Boer, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,
en op 24 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Hoewel aangeefster nog niet bezig was met seks en daar (achteraf) ook nog niet klaar voor was, is zij zich op aandringen van verdachte gaan vingeren en heeft zij seksuele foto’s en video’s van zichzelf naar verdachte gestuurd.
Er ontstond een (geheime) seksuele relatie. De ouders van aangeefster wisten er niets van en aangeefster wilde dat zo houden. Op haar 14e verjaardag (het hof begrijpt: op [geboortedag 2] 2012) heeft verdachte aangeefster – bij wijze van cadeau – voor het eerst gepenetreerd. Toen aangeefster 15 of 16 jaar oud was hadden ze meerdere keren per week seksueel contact.
Aangeefster heeft niet tegen verdachte gezegd dat zij het seksuele contact niet wilde omdat zij verdachte niet wilde teleurstellen en zich verplicht voelde omdat verdachte zei dat het normaal was. Ze voelde zich helemaal ingepalmd door verdachte.
Uit de verklaringen van verdachte en aangeefster, alsook de mailberichten, blijkt ook dat zij elkaar gedurende delen van de tenlastegelegde periode graag zagen. Illustratief in dit verband is de mail van 28 oktober 2014 van aangeefster (zij is dan 16 jaar oud) aan verdachte (pagina 97 van het dossier), inhoudende:
[tekst]
Uit verschillende mailberichten volgt dat er ook regelmatig sprake is geweest van ruzie, waarna ze elkaar blokkeerden op hun telefoons en verder contact hadden via de mail.
Op 11 januari 2015 wil aangeefster de relatie beëindigen, maar zet dit niet door omdat verdachte dreigt zelfmoord te zullen plegen.
Vanaf 2016 dreigt verdachte aangeefster (steeds) als zij geen seks met hem wilde. Hij dreigt met het appen van haar ouders (het hof begrijpt: het openbaar maken van hun seksuele relatie), het sturen van naaktfoto’s naar haar ouders en mensen van de tennisvereniging en het plaatsen van naaktfoto’s en (seks)video’s van aangeefster op internet.
Er worden tussen verdachte en aangeefster afspraken gemaakt op basis waarvan aangeefster seksuele handelingen moest verrichten. Uit het appbericht van 21 juni 2016 volgt dat wordt afgesproken dat aangeefster verdachte gaat pijpen ‘met alles erop en eraan’ en dat daardoor verdachte niet naar ouders (het hof begrijpt: de ouders van aangeefster) gaat appen en niet dreigen.
Op 12 augustus 2016 is op initiatief van aangeefster via de mail een overeenkomst tussen verdachte en aangeefster gesloten op basis waarvan zij nog acht keer seks met verdachte moet hebben, waarna zij het (naar het hof begrijpt: de relatie) zonder gevolgen mag beëindigen. Verdachte mag met niks dreigen en niets aan haar ouders vertellen. Verdachte heeft (onder meer) als extra voorwaarde aan de overeenkomst toegevoegd dat aangeefster tijdens of na de seks niet mag huilen. Verdachte heeft in hoger beroep verklaard dat de overeenkomst door hem en aangeefster samen is opgesteld.
Aangeefster heeft verklaard dat zij tegen haar zin in seks met verdachte heeft gehad naar aanleiding van de hiervoor genoemde afspraken van 21 juni 2016 en 12 augustus 2016.
Omdat aangeefster zich volgens verdachte niet aan de eerste afspraak (het hof begrijpt: de afspraak van 12 augustus 2016) heeft gehouden mailt verdachte op 7 november 2016 om 21.36 uur een nieuwe overeenkomst. Aangeefster beantwoordt de mail om 21.37 uur met daarin ‘akkoord’. Volgens de nieuwe afspraak moet aangeefster bij zichzelf allerlei met name genoemde seksuele handelingen verrichten en daarvan met facetime verslag doen en moet zij driemaal een uur lang 'samen spelen'.
Eind november volgen meerdere bedreigingen door verdachte via de mail. Verdachte wil dat aangeefster de afspraak nakomt en filmpjes maakt en naar hem stuurt, want anders gaat hij appen. Uiteindelijk is de nieuwe overeenkomst niet helemaal uitgevoerd. Aangeefster heeft wel filmpjes en foto’s gemaakt, maar zij geeft aan dat het fysieke deel (het hof begrijpt: het deel van de afspraakafspraken dat ze samen met verdachte zou uitvoeren) niet plaatsgevonden heeft.
Overweging ten aanzien van feit 1
Voor het vaststellen van de periode gaat het hof uit van de verklaring van aangeefster dat zij op 28 februari 2012 voor het eerst door verdachte is gepenetreerd en dat daarvoor al andere seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Zowel aangeefster als verdachte hebben verklaard dat sprake is geweest van een opbouw voor wat betreft het verrichten van seksuele handelingen. Het fysieke contact begon met knuffelen met ondergoed aan en dit werd steeds verder uitgebreid naar – uiteindelijk – vaginale penetratie. Gelet op deze opbouw in seksuele handelingen en op de verklaring van aangeefster dat het seksuele contact niet meteen is begonnen nadat aangeefster en verdachte elkaar ontmoet hadden op het tenniskamp in de zomer van 2011, gaat het hof uit van een startdatum van seksuele handelingen van 1 januari 2012. Aangeefster is dan dertien jaar oud.
Dat – zoals de verdediging heeft betoogd – geen seksuele handelingen zijn verricht voordat aangeefster 15 jaar oud was wordt weerlegd door het emailverkeer tussen aangeefster en verdachte.
Het voorgaande brengt mee dat het hof het wettig en overtuigend bewezen acht dat de onder 1 tenlastegelegde handelingen hebben plaatsgevonden in de periode van 1 januari 2012 tot en met 27 februari 2014.
Overweging ten aanzien van feit 2
Ten laste is gelegd dat verdachte aangeefster door middel van (bedreiging van) geweld en/of feitelijkheden, kort gezegd:
a. fysiek en psychisch overwicht;
b. misbruik van de positie als tennisleraar;
c. dreigen met zelfmoord als aangeefster het seksuele contact zou stopzetten;
d. dreigen naaktfoto’s en naaktfilms van aangeefster op internet te zetten en/of naar
haar ouders te sturen,
heeft gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen, die ook bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.
Het hof overweegt als volgt:
ten aanzien van a. fysiek en psychisch overwicht en c. dreigen met zelfmoord
Vooropgesteld wordt dat feiten en omstandigheden die voorafgaand aan de ten laste gelegde periode hebben plaatsgevonden kunnen bijdragen aan de in de ten laste gelegde periode aanwezige dwangsituatie (vgl. ECLI:NL:HR:2012:494).
De seksuele relatie tussen verdachte en aangeefster is begonnen toen aangeefster nog een kind van 13 jaar oud was. Zij is ingepalmd door verdachte en had medelijden met hem; zij wilde hem niet teleurstellen. Hoewel zij gezien haar jonge leeftijd nog niet met seks bezig was, is zij op aandringen van verdachte toch begonnen met het verrichten van seksuele handelingen, eerst bij zichzelf en later ook bij en met verdachte.
Door de situatie die is ontstaan vanaf het (ongeveer) veertiende levensjaar van aangeefster en het tweeëntwintigste levensjaar van verdachte, bevond zij zich ook in de ten laste gelegde periode nog in een zodanige situatie ten opzichte van verdachte, dat er uit de feitelijke verhoudingen een overwicht voortvloeide en aangeefster dusdanige psychische druk voelde dat zij naar redelijke verwachting de (voor een belangrijk deel op seks gebaseerde) relatie niet durfde en kon beëindigen, en zich ook niet goed tegen de seksuele handelingen heeft kunnen verzetten.
Daarnaast heeft verdachte op 11 januari 2015 gedreigd zelfmoord te plegen toen aangeefster de relatie wilde beëindigen. Aangeefster was op dat moment nog maar 16 jaar oud en was – mede gelet op haar nog jonge leeftijd – niet bestand tegen de druk die het dreigement op haar legde.
Inleiding
Het heeft aangeefster blijkens haar verklaring ertoe bewogen om door te gaan met de relatie met verdachte en daarmee ook met de seks met hem.
Het voorgaande maakt dat gedurende de door het hof bewezenverklaarde periode door het psychische overwicht van verdachte momenten zijn geweest dat aangeefster tegen haar zin seks heeft gehad met verdachte.
ten aanzien van d. dreigen foto 's en/of video 's op internet te plaatsen en/of naar de ouders van aangeefster te versturen
Niet ter discussie staat dat verdachte in het bezit was van naaktfoto’s en (seks)video’s van aangeefster. Uit de verklaring van aangeefster volgt dat verdachte in 2016 regelmatig heeft gedreigd om (naakt)foto’s van haar door te sturen aan haar ouders en/of naar mensen van de tennisvereniging of deze via internet te verspreiden. Deze verklaring vindt steun in het berichtenverkeer tussen aangeefster en verdachte.
Uit de verklaringen van aangeefster en de mails in het dossier blijkt dat op verschillende momenten is afgesproken dat aangeefster seksuele handelingen moest verrichten, namelijk dat:
- op 21 juni 2016 is afgesproken dat aangeefster verdachte gaat pijpen ‘met alles erop en eraan’ en dat daardoor verdachte niet naar de ouders van aangeefster gaat appen en niet dreigen;
- op 12 augustus 2016 – op initiatief van aangeefster – een overeenkomst tussen verdachte en aangeefster is gesloten op basis waarvan zij onder meer nog acht keer seks met verdachte moest hebben, waarna zij de relatie zonder gevolgen mocht beëindigen. Aangeefster hoopte op deze manier van verdachte af te kunnen komen. Eén van de voorwaarden was dat verdachte daarna ‘met niks [mag] dreigen en never ouders vertellen’. Verdachte heeft (onder meer) als extra voorwaarde aan de overeenkomst toegevoegd dat aangeefster tijdens of na de seks niet mag huilen. Aangeefster heeft hierover verklaard dat zij had gehuild tijdens de seks en dat zij hier achteraf met verdachte over had gesproken. Zij had aangegeven dat ze zich er niet goed bij voelde;
- op 7 november 2016 een nieuwe afspraak is gemaakt, inhoudende dat aangeefster bij zichzelf allerlei met name genoemde seksuele handelingen moet verrichten en daarvan met facetime verslag moet doen en zij driemaal een uur lang 'samen moet spelen'.
Aangeefster heeft verklaard dat zij naar aanleiding van de afspraken met verdachte van 21 juni 2016 en 12 augustus 2016 tegen haar zin seks met hem heeft gehad.
Hoewel in de ‘contracten’ niet expliciet staat dat deze mede zijn opgemaakt omdat verdachte dreigde met het sturen van foto’s en video’s aan de ouders van aangeefster of het plaatsen daarvan op internet, ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van aangeefster. Die verklaring vindt ook steun in de berichten die verdachte later op 23 en 28 november 2016 naar aangeefster heeft gestuurd en waar hij het dreigement van de ouders appen zelf koppelt aan het sturen van foto’s en filmpjes, te weten: ‘'Ben appen. En ook fotos als je niet unblokt.’, ‘Oke je blokt! Ben fotos doorsturen naar tennismensen en ouders appen!’, ‘Wil t uiterlijk morgen! Anders 3x en appen’ en ‘Had je thuis moet blijven kon je t filmen. Wil t straks hebben! Doe t maar op je kamer! Wacht al een week! Ga niet langer wachten meer! Anders app’.
Dat verdachte naar eigen zeggen niet heeft gedreigd met het sturen van foto's en video's, maar slechts heeft gedreigd met het appen van de ouders van aangeefster om hun relatie te openbaren omdat hij het vervelend vond dat zij niet op de hoogte waren van de relatie, acht het hof gelet op de inhoud van zijn berichten aan aangeefster niet aannemelijk en ook overigens vindt deze verklaring geen steun in het dossier.
Het hof acht het bewezen dat aangeefster zich mede door de dreigementen van verdachte gedwongen voelde de drie genoemde seksafspraken met verdachte aan te gaan en naar aanleiding van de afspraken van 21 juni 2016 en 12 augustus 2016 zich gedwongen voelde om seks met verdachte te hebben.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat door middel van de hiervoor genoemde feitelijkheden, die in onderling verband en samenhang worden beschouwd, verdachte een dusdanige dwang heeft uitgeoefend op aangeefster dat zij daardoor tegen haar wil seks heeft gehad met verdachte. Verdachte heeft hiertoe ook opzet gehad. Dit blijkt uit de afspraak van 21 juni 2016, waarin is opgenomen dat verdachte niet zal dreigen of naar de ouders van aangeefster zal appen als zij hem pijpt. Ook blijkt van verdachtes opzet uit de afspraak van 12 augustus 2016, waarin is opgenomen dat verdachte met niks mag dreigen, de ouders van aangeefster niets zal vertellen en – toegevoegd aan de afspraak op initiatief van verdachte – dat aangeefster niet mag huilen tijdens de seks.
Dat er ook sprake is geweest van gewenste seksuele handelingen – hetgeen ook duidelijk naar voren komt in het procesdossier – staat er niet aan in de weg dat aangeefster op andere momenten kan zijn gedwongen. Gelet op de context waarbinnen de verkrachtingen hebben plaatsgevonden gaat het hof voor wat betreft het startpunt van de verkrachtingen uit van 11 januari 2015, het moment waarop verdachte heeft gedreigd met het plegen van zelfmoord. Ten aanzien van de periode voor 11 januari 2015 kan niet worden vastgesteld dat verdachte aangeefster zodanig psychisch onder druk heeft gezet dat zij daardoor werd gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen.
Inleiding
Dit brengt mee dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte aangeefster in de periode van 11 januari 2015 tot en met 30 november 2016 meerdere malen heeft verkracht.
Het hof verwerpt de verweren.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
1.hij op tijdstippen in de periode 1 januari 2012 tot en met 27 februari 2014 te [plaats] met [benadeelde] , geboren op [geboortedag 2] 1998, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [benadeelde] , immers heeft hij, verdachte, (telkens)
- zich laten aftrekken door [benadeelde] , althans heeft hij [benadeelde] haar hand om zijn, verdachtes, penis gebracht en/of (vervolgens) heen en weer laten bewegen en
- zijn penis laten aanraken door [benadeelde] met haar mond en/of zijn penis in de mond van [benadeelde] gestopt/gehouden en/of zich door [benadeelde] laten pijpen en
- zijn vinger(s) in de vagina van [benadeelde] gebracht en/of gehouden en
- zijn penis in de vagina van [benadeelde] gebracht en/of gehouden en/of heen en weer bewogen;
2.hij op tijdstippen in de periode van 11 januari 2015 tot en met 30 november 2016 te [plaats] , door feitelijkheden en bedreiging met feitelijkheden [benadeelde] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [benadeelde] , immers heeft hij, verdachte, (telkens)
- zich laten aftrekken door [benadeelde] , althans de hand van [benadeelde] om zijn, verdachtes, penis heeft gebracht en (vervolgens) (heen en weer) laten bewegen en
- zijn penis in de mond van [benadeelde] gebracht en/of zich door [benadeelde] laten pijpen en
- zijn vinger(s) in de vagina van [benadeelde] gebracht en/of gehouden en/of
- zijn penis in de vagina van [benadeelde] gebracht en/of gehouden en/of (heen en weer) bewogen,
en bestaande die feitelijkheden en die bedreiging met feitelijkheden hierin dat hij, verdachte,
- met zijn leeftijd een groot fysiek en psychisch overwicht had op een minderjarig meisje en bewust was van dit leeftijdsverschil en/of
- [benadeelde] de woorden heeft toegevoegd dat hij, verdachte, zelfmoord zou plegen en dat hij het leven niet meer zag zitten, als [benadeelde] het seksuele contact zou stopzetten, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en
- heeft gedreigd naaktfoto’s en naaktfilms van [benadeelde] op internet te zetten en naar haar ouders te sturen en
- zodoende voor [benadeelde] een bedreigende/beangstigende situatie heeft doen ontstaan.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
verkrachting, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte en het slachtoffer hebben elkaar leren kennen op het tenniskamp in augustus 2011. Het slachtoffer was toen 13 jaar oud en verdachte 21 jaar oud. Na het kamp hebben zij contact gehouden en kregen zij een – zoals zij dat zelf hebben omschreven – broer-zus-relatie. Na enige tijd ontstond er een seksuele relatie. Hoewel het slachtoffer daar nog niet aan toe was heeft zij zich op initiatief van verdachte bezig gehouden met seksuele activiteiten. Het slachtoffer werd ook gevraagd seksuele foto’s en filmpjes van zichzelf naar verdachte te sturen. Vanaf haar 14e verjaardag heeft vaginale penetratie plaatsgevonden. Het slachtoffer durfde niet te zeggen dat ze het niet wilde.
Verdachte was meerderjarig en heeft misbruik gemaakt van het psychisch overwicht dat hij ten gevolge van het leeftijdsverschil op het slachtoffer had. Verdachte had er rekening mee moeten houden dat het slachtoffer nog een kind was dat kwetsbaar is op het gebied van seksualiteit. Door zijn handelen heeft hij de normale en gezonde seksuele ontwikkeling van het slachtoffer doorkruist.
De (seksuele) relatie tussen verdachte en het slachtoffer is doorgegaan tot haar meerderjarigheid. Gedurende de relatie veranderde het karakter ervan. Het slachtoffer begon twijfels te uiten over de vraag of ze wel door wilde met de relatie en de seksuele handelingen. Toen het slachtoffer aangaf te willen stoppen met de relatie of geen seksuele handelingen wilde uitvoeren, heeft verdachte op verschillende manieren psychische druk op het slachtoffer uitgeoefend en gebruik gemaakt van het overwicht dat hij op haar had door het leeftijdsverschil. Hierdoor heeft het slachtoffer tegen haar zin in seks gehad met verdachte. Het was voor het gevoel van het slachtoffer pas mogelijk de relatie te beëindigen nadat zij had voldaan aan in een contract opgenomen verplichtingen tot onder meer het verrichten van seksuele handelingen. Daar heeft verdachte haar meermalen op bedreigende wijze aan herinnerd. Het is uiteindelijk gestopt toen verdachte een nieuwe vriendin kreeg.
Verdachte heeft zich steeds niet bekommerd om de schadelijke gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Hij heeft zich laten leiden door zijn eigen (lust)gevoelens. Verdachte heeft met zijn handelen grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van het slachtoffer. Dat dit ook bij dit slachtoffer het geval is geweest blijkt uit de slachtofferverklaringen bij de rechtbank en in hoger beroep. Uit deze verklaringen volgt dat het slachtoffer door het handelen van verdachte een posttraumatische stresssyndroom heeft gekregen waarvoor zij is behandeld. Ook heeft ze veel last (gehad) van schaamte en angst. Het slachtoffer heeft verteld dat zij hoopt deze nare periode na het hoger beroep eindelijk definitief te kunnen afsluiten.
Anders dan bij de rechtbank heeft verdachte ter zitting in hoger beroep aangegeven veel spijt te hebben van zijn handelen en in te zien dat het nooit had mogen gebeuren. Hij neemt verantwoordelijkheid voor de gevolgen van zijn handelen en laat dit ook zien door zijn bereidheid de schade van het slachtoffer te vergoeden.
Inleiding
Dit getoonde inzicht weegt het hof in strafverlagende zin mee.
Persoonlijke omstandigheden
Uit het strafblad van verdachte van 6 november 2024 blijkt dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.
Het hof houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier, in het bijzonder het reclasseringsadvies van 7 december 2020 en het Pro Justitia rapport van 5 januari 2024, opgemaakt door drs. [naam] , GZ-psycholoog, en zoals die ter zitting naar voren zijn gebracht.
Uit het reclasseringsadvies van 7 december 2020 volgt onder meer dat bij verdachte sprake is van emotionele onrijpheid. Door de emotionele onrijpheid en de wijze waarop verdachte daarmee omging zag verdachte het contact met het slachtoffer als gelijkwaardig. In zijn beleving was er sprake van een wederkerige relatie, waarbij hij niet inzag dat het aangaan van een relatie met een minderjarige per definitie ongelijkwaardig is. Deze zienswijze heeft bijgedragen aan het grensoverschrijdende gedrag van verdachte.
Verdachte is in een vrijwillig kader met een ambulante behandeling begonnen. Hij is behandeltrouw en lijkt een goede draai aan zijn leven te (willen) geven. De reclassering heeft de indruk dat verdachte inziet dat zijn gedrag grensoverschrijdend was. Uit de referenteninformatie blijkt dat de behandelaar van verdachte aangeeft dat bij verdachte sprake is van angst en onzekerheid, hetgeen waarschijnlijk heeft bijgedragen aan de totstandkoming van de feiten. Ook geeft zij aan dat er sprake is van emotionele onrijpheid.
Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Ondanks dit lage risico adviseert de reclassering wel om een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling op te leggen als bijzondere voorwaarden.
Verder blijkt uit het Pro Justitia rapport van 5 januari 2024 dat verdachte vanaf 12/13 jarige leeftijd last heeft van psychische klachten, zoals angstklachten en somberheidsklachten. Hij is daarvoor vaak in behandeling geweest. Vanaf het moment dat de strafzaak speelt heeft verdachte slaapproblemen. Verdachte voelt zich niet gelukkig of blij. Elke seconde van de dag speelt de zaak mee; het heeft veel invloed op het leven van verdachte.
Verdachte maakt een pessimistische indruk en rapporteert veel somberheidsklachten. Er zijn gevoelens van waardeloosheid en machteloosheid, alsook gedachten aan de dood. Ook rapporteert hij slaapproblemen. De klachten bestaan al lange tijd, zorgen voor lijdensdruk en zijn significant verergerd sinds de aanhouding en veroordeling in de huidige strafzaak. Dit doet onderzoeker concluderen dat er nu sprake is van een depressieve stoornis bij betrokkene. Dit toestandsbeeld maakt dat het zicht op zijn onderliggende persoonlijkheid en belevingswereld wordt vertroebeld door de depressie. Onderzoeker kan geen posttraumatische stressstoornis vaststellen, maar sluit ook niet uit dat bepaalde gebeurtenissen (waaronder het pestverleden, maar ook gebeurtenissen in de opvoeding waarbij betrokkene zich niet voldoende gesteund voelt door ouders) zijn sporen bij betrokkene hebben achtergelaten, traumatiserend hebben gewerkt en daarmee zijn persoonlijkheidsontwikkeling negatief hebben beïnvloed. Na de basisschooltijd ontwikkelt verdachte zich tot een angstige, onzekere en afhankelijke man met forse minderwaardigheidsgevoelens waarbij de wereld een onveilige plaats geworden is. Op dit moment kan onderzoeker niet met zekerheid vaststellen of de persoonlijkheidskenmerken hebben geleid tot structureel disfunctioneren op verschillende levensgebieden, waardoor een persoonlijkheidsstoornis niet wordt vastgesteld. Wel valt op dat verdachte zich in relaties afhankelijk opstelt en lijkt hij door de vermijdende en afhankelijke trekken bij tegenslagen terug te vallen in oude patronen. In ieder geval maken de eerder beschreven persoonlijkheidstrekken hem kwetsbaar voor het ontwikkelen van angst- en somberheidsklachten en gevoelens van eenzaamheid zoals nu ook het geval is.
Kijkende naar het delictscenario is het moeilijk om verdachtes functioneren destijds ten tijde van de ten laste gelegde feiten goed te reconstrueren. Het gaat immers over een periode van ruim twaalf tot zeven jaar geleden. Bij verdachte is wel sprake van vermijdende en afhankelijke persoonlijkheidskenmerken. Terugkijkend lijkt verdachte door negatieve ervaringen sociaal en emotioneel beschadigd te zijn geraakt en daardoor gevoeliger voor positieve aandacht en contact. Alhoewel niet goed te achterhalen is hoe verdachte zijn (emotionele) ontwikkelingsniveau in de periode van het ten laste gelegde was, is echter wel vast te stellen dat er bij verdachte sprake is van een gemiddelde intellectuele ontwikkeling en van een adequaat ontwikkeld besef van normen en waarden. Er geen aanwijzingen dat verdachtes keuzevrijheid in de periode van het ten laste gelegde werd verhinderd door een psychische stoornis. Onderzoeker adviseert dan ook om het ten laste gelegd - indien bewezen - volledig aan verdachte toe te rekenen.
Op basis van de risicotaxatie-instrumenten is sprake van een laag tot matige risico op recidive. Onderzoeker ziet geen aanleiding om behandeling in een strafrechtelijk kader te adviseren. Vanuit gedragskundig oogpunt is behandeling op vrijwillige basis wenselijk.
Op grond van het voorgaande houdt het hof bij de strafoplegging rekening met de psychische kwetsbaarheid van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Er was mogelijk sprake van een persoonlijkheidsstoornis. Doordat de feiten lang geleden zijn gepleegd kan de psycholoog het functioneren van verdachte destijds niet goed reconstrueren. Het hof sluit zich aan bij de bevindingen van de onderzoekers dat bij verdachte sprake was van emotionele onrijpheid, waardoor het contact met aangeefster in zijn beleving gelijkwaardig was en er in zijn beleving ook sprake was van een wederkerige relatie. Deze subjectieve beleving heeft bijgedragen aan het gedrag van verdachte en daarmee aan het plegen van de feiten. Het hof houdt ook hiermee rekening bij het opleggen van een passende straf.
Verder heeft verdachte ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij geen toekomstplannen heeft; hij overleeft met de dag. Verdachte heeft in oktober 2022 een suïcidepoging willen ondernemen. Hij is gevoelsmatig alles kwijtgeraakt: zijn baan als tennisleraar, zijn verloofde en zijn nieuwe woning. Verdachte woont bij zijn ouders en is niet in staat om betaald werk te doen. Uit stukken van de psychiater en behandelend arts van het UWV van 13 september 2023 en 4 december 2024 volgt dat sprake is van ernstige stemmingsklachten en suïcidale ideaties (dat is het actief overwegen van en denken aan zelfdoding). Pas als er duidelijkheid komt rond de rechtszaak kan de (echte) behandeling worden opgestart. Op dit moment worden steunende gesprekken gevoerd zodat verdachte het volhoudt.
Het hof overweegt dat de impact van de strafzaak op het leven van verdachte groot is. Verdachte is in die zin ook al gestraft.
Tijdsverloop en overschrijding redelijke termijn
De berechting in eerste aanleg heeft bijna 43 maanden geduurd. Verdachte is op 26 februari 2019 door de politie verhoord en het vonnis is gewezen op 21 september 2022. Daarmee is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna 19 maanden. Vervolgens is namens verdachte op 4 oktober 2022 hoger beroep ingesteld. De procedure in hoger beroep eindigt met het eindarrest van 24 december 2024.
Inleiding
De berechting in twee instanties heeft daarmee vijf jaar en bijna tien maanden geduurd.
Deze overschrijding van de redelijke termijn heeft er mede toe bijgedragen dat aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.
Strafoplegging
Evenals de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat voor het plegen van dit soort ernstige feiten in beginsel niet kan worden volstaan met een andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 22b, eerste lid, onder a Sr in beginsel geen taakstraf kan worden opgelegd bij een veroordeling voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad. Daarvan kan op grond van het tweede lid worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.
Gelet op de hiervoor genoemde specifieke omstandigheden in deze uitzonderlijke zaak, waaronder de context waarbinnen de feiten zijn gepleegd, het lange tijdsverloop van de zaak, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, het feit dat verdachte een first offender is en de positieve ontwikkelingen op het gebied van zelfinzicht, zal het hof aan verdachte, in afwijking van de eis van de advocaat-generaal, een taakstraf opleggen voor de maximale duur en daarnaast een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 541 dagen waarvan 540 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het hof acht deze straf onder de gegeven omstandigheden passend en geboden.
Aan het voorwaardelijk deel worden de bijzondere voorwaarden verbonden van een meldplicht, een contactverbod en, indien geïndiceerd, ambulante behandeling. Gelet op de problematiek bij verdachte acht het hof het noodzakelijk dat hij hulp krijgt. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om de inmiddels in een vrijwillig kader opgestarte zorg te doorkruisen, maar hiermee stelt het hof de reclassering in de gelegenheid om als dat nodig is in een dwingend kader voor passende hulp te zorgen. Dat is voor zowel verdachte als de samenleving van groot belang.
Met oplegging van de forse voorwaardelijke gevangenisstraf beoogt het hof de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking brengen. Ook dient deze straf als stok achter de deur om te proberen te voorkomen dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt. Hem hangt een gevangenisstraf van anderhalf jaar boven het hoofd.
Het maatwerk dat met deze beslissing wordt geleverd is naar het oordeel van het hof niet alleen in het belang van de verdachte, maar ook in dat van de samenleving. Het hof is van oordeel dat deze straf recht doet aan de strafdoelen (te weten: vergelding en preventie).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 12.146,18, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 11.146,18. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De vordering in hoger beroep bestaat uit € 10.000,- immateriële schade en € 2.071,79 materiele schade, bestaande uit: kosten eigen risico ziektekostenverzekering en behandelingen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering is niet betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 242 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.