Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-05-31
ECLI:NL:GHARL:2023:4616
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
8,088 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.318.147/01
CJIB-nummer
: 237973580
Uitspraak d.d.
: 31 mei 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 12 augustus 2022, betreffende
[naam1]
, werkzaam bij Accountants & Adviseurs [naam2] te [plaats1] ,
beweerdelijk optredend namens
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van [naam1] tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
[naam3] , werkzaam bij Accountants & Adviseurs [naam2] te [plaats1] , heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
[naam3] heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat geen machtiging is overgelegd, ook niet nadat daartoe gelegenheid is geboden.
2. [naam3] voert aan dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Bij het beroepschrift aan de kantonrechter is de machtiging van [de betrokkene] van 6 januari 2021 aan [naam3] overgelegd. Deze machtiging volstaat, omdat daarin is voorzien in substitutie. Met gebruikmaking daarvan is het beroep ingesteld door collega [naam1] .
3. De advocaat-generaal concludeert tot bevestiging van de beslissing van de kantonrechter.
4. Het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie is op 21 mei 2021 bij de CVOM ingekomen. Dit beroepschrift is gesteld op briefpapier van [naam2] accountants & adviseurs te [plaats1] en ondertekend door [naam1] RB. Als bijlage bij dit beroepschrift is de op 6 januari 2021 door [de betrokkene] ondertekende volmacht gevoegd waarin staat dat zij verklaart volmacht te verlenen “aan de heer [naam3] , werkzaam bij [naam2] Belastingadviseurs te [plaats1] om, met recht van substitutie, zich te laten vertegenwoordigen in een bezwaar- of (hoger-) beroepsprocedure, al dan niet in cassatie, ter zake van beschikkingen (CJIB) verkeersboetes, naheffingen parkeerbelastingen, en bijkomende (neven) beschikkingen. In gevolge deze volmacht is gevolmachtigde bevoegd voor of namens ondergetekende alle (processuele) handelingen inzake het beroep te verrichten, welke de gevolmachtigde noodzakelijk, nuttig of wenselijk voorkomen, en in het algemeen al datgene te verrichten, wat hij, ondergetekende, zelf tegenwoordig zijnde, zou mogen, moeten of kunnen doen, behoudens de gevallen waarin ingevolge wettelijk voorschrift of bevel van de rechter, persoonlijke verschijning van de volmachtgever wordt vereist dan wel overlegging van een bijzondere volmacht voorgeschreven is.”
5. Uit het voorgaande blijkt genoegzaam dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie met gebruikmaking van het recht van substitutie is ingesteld namens de betrokkene door [naam1] RB. Dit brengt mee dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen.
6. De gemachtigde verzoekt het hof de zaak terug te wijzen naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling. Artikel 20d, tweede lid, van de Wahv biedt daarvoor in dit geval geen ruimte. Het hof zal doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Het hof beschouwt het hoger beroep als ingesteld namens de betrokkene.
7. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking bij beslissing met dagtekening 11 mei 2021 ongegrond verklaard.
8. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden.
9. Ingevolge artikel 7 van de Wahv juncto artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de officier van justitie de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen te worden gehoord. De gemachtigde heeft in het administratief beroepschrift niet verzocht om te worden gehoord. Het is het hof ambtshalve bekend dat in de inleidende beschikking die aan de betrokkene is toegezonden een verwijzing naar het doen van een verzoek om te worden gehoord door de officier van justitie ontbreekt. Ook is de gemachtigde, na het instellen van administratief beroep, niet erop gewezen dat hij, als hij wilde worden gehoord door de officier van justitie, daartoe een verzoek moest doen. Gelet hierop kon de officier van justitie niet op de voet van artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb van horen afzien. Ook de andere uitzonderingsgronden van artikel 7:17 van de Awb doen zich hier niet voor. Nu de gemachtigde van de betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, is sprake van schending van de hoorplicht. Het hof zal de beslissing van de officier van justitie - met gegrondverklaring van het beroep daartegen - vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
10. Bij die beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van
€ 95,- voor: “motorvoertuig op meer dan twee wielen parkeren bij blauwe streep terwijl niet is voorzien van een duidelijk geplaatste parkeerschrijf”. Deze gedraging zou zijn verricht op
21 november 2020 om 13:08 uur op de Branderskamp in Ermelo met het voertuig met het kenteken
[kenteken] .
11. De gemachtigde voert aan dat door de betrokkene wel degelijk een parkeerschijf was geplaatst in het vervoermiddel. Fotobewijs, hetgeen onontbeerlijk is bij de stelling dat een parkeerschijf ontbreekt, is niet toegevoegd.
12. De onder 10 genoemde gedraging betreft een overtreding van artikel 25, tweede lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 dat inhoudt dat op plaatsen binnen een parkeerschijfzone die zijn voorzien van een blauwe streep, het parkeren van een motorvoertuig op meer dan twee wielen slechts is toegestaan indien het motorvoertuig is voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf. Indien het motorvoertuig is voorzien van een voorruit, wordt de parkeerschijf achter de voorruit geplaatst.
13. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. De stelling van de gemachtigde dat voor de vaststelling of de gedraging is verricht in dit geval ook ander bewijs dan de verklaring van de verbalisant is vereist, vindt geen steun in het recht. Of van de juistheid van de beschikbare gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
14. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag het voertuig van BE (het hof leest: betrokkene) geparkeerd staan in de blauwe zone. De zone geeft aan dat er maximaal anderhalf uur geparkeerd mag worden indien er gebruik wordt gemaakt van een parkeerschijf. Ik zag dat er geen parkeerschijf zichtbaar achter de voorruit aanwezig was. Ik verbalisant zag dat de bebording en belijning volledig en compleet was.”
15. Tot het dossier behoren ook drie op 21 november 2020 om 13:08 en 13:09 uur door de ambtenaar gemaakte foto’s van de gedraging. Achter de voorruit van de auto is geen parkeerschijf zichtbaar. Wel bevindt zich in het portier aan bestuurderszijde een blauw voorwerp waarvan een deel zichtbaar is. Dit lijkt een parkeerschijf te zijn.
16. De betrokkene ontkent de gedraging, maar geeft hiervoor onvoldoende argumenten. Het dossier bevat evenmin aanwijzingen dat de gegevens niet juist zijn. Het hof ziet daarom geen reden om aan de juistheid van de gegevens te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het beroep tegen de inleidende beschikking is ongegrond.
17. De gemachtigde van de betrokkene voert verder in de brief van 5 augustus 2021 aan beroep aan te tekenen tegen het uitblijven van een afzonderlijke beslissing van de officier van justitie op het bezwaar dat op 21 februari 2021 is ingesteld tegen de aanmaning met een verhoging van € 47,50. Bij brief met dagtekening 20 mei 2021 is het bestuursorgaan in gebreke gesteld. De gemachtigde baseert het beroep op artikel 6:2 van de Awb in verbinding met artikel 4:13 van de Awb en hij verzoekt de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom vast te stellen wegens het niet tijdig geven van een beslissing op dit bezwaar.
18.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot het vaststellen van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom wegens het niet tijdig reageren op het verzoek van de gemachtigde van 21 februari 2021 alsmede van het beroep tegen het niet tijdig reageren op het verzoek van de gemachtigde van 21 februari 2021;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.318.147/01
CJIB-nummer
: 237973580
Uitspraak d.d.
: 31 mei 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 12 augustus 2022, betreffende
[naam1]
, werkzaam bij Accountants & Adviseurs [naam2] te [plaats1] ,
beweerdelijk optredend namens
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van [naam1] tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
[naam3] , werkzaam bij Accountants & Adviseurs [naam2] te [plaats1] , heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
[naam3] heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat geen machtiging is overgelegd, ook niet nadat daartoe gelegenheid is geboden.
2. [naam3] voert aan dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Bij het beroepschrift aan de kantonrechter is de machtiging van [de betrokkene] van 6 januari 2021 aan [naam3] overgelegd. Deze machtiging volstaat, omdat daarin is voorzien in substitutie. Met gebruikmaking daarvan is het beroep ingesteld door collega [naam1] .
3. De advocaat-generaal concludeert tot bevestiging van de beslissing van de kantonrechter.
4. Het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie is op 21 mei 2021 bij de CVOM ingekomen. Dit beroepschrift is gesteld op briefpapier van [naam2] accountants & adviseurs te [plaats1] en ondertekend door [naam1] RB. Als bijlage bij dit beroepschrift is de op 6 januari 2021 door [de betrokkene] ondertekende volmacht gevoegd waarin staat dat zij verklaart volmacht te verlenen “aan de heer [naam3] , werkzaam bij [naam2] Belastingadviseurs te [plaats1] om, met recht van substitutie, zich te laten vertegenwoordigen in een bezwaar- of (hoger-) beroepsprocedure, al dan niet in cassatie, ter zake van beschikkingen (CJIB) verkeersboetes, naheffingen parkeerbelastingen, en bijkomende (neven) beschikkingen. In gevolge deze volmacht is gevolmachtigde bevoegd voor of namens ondergetekende alle (processuele) handelingen inzake het beroep te verrichten, welke de gevolmachtigde noodzakelijk, nuttig of wenselijk voorkomen, en in het algemeen al datgene te verrichten, wat hij, ondergetekende, zelf tegenwoordig zijnde, zou mogen, moeten of kunnen doen, behoudens de gevallen waarin ingevolge wettelijk voorschrift of bevel van de rechter, persoonlijke verschijning van de volmachtgever wordt vereist dan wel overlegging van een bijzondere volmacht voorgeschreven is.”
5. Uit het voorgaande blijkt genoegzaam dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie met gebruikmaking van het recht van substitutie is ingesteld namens de betrokkene door [naam1] RB. Dit brengt mee dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen.
6. De gemachtigde verzoekt het hof de zaak terug te wijzen naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling. Artikel 20d, tweede lid, van de Wahv biedt daarvoor in dit geval geen ruimte. Het hof zal doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Het hof beschouwt het hoger beroep als ingesteld namens de betrokkene.
7. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking bij beslissing met dagtekening 11 mei 2021 ongegrond verklaard.
8. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden.
9. Ingevolge artikel 7 van de Wahv juncto artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de officier van justitie de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen te worden gehoord. De gemachtigde heeft in het administratief beroepschrift niet verzocht om te worden gehoord. Het is het hof ambtshalve bekend dat in de inleidende beschikking die aan de betrokkene is toegezonden een verwijzing naar het doen van een verzoek om te worden gehoord door de officier van justitie ontbreekt. Ook is de gemachtigde, na het instellen van administratief beroep, niet erop gewezen dat hij, als hij wilde worden gehoord door de officier van justitie, daartoe een verzoek moest doen. Gelet hierop kon de officier van justitie niet op de voet van artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb van horen afzien. Ook de andere uitzonderingsgronden van artikel 7:17 van de Awb doen zich hier niet voor. Nu de gemachtigde van de betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, is sprake van schending van de hoorplicht. Het hof zal de beslissing van de officier van justitie - met gegrondverklaring van het beroep daartegen - vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
10. Bij die beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van
€ 95,- voor: “motorvoertuig op meer dan twee wielen parkeren bij blauwe streep terwijl niet is voorzien van een duidelijk geplaatste parkeerschrijf”. Deze gedraging zou zijn verricht op
21 november 2020 om 13:08 uur op de Branderskamp in Ermelo met het voertuig met het kenteken
[kenteken] .
11. De gemachtigde voert aan dat door de betrokkene wel degelijk een parkeerschijf was geplaatst in het vervoermiddel. Fotobewijs, hetgeen onontbeerlijk is bij de stelling dat een parkeerschijf ontbreekt, is niet toegevoegd.
12. De onder 10 genoemde gedraging betreft een overtreding van artikel 25, tweede lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 dat inhoudt dat op plaatsen binnen een parkeerschijfzone die zijn voorzien van een blauwe streep, het parkeren van een motorvoertuig op meer dan twee wielen slechts is toegestaan indien het motorvoertuig is voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf. Indien het motorvoertuig is voorzien van een voorruit, wordt de parkeerschijf achter de voorruit geplaatst.
13. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. De stelling van de gemachtigde dat voor de vaststelling of de gedraging is verricht in dit geval ook ander bewijs dan de verklaring van de verbalisant is vereist, vindt geen steun in het recht. Of van de juistheid van de beschikbare gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
14. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag het voertuig van BE (het hof leest: betrokkene) geparkeerd staan in de blauwe zone. De zone geeft aan dat er maximaal anderhalf uur geparkeerd mag worden indien er gebruik wordt gemaakt van een parkeerschijf. Ik zag dat er geen parkeerschijf zichtbaar achter de voorruit aanwezig was. Ik verbalisant zag dat de bebording en belijning volledig en compleet was.”
15. Tot het dossier behoren ook drie op 21 november 2020 om 13:08 en 13:09 uur door de ambtenaar gemaakte foto’s van de gedraging. Achter de voorruit van de auto is geen parkeerschijf zichtbaar. Wel bevindt zich in het portier aan bestuurderszijde een blauw voorwerp waarvan een deel zichtbaar is. Dit lijkt een parkeerschijf te zijn.
16. De betrokkene ontkent de gedraging, maar geeft hiervoor onvoldoende argumenten. Het dossier bevat evenmin aanwijzingen dat de gegevens niet juist zijn. Het hof ziet daarom geen reden om aan de juistheid van de gegevens te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het beroep tegen de inleidende beschikking is ongegrond.
17. De gemachtigde van de betrokkene voert verder in de brief van 5 augustus 2021 aan beroep aan te tekenen tegen het uitblijven van een afzonderlijke beslissing van de officier van justitie op het bezwaar dat op 21 februari 2021 is ingesteld tegen de aanmaning met een verhoging van € 47,50. Bij brief met dagtekening 20 mei 2021 is het bestuursorgaan in gebreke gesteld. De gemachtigde baseert het beroep op artikel 6:2 van de Awb in verbinding met artikel 4:13 van de Awb en hij verzoekt de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom vast te stellen wegens het niet tijdig geven van een beslissing op dit bezwaar.
18.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot het vaststellen van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom wegens het niet tijdig reageren op het verzoek van de gemachtigde van 21 februari 2021 alsmede van het beroep tegen het niet tijdig reageren op het verzoek van de gemachtigde van 21 februari 2021;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.318.147/01
CJIB-nummer
: 237973580
Uitspraak d.d.
: 31 mei 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 12 augustus 2022, betreffende
[naam1]
, werkzaam bij Accountants & Adviseurs [naam2] te [plaats1] ,
beweerdelijk optredend namens
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van [naam1] tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
[naam3] , werkzaam bij Accountants & Adviseurs [naam2] te [plaats1] , heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
[naam3] heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat geen machtiging is overgelegd, ook niet nadat daartoe gelegenheid is geboden.
2. [naam3] voert aan dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Bij het beroepschrift aan de kantonrechter is de machtiging van [de betrokkene] van 6 januari 2021 aan [naam3] overgelegd. Deze machtiging volstaat, omdat daarin is voorzien in substitutie. Met gebruikmaking daarvan is het beroep ingesteld door collega [naam1] .
3. De advocaat-generaal concludeert tot bevestiging van de beslissing van de kantonrechter.
4. Het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie is op 21 mei 2021 bij de CVOM ingekomen. Dit beroepschrift is gesteld op briefpapier van [naam2] accountants & adviseurs te [plaats1] en ondertekend door [naam1] RB. Als bijlage bij dit beroepschrift is de op 6 januari 2021 door [de betrokkene] ondertekende volmacht gevoegd waarin staat dat zij verklaart volmacht te verlenen “aan de heer [naam3] , werkzaam bij [naam2] Belastingadviseurs te [plaats1] om, met recht van substitutie, zich te laten vertegenwoordigen in een bezwaar- of (hoger-) beroepsprocedure, al dan niet in cassatie, ter zake van beschikkingen (CJIB) verkeersboetes, naheffingen parkeerbelastingen, en bijkomende (neven) beschikkingen. In gevolge deze volmacht is gevolmachtigde bevoegd voor of namens ondergetekende alle (processuele) handelingen inzake het beroep te verrichten, welke de gevolmachtigde noodzakelijk, nuttig of wenselijk voorkomen, en in het algemeen al datgene te verrichten, wat hij, ondergetekende, zelf tegenwoordig zijnde, zou mogen, moeten of kunnen doen, behoudens de gevallen waarin ingevolge wettelijk voorschrift of bevel van de rechter, persoonlijke verschijning van de volmachtgever wordt vereist dan wel overlegging van een bijzondere volmacht voorgeschreven is.”
5. Uit het voorgaande blijkt genoegzaam dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie met gebruikmaking van het recht van substitutie is ingesteld namens de betrokkene door [naam1] RB. Dit brengt mee dat de kantonrechter het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen.
6. De gemachtigde verzoekt het hof de zaak terug te wijzen naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling. Artikel 20d, tweede lid, van de Wahv biedt daarvoor in dit geval geen ruimte. Het hof zal doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Het hof beschouwt het hoger beroep als ingesteld namens de betrokkene.
7. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking bij beslissing met dagtekening 11 mei 2021 ongegrond verklaard.
8. De gemachtigde van de betrokkene voert onder meer aan dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden.
9. Ingevolge artikel 7 van de Wahv juncto artikel 7:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet de officier van justitie de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen te worden gehoord. De gemachtigde heeft in het administratief beroepschrift niet verzocht om te worden gehoord. Het is het hof ambtshalve bekend dat in de inleidende beschikking die aan de betrokkene is toegezonden een verwijzing naar het doen van een verzoek om te worden gehoord door de officier van justitie ontbreekt. Ook is de gemachtigde, na het instellen van administratief beroep, niet erop gewezen dat hij, als hij wilde worden gehoord door de officier van justitie, daartoe een verzoek moest doen. Gelet hierop kon de officier van justitie niet op de voet van artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb van horen afzien. Ook de andere uitzonderingsgronden van artikel 7:17 van de Awb doen zich hier niet voor. Nu de gemachtigde van de betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, is sprake van schending van de hoorplicht. Het hof zal de beslissing van de officier van justitie - met gegrondverklaring van het beroep daartegen - vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
10. Bij die beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van
€ 95,- voor: “motorvoertuig op meer dan twee wielen parkeren bij blauwe streep terwijl niet is voorzien van een duidelijk geplaatste parkeerschrijf”. Deze gedraging zou zijn verricht op
21 november 2020 om 13:08 uur op de Branderskamp in Ermelo met het voertuig met het kenteken
[kenteken] .
11. De gemachtigde voert aan dat door de betrokkene wel degelijk een parkeerschijf was geplaatst in het vervoermiddel. Fotobewijs, hetgeen onontbeerlijk is bij de stelling dat een parkeerschijf ontbreekt, is niet toegevoegd.
12. De onder 10 genoemde gedraging betreft een overtreding van artikel 25, tweede lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 dat inhoudt dat op plaatsen binnen een parkeerschijfzone die zijn voorzien van een blauwe streep, het parkeren van een motorvoertuig op meer dan twee wielen slechts is toegestaan indien het motorvoertuig is voorzien van een duidelijk zichtbare parkeerschijf. Indien het motorvoertuig is voorzien van een voorruit, wordt de parkeerschijf achter de voorruit geplaatst.
13. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. De stelling van de gemachtigde dat voor de vaststelling of de gedraging is verricht in dit geval ook ander bewijs dan de verklaring van de verbalisant is vereist, vindt geen steun in het recht. Of van de juistheid van de beschikbare gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
14. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag het voertuig van BE (het hof leest: betrokkene) geparkeerd staan in de blauwe zone. De zone geeft aan dat er maximaal anderhalf uur geparkeerd mag worden indien er gebruik wordt gemaakt van een parkeerschijf. Ik zag dat er geen parkeerschijf zichtbaar achter de voorruit aanwezig was. Ik verbalisant zag dat de bebording en belijning volledig en compleet was.”
15. Tot het dossier behoren ook drie op 21 november 2020 om 13:08 en 13:09 uur door de ambtenaar gemaakte foto’s van de gedraging. Achter de voorruit van de auto is geen parkeerschijf zichtbaar. Wel bevindt zich in het portier aan bestuurderszijde een blauw voorwerp waarvan een deel zichtbaar is. Dit lijkt een parkeerschijf te zijn.
16. De betrokkene ontkent de gedraging, maar geeft hiervoor onvoldoende argumenten. Het dossier bevat evenmin aanwijzingen dat de gegevens niet juist zijn. Het hof ziet daarom geen reden om aan de juistheid van de gegevens te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het beroep tegen de inleidende beschikking is ongegrond.
17. De gemachtigde van de betrokkene voert verder in de brief van 5 augustus 2021 aan beroep aan te tekenen tegen het uitblijven van een afzonderlijke beslissing van de officier van justitie op het bezwaar dat op 21 februari 2021 is ingesteld tegen de aanmaning met een verhoging van € 47,50. Bij brief met dagtekening 20 mei 2021 is het bestuursorgaan in gebreke gesteld. De gemachtigde baseert het beroep op artikel 6:2 van de Awb in verbinding met artikel 4:13 van de Awb en hij verzoekt de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom vast te stellen wegens het niet tijdig geven van een beslissing op dit bezwaar.
18.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot het vaststellen van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom wegens het niet tijdig reageren op het verzoek van de gemachtigde van 21 februari 2021 alsmede van het beroep tegen het niet tijdig reageren op het verzoek van de gemachtigde van 21 februari 2021;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.