Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-06-22
ECLI:NL:GHARL:2023:5267
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
2,542 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.320.216/01
CJIB-nummer
: 239817436
Uitspraak d.d.
: 22 juni 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 6 oktober 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 250,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 785,25.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 400,- voor: “als bestuurder met een motorvoertuig of als brom- of snorfietser onnodig geluid veroorzaken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 maart 2021 om 11:15 uur op de Laan der Verenigde Naties in Ede met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd, omdat het sanctiebedrag voor de onderhavige gedraging met ingang van 1 maart 2022 is verminderd tot € 250,- (artikel 1 van het Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van de bijlage bij de Wahv en de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven).
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de sanctie ten onrechte in dit geval aan de kentekenhouder is opgelegd. De ambtenaren reden in een als zodanig herkenbaar politievoertuig en hadden de bestuurder van het voertuig met gebruikmaking van optische en geluidssignalen staande kunnen houden. In het geval dat niet mogelijk was, had de sanctie evenmin niet aan de kentekenhouder mogen worden opgelegd, aangezien de ambtenaren wisten wie de bestuurder van het voertuig was.
4. Artikel 5 van de Wahv bepaalt dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister was ingeschreven.
5. De betrokken ambtenaar verklaart in het zaakoverzicht:
“ Reden geen staandehouding: geen mogelijkheid tot staandehouding omdat betrokkene hard van ons af reed en wij vaststonden bij de verkeerslichten.”
6. Uit deze verklaring blijkt genoegzaam dat zich geen reële mogelijkheid heeft voorgedaan tot staandehouding van de bestuurder waarbij de bestuurder van het voertuig met de door de ambtenaar geconstateerde gedraging had kunnen worden geconfronteerd. Uit het aanvullend proces-verbaal van 25 mei 2021 blijkt echter dat de betrokken ambtenaar de identiteit van de bestuurder van het voertuig kort voor het constateren van de onderhavige gedraging, namelijk om 11:03 uur, naar aanleiding van een staandehouding voor een vergelijkbare gedraging had vastgesteld. Gegeven het in artikel 5 van de Wahv geformuleerde uitgangspunt had de sanctie aan deze persoon moeten worden opgelegd in plaats van aan de kentekenhouder van het voertuig. Nu echter uit het dossier eenduidig blijkt dat de betrokkene zowel kentekenhouder als bestuurder van het voertuig is geweest, zal het hof hieraan in dit geval geen consequenties verbinden. De betrokkene is hierdoor niet in zijn verdedigingsbelangen geschaad. De aangevoerde grond faalt.
7. Het voorgaande betekent dat de beslissing van de kantonrechter zal worden bevestigd.
8. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.320.216/01
CJIB-nummer
: 239817436
Uitspraak d.d.
: 22 juni 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 6 oktober 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 250,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 785,25.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 400,- voor: “als bestuurder met een motorvoertuig of als brom- of snorfietser onnodig geluid veroorzaken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 9 maart 2021 om 11:15 uur op de Laan der Verenigde Naties in Ede met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd, omdat het sanctiebedrag voor de onderhavige gedraging met ingang van 1 maart 2022 is verminderd tot € 250,- (artikel 1 van het Besluit van 22 december 2021 tot wijziging van de bijlage bij de Wahv en de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven).
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de sanctie ten onrechte in dit geval aan de kentekenhouder is opgelegd. De ambtenaren reden in een als zodanig herkenbaar politievoertuig en hadden de bestuurder van het voertuig met gebruikmaking van optische en geluidssignalen staande kunnen houden. In het geval dat niet mogelijk was, had de sanctie evenmin niet aan de kentekenhouder mogen worden opgelegd, aangezien de ambtenaren wisten wie de bestuurder van het voertuig was.
4. Artikel 5 van de Wahv bepaalt dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister was ingeschreven.
5. De betrokken ambtenaar verklaart in het zaakoverzicht:
“ Reden geen staandehouding: geen mogelijkheid tot staandehouding omdat betrokkene hard van ons af reed en wij vaststonden bij de verkeerslichten.”
6. Uit deze verklaring blijkt genoegzaam dat zich geen reële mogelijkheid heeft voorgedaan tot staandehouding van de bestuurder waarbij de bestuurder van het voertuig met de door de ambtenaar geconstateerde gedraging had kunnen worden geconfronteerd. Uit het aanvullend proces-verbaal van 25 mei 2021 blijkt echter dat de betrokken ambtenaar de identiteit van de bestuurder van het voertuig kort voor het constateren van de onderhavige gedraging, namelijk om 11:03 uur, naar aanleiding van een staandehouding voor een vergelijkbare gedraging had vastgesteld. Gegeven het in artikel 5 van de Wahv geformuleerde uitgangspunt had de sanctie aan deze persoon moeten worden opgelegd in plaats van aan de kentekenhouder van het voertuig. Nu echter uit het dossier eenduidig blijkt dat de betrokkene zowel kentekenhouder als bestuurder van het voertuig is geweest, zal het hof hieraan in dit geval geen consequenties verbinden. De betrokkene is hierdoor niet in zijn verdedigingsbelangen geschaad. De aangevoerde grond faalt.
7. Het voorgaande betekent dat de beslissing van de kantonrechter zal worden bevestigd.
8. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.