Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-08-27
ECLI:NL:GHARL:2024:5400
Civiel recht
Hoger beroep
5,194 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.333.293/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 545298
arrest in het incident van 27 augustus 2024
in de zaak van
[appellante]
,
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als eiseres,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. W.Y. Hofstra in Hilversum,
tegen
[geïntimeerde]
,
die woont in [woonplaats2] ,
die ook hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. S.M. Carabain-Klomp in IJhorst .
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, op 2 augustus 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
• een verzoek van [geïntimeerde] om alsnog een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging te mogen indienen en de toestemming van de rolraadsheer daarop
• een akte van [geïntimeerde]
• een antwoordakte van [appellante] .
2De kern van de zaak
2.1
Partijen hebben tot augustus 2021 een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij hebben geen samenlevingsovereenkomst gesloten. Partijen verschillen van mening over de eigendom van een aantal zaken.
2.2
[appellante] heeft [geïntimeerde] gedagvaard. Zij stelt dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld. Zo zou [geïntimeerde] zich zonder toestemming een geldbedrag van [appellante] hebben toegeëigend door middel van bankoverschrijvingen van haar rekening naar zijn eigen rekening. Ook zou [geïntimeerde] zich de aan [appellante] toebehorende Audi A6 met een waarde van € 65.000,-, het chalet in [plaats1] met inboedel en het chalet in [plaats2] hebben toegeëigend. Verder stelt [appellante] dat [geïntimeerde] haar mobiele telefoon heeft beschadigd en haar identiteitsbewijs heeft ontvreemd, waardoor zij kosten voor een nieuwe heeft moeten maken. [appellante] vordert vergoeding van de door haar geleden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen.
2.3
[geïntimeerde] betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld.
2.4
De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] voldoende heeft onderbouwd dat de Audi A6 haar eigendom was en dat [geïntimeerde] deze zonder haar toestemming heeft verkocht. De rechtbank heeft de vordering van [appellante] tot veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de geleden schade van € 65.000,- dan ook toegewezen. De overige vorderingen heeft de rechtbank afgewezen.
2.5
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 2 augustus 2023. Ook [geïntimeerde] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Beoordeling
3.1
In het incident vordert [geïntimeerde] dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 2 augustus 2023 wordt geschorst totdat op het hoger beroep is beslist. Ter onderbouwing van die vordering voert [geïntimeerde] aan dat hij door de voortzetting van de tenuitvoerlegging in een noodsituatie zal komen te verkeren, met onomkeerbare gevolgen voor hem en zijn gezin. Hij heeft momenteel geen enkele financiële mogelijkheid om te kunnen voldoen aan de veroordeling. Op 27 juni 2024 staat er een openbare verkoop van het chalet van [geïntimeerde] in [plaats2] gepland. Het is onzeker of van de opbrengst de vordering van [appellante] kan worden voldaan. [geïntimeerde] heeft dus – in tegenstelling tot [appellante] – wel een spoedeisend belang. [appellante] heeft het afgelopen jaar geen poging gedaan om het vonnis te executeren. Om dat nu wel te doen, is een aparte timing. Daarbij bestaat een reëel restitutierisico. Gelet op dit alles is [geïntimeerde] van mening dat zijn belang bij schorsing van de tenuitvoerlegging zwaarder weegt dat het belang van [appellante] bij executie van het vonnis.
3.2
[appellante] concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van het verzoek. Allereerst stelt zij dat [geïntimeerde] het incident tardief heeft opgeworpen en hij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Verder stelt zij dat ter voldoening van de vordering al vanaf september 2023 beslag is gelegd onder de Rabobank, Knab en Aegon. Ook is beslag gelegd op de auto van [geïntimeerde] en op het chalet in [plaats2] . Dit chalet staat op een camping waarvoor stallingsgeld moet worden betaald. Hiervoor heeft [geïntimeerde] een betalingsachterstand laten ontstaan. Daarbij is de openbare verkoop niet doorgegaan, omdat [geïntimeerde] het chalet aan een derde zou hebben verkocht. [geïntimeerde] frustreert de tenuitvoerlegging van het vonnis. Daarbij is niet met stukken onderbouwd dat hij de vordering niet kan voldoen. Daarbij heeft [geïntimeerde] kennelijk zelf het chalet, waar hij niet woont of verblijft, al verkocht. Daarmee kan ook van een noodtoestand geen sprake zijn. [geïntimeerde] heeft ook nagelaten het vermeende restitutierisico te onderbouwen. De belangen van [appellante] dienen te prevaleren boven het gestelde belang van [geïntimeerde] .
De ontvankelijkheid
3.3
[appellante] stelt zich op het standpunt dat de incidentele vordering tardief zou zijn ingesteld en [geïntimeerde] daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het hof verwerpt dit formele bezwaar van [appellante] . [geïntimeerde] heeft voor het opwerpen van het incident toestemming van de rolraadsheer gevraagd en gekregen. Hiertegen is door [appellante] geen bezwaar gemaakt. Daarmee is de vordering niet tardief. Dat [appellante] daarnaast in de veronderstelling was dat het incident gelijktijdig met de hoofdzaak zou worden behandeld, kan evenmin tot het oordeel leiden dat [geïntimeerde] niet kan worden ontvangen in zijn incidentele vordering. [appellante] had op basis van de berichtgeving in het roljournaal op de hoogte kunnen zijn van een eerdere behandeling van het incident. In het roljournaal staat het volgende: “Incident wordt in principe tegelijk met de hoofdzaak behandeld. Als mr. Carabain eerst arrest in incident wil, moet dit verzocht worden, waarna het hof hierover gaat beslissen.” Dit verzoek is gedaan en de rolraadsheer heeft het toegestaan. Dat betekent dat het hof de incidentele vordering van [geïntimeerde] inhoudelijk zal beoordelen.
Het juridisch kader
3.4
Het hof beoordeelt de incidentele vordering aan de hand van de criteria die de Hoge Raad daarvoor heeft gegeven. Een uitvoerbaar verklaarde veroordeling is ook uitvoerbaar als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan de uitvoerbaarheid van het veroordelend vonnis schorsen (artikel 351 Rv) of hieraan alsnog de voorwaarde van het stellen van zekerheid verbinden als het belang van de veroordeelde partij bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij (artikel 235 Rv).
Bij de beoordeling van dit incident gaat het hof uit van de overwegingen en beslissingen van de rechtbank. De kans van slagen van het hoger beroep blijft daarbij buiten beschouwing. Zou een beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berusten, dan kan het hof daaraan gevolgen verbinden voor de uitvoerbaarheid. [geïntimeerde] heeft echter niet gesteld dat het vonnis van de rechtbank op een kennelijke misslag zou berusten.
3.5
Het hof dient een belangenafweging te maken. Daarbij is een belangrijk gezichtspunt dat de eerste rechter de vordering heeft toegewezen en dat moet worden voorkomen dat het instellen van hoger beroep wordt gebruikt als middel om uitstel van executie te verkrijgen. Bij een veroordeling tot betaling van een geldsom is het belang van de schuldeiser bij handhaving van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel gegeven.
3.6
Wat [geïntimeerde] heeft aangevoerd is onvoldoende voor schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis. [geïntimeerde] wijst op een dreigende (financiële) noodsituatie, maar hij heeft dit op geen enkele manier toegelicht of concreet gemaakt. Ook heeft [geïntimeerde] nagelaten het gestelde restitutierisico aan de zijde van [appellante] concreet te onderbouwen, zodat het hof van dat risico niet kan uitgaan.
3.7
De belangen tegen elkaar afwegende ziet het hof dan ook geen aanleiding voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis.
3.8
De conclusie luidt dat de incidentele vordering zal worden afgewezen. De beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak. De hoofdzaak zal conform het roljournaal naar de rol worden verwezen voor opgave verhinderdata voor het bepalen van een mondelinge behandeling.
Dictum
Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
bepaalt dat omtrent de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 10 september 2024 voor opgave verhinderdata over de maanden november 2024 tot en met maart 2025;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, J. Smit en W.F. Boele, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688.
HR 17 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5169.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.333.293/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 545298
arrest in het incident van 27 augustus 2024
in de zaak van
[appellante]
,
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als eiseres,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. W.Y. Hofstra in Hilversum,
tegen
[geïntimeerde]
,
die woont in [woonplaats2] ,
die ook hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de rechtbank optrad als gedaagde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. S.M. Carabain-Klomp in IJhorst .
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, op 2 augustus 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep
• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep
• een verzoek van [geïntimeerde] om alsnog een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging te mogen indienen en de toestemming van de rolraadsheer daarop
• een akte van [geïntimeerde]
• een antwoordakte van [appellante] .
2De kern van de zaak
2.1
Partijen hebben tot augustus 2021 een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij hebben geen samenlevingsovereenkomst gesloten. Partijen verschillen van mening over de eigendom van een aantal zaken.
2.2
[appellante] heeft [geïntimeerde] gedagvaard. Zij stelt dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld. Zo zou [geïntimeerde] zich zonder toestemming een geldbedrag van [appellante] hebben toegeëigend door middel van bankoverschrijvingen van haar rekening naar zijn eigen rekening. Ook zou [geïntimeerde] zich de aan [appellante] toebehorende Audi A6 met een waarde van € 65.000,-, het chalet in [plaats1] met inboedel en het chalet in [plaats2] hebben toegeëigend. Verder stelt [appellante] dat [geïntimeerde] haar mobiele telefoon heeft beschadigd en haar identiteitsbewijs heeft ontvreemd, waardoor zij kosten voor een nieuwe heeft moeten maken. [appellante] vordert vergoeding van de door haar geleden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen.
2.3
[geïntimeerde] betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld.
2.4
De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] voldoende heeft onderbouwd dat de Audi A6 haar eigendom was en dat [geïntimeerde] deze zonder haar toestemming heeft verkocht. De rechtbank heeft de vordering van [appellante] tot veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de geleden schade van € 65.000,- dan ook toegewezen. De overige vorderingen heeft de rechtbank afgewezen.
2.5
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 2 augustus 2023. Ook [geïntimeerde] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Beoordeling
3.1
In het incident vordert [geïntimeerde] dat de tenuitvoerlegging van het vonnis van 2 augustus 2023 wordt geschorst totdat op het hoger beroep is beslist. Ter onderbouwing van die vordering voert [geïntimeerde] aan dat hij door de voortzetting van de tenuitvoerlegging in een noodsituatie zal komen te verkeren, met onomkeerbare gevolgen voor hem en zijn gezin. Hij heeft momenteel geen enkele financiële mogelijkheid om te kunnen voldoen aan de veroordeling. Op 27 juni 2024 staat er een openbare verkoop van het chalet van [geïntimeerde] in [plaats2] gepland. Het is onzeker of van de opbrengst de vordering van [appellante] kan worden voldaan. [geïntimeerde] heeft dus – in tegenstelling tot [appellante] – wel een spoedeisend belang. [appellante] heeft het afgelopen jaar geen poging gedaan om het vonnis te executeren. Om dat nu wel te doen, is een aparte timing. Daarbij bestaat een reëel restitutierisico. Gelet op dit alles is [geïntimeerde] van mening dat zijn belang bij schorsing van de tenuitvoerlegging zwaarder weegt dat het belang van [appellante] bij executie van het vonnis.
3.2
[appellante] concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van het verzoek. Allereerst stelt zij dat [geïntimeerde] het incident tardief heeft opgeworpen en hij niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Verder stelt zij dat ter voldoening van de vordering al vanaf september 2023 beslag is gelegd onder de Rabobank, Knab en Aegon. Ook is beslag gelegd op de auto van [geïntimeerde] en op het chalet in [plaats2] . Dit chalet staat op een camping waarvoor stallingsgeld moet worden betaald. Hiervoor heeft [geïntimeerde] een betalingsachterstand laten ontstaan. Daarbij is de openbare verkoop niet doorgegaan, omdat [geïntimeerde] het chalet aan een derde zou hebben verkocht. [geïntimeerde] frustreert de tenuitvoerlegging van het vonnis. Daarbij is niet met stukken onderbouwd dat hij de vordering niet kan voldoen. Daarbij heeft [geïntimeerde] kennelijk zelf het chalet, waar hij niet woont of verblijft, al verkocht. Daarmee kan ook van een noodtoestand geen sprake zijn. [geïntimeerde] heeft ook nagelaten het vermeende restitutierisico te onderbouwen. De belangen van [appellante] dienen te prevaleren boven het gestelde belang van [geïntimeerde] .
De ontvankelijkheid
3.3
[appellante] stelt zich op het standpunt dat de incidentele vordering tardief zou zijn ingesteld en [geïntimeerde] daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het hof verwerpt dit formele bezwaar van [appellante] . [geïntimeerde] heeft voor het opwerpen van het incident toestemming van de rolraadsheer gevraagd en gekregen. Hiertegen is door [appellante] geen bezwaar gemaakt. Daarmee is de vordering niet tardief. Dat [appellante] daarnaast in de veronderstelling was dat het incident gelijktijdig met de hoofdzaak zou worden behandeld, kan evenmin tot het oordeel leiden dat [geïntimeerde] niet kan worden ontvangen in zijn incidentele vordering. [appellante] had op basis van de berichtgeving in het roljournaal op de hoogte kunnen zijn van een eerdere behandeling van het incident. In het roljournaal staat het volgende: “Incident wordt in principe tegelijk met de hoofdzaak behandeld. Als mr. Carabain eerst arrest in incident wil, moet dit verzocht worden, waarna het hof hierover gaat beslissen.” Dit verzoek is gedaan en de rolraadsheer heeft het toegestaan. Dat betekent dat het hof de incidentele vordering van [geïntimeerde] inhoudelijk zal beoordelen.
Het juridisch kader
3.4
Het hof beoordeelt de incidentele vordering aan de hand van de criteria die de Hoge Raad daarvoor heeft gegeven. Een uitvoerbaar verklaarde veroordeling is ook uitvoerbaar als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan de uitvoerbaarheid van het veroordelend vonnis schorsen (artikel 351 Rv) of hieraan alsnog de voorwaarde van het stellen van zekerheid verbinden als het belang van de veroordeelde partij bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij (artikel 235 Rv).
Bij de beoordeling van dit incident gaat het hof uit van de overwegingen en beslissingen van de rechtbank. De kans van slagen van het hoger beroep blijft daarbij buiten beschouwing. Zou een beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berusten, dan kan het hof daaraan gevolgen verbinden voor de uitvoerbaarheid. [geïntimeerde] heeft echter niet gesteld dat het vonnis van de rechtbank op een kennelijke misslag zou berusten.
3.5
Het hof dient een belangenafweging te maken. Daarbij is een belangrijk gezichtspunt dat de eerste rechter de vordering heeft toegewezen en dat moet worden voorkomen dat het instellen van hoger beroep wordt gebruikt als middel om uitstel van executie te verkrijgen. Bij een veroordeling tot betaling van een geldsom is het belang van de schuldeiser bij handhaving van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in beginsel gegeven.
3.6
Wat [geïntimeerde] heeft aangevoerd is onvoldoende voor schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis. [geïntimeerde] wijst op een dreigende (financiële) noodsituatie, maar hij heeft dit op geen enkele manier toegelicht of concreet gemaakt. Ook heeft [geïntimeerde] nagelaten het gestelde restitutierisico aan de zijde van [appellante] concreet te onderbouwen, zodat het hof van dat risico niet kan uitgaan.
3.7
De belangen tegen elkaar afwegende ziet het hof dan ook geen aanleiding voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis.
3.8
De conclusie luidt dat de incidentele vordering zal worden afgewezen. De beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak. De hoofdzaak zal conform het roljournaal naar de rol worden verwezen voor opgave verhinderdata voor het bepalen van een mondelinge behandeling.
Dictum
Het hof:
in het incident:
wijst de vordering af;
bepaalt dat omtrent de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 10 september 2024 voor opgave verhinderdata over de maanden november 2024 tot en met maart 2025;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, J. Smit en W.F. Boele, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688.
HR 17 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5169.