Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-05-23
ECLI:NL:GHARL:2023:4393
Civiel recht
Hoger beroep
2,916 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.311.829
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 512648
arrest van 23 mei 2023
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie
hierna: [appellante]
advocaat: mr. N.C. van Steijn
tegen
[geïntimeerde1]
die woont in [woonplaats2]
en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie en verweerder in reconventie
hierna: [geïntimeerde1]
advocaat: mr. M.J. Drost
en
[geïntimeerde2]
die woont in [woonplaats3]
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie
hierna: [geïntimeerde2]
niet verschenen in hoger beroep
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Het verdere procesverloop in dit hoger beroep na het tussenarrest van 7 maart 2023 blijkt uit de akten en antwoordakten van [appellante] en [geïntimeerde1] van 21 maart 2023 en 4 april 2023.
2Het verdere oordeel van het hof
2.1.
In het tussenarrest van 7 maart 2023 heeft het hof overwogen dat over het erfdeel van [geïntimeerde1] in de nalatenschap van zijn grootmoeder een bewind is ingesteld en dat de bewindvoerder (formele procespartij) bevoegd is [geïntimeerde1] (materiële procespartij) te vertegenwoordigen in gedingen over de goederen die onder bewind staan (artikel 4:173 BW). Anders dan [geïntimeerde1] aanvoert kan hij aan artikel 4:167 BW niet de bevoegdheid ontlenen met medewerking of toestemming van de bewindvoerder zelf in rechte op te treden. Het al genoemde artikel 4:173 BW, dat de exclusieve bevoegdheid van de bewindvoerder tot vertegenwoordiging van de rechthebbende in gedingen ter zake van onder bewind staande goederen regelt, staat daaraan in de weg. Dat betekent dat [geïntimeerde1] – of zijn wettelijk vertegenwoordiger toen hij nog minderjarig was, dus tot 20 augustus 2021 – niet zelf bevoegd is over de nalatenschap van zijn grootmoeder te procederen wat ertoe zou leiden dat zowel [geïntimeerde1] als [appellante] (voor zover zij haar vorderingen in reconventie tegen [geïntimeerde1] heeft ingesteld) niet-ontvankelijk zouden zijn in hun vorderingen in eerste aanleg.
2.2.
Vaststaat dat zowel (de wettelijk vertegenwoordiger van) [geïntimeerde1] als [appellante] wist dat over het erfdeel van [geïntimeerde1] een testamentair bewind was ingesteld. Vaststaat ook dat zij zich niet hebben gerealiseerd wat dat betekende voor de procesbekwaamheid van [geïntimeerde1] in conventie en voor het instellen door [appellante] van een vordering in reconventie tegen [geïntimeerde1] en van hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank in deze zaak. Het tussenarrest van het hof van 7 maart 2023 heeft ervoor gezorgd dat zij zich dat nu wel realiseren. De bewindvoerder heeft zich schriftelijk bereid verklaard om als formele procespartij de procedure van [geïntimeerde1] over te nemen.
2.3.
Het hof zal in lijn met de strekking van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 7 maart 2014 – ambtshalve – [geïntimeerde1] als de meest gerede partij in staat stellen de bewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen. Die prejudiciële beslissing van de Hoge Raad betrof een meerderjarigenbewind, maar kan ook worden toegepast bij een testamentair bewind; beide soorten bewind kennen een exclusieve procesbevoegdheid van de bewindvoerder. Er is in dit geval niet langer aanleiding [geïntimeerde1] en [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen in conventie en reconventie. Dat zij zich hebben vergist in de betekenis van het testamentair bewind voor wat betreft hun procespositie hoeft geen fatale gevolgen te hebben; niet is gebleken dat een van hen door het herstel van die vergissing onredelijk in zijn of haar belangen wordt geschaad. Evenmin is gebleken van strijd met de eisen van een goede procesorde.
2.4.
Uit de akten van partijen na het tussenarrest leidt het hof af dat [geïntimeerde2] bij de rechtbank toch in de procedure in reconventie is betrokken en dat geen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding waarbij een deelgenoot niet meedoet. Alle deelgenoten deden mee in de procedure bij de rechtbank. Het hof komt terug op wat daarover in het tussenarrest van 7 maart 2023 in rov. 3.2. (slot) is overwogen.
Dictum
Het hof:
3.1.
geeft [geïntimeerde1] de gelegenheid de bewindvoerder Ingrid Voos op te roepen om in dit geding te verschijnen op roldatum 6 juni 2023;
3.2.
verwijst de zaak naar die roldatum voor een akte in het geding brengen van het exploot van oproeping van de bewindvoerder;
3.3.
bepaalt dat de bewindvoerder op die roldatum in het geding kan verschijnen om als formele procespartij het geding verder namens [geïntimeerde1] te voeren;
4.3.
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en M.L. van der Bel, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2023.
HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, rov. 3.4.2.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.311.829
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 512648
arrest van 23 mei 2023
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie
hierna: [appellante]
advocaat: mr. N.C. van Steijn
tegen
[geïntimeerde1]
die woont in [woonplaats2]
en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie en verweerder in reconventie
hierna: [geïntimeerde1]
advocaat: mr. M.J. Drost
en
[geïntimeerde2]
die woont in [woonplaats3]
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie
hierna: [geïntimeerde2]
niet verschenen in hoger beroep
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Het verdere procesverloop in dit hoger beroep na het tussenarrest van 7 maart 2023 blijkt uit de akten en antwoordakten van [appellante] en [geïntimeerde1] van 21 maart 2023 en 4 april 2023.
2Het verdere oordeel van het hof
2.1.
In het tussenarrest van 7 maart 2023 heeft het hof overwogen dat over het erfdeel van [geïntimeerde1] in de nalatenschap van zijn grootmoeder een bewind is ingesteld en dat de bewindvoerder (formele procespartij) bevoegd is [geïntimeerde1] (materiële procespartij) te vertegenwoordigen in gedingen over de goederen die onder bewind staan (artikel 4:173 BW). Anders dan [geïntimeerde1] aanvoert kan hij aan artikel 4:167 BW niet de bevoegdheid ontlenen met medewerking of toestemming van de bewindvoerder zelf in rechte op te treden. Het al genoemde artikel 4:173 BW, dat de exclusieve bevoegdheid van de bewindvoerder tot vertegenwoordiging van de rechthebbende in gedingen ter zake van onder bewind staande goederen regelt, staat daaraan in de weg. Dat betekent dat [geïntimeerde1] – of zijn wettelijk vertegenwoordiger toen hij nog minderjarig was, dus tot 20 augustus 2021 – niet zelf bevoegd is over de nalatenschap van zijn grootmoeder te procederen wat ertoe zou leiden dat zowel [geïntimeerde1] als [appellante] (voor zover zij haar vorderingen in reconventie tegen [geïntimeerde1] heeft ingesteld) niet-ontvankelijk zouden zijn in hun vorderingen in eerste aanleg.
2.2.
Vaststaat dat zowel (de wettelijk vertegenwoordiger van) [geïntimeerde1] als [appellante] wist dat over het erfdeel van [geïntimeerde1] een testamentair bewind was ingesteld. Vaststaat ook dat zij zich niet hebben gerealiseerd wat dat betekende voor de procesbekwaamheid van [geïntimeerde1] in conventie en voor het instellen door [appellante] van een vordering in reconventie tegen [geïntimeerde1] en van hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank in deze zaak. Het tussenarrest van het hof van 7 maart 2023 heeft ervoor gezorgd dat zij zich dat nu wel realiseren. De bewindvoerder heeft zich schriftelijk bereid verklaard om als formele procespartij de procedure van [geïntimeerde1] over te nemen.
2.3.
Het hof zal in lijn met de strekking van de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 7 maart 2014 – ambtshalve – [geïntimeerde1] als de meest gerede partij in staat stellen de bewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen. Die prejudiciële beslissing van de Hoge Raad betrof een meerderjarigenbewind, maar kan ook worden toegepast bij een testamentair bewind; beide soorten bewind kennen een exclusieve procesbevoegdheid van de bewindvoerder. Er is in dit geval niet langer aanleiding [geïntimeerde1] en [appellante] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen in conventie en reconventie. Dat zij zich hebben vergist in de betekenis van het testamentair bewind voor wat betreft hun procespositie hoeft geen fatale gevolgen te hebben; niet is gebleken dat een van hen door het herstel van die vergissing onredelijk in zijn of haar belangen wordt geschaad. Evenmin is gebleken van strijd met de eisen van een goede procesorde.
2.4.
Uit de akten van partijen na het tussenarrest leidt het hof af dat [geïntimeerde2] bij de rechtbank toch in de procedure in reconventie is betrokken en dat geen sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding waarbij een deelgenoot niet meedoet. Alle deelgenoten deden mee in de procedure bij de rechtbank. Het hof komt terug op wat daarover in het tussenarrest van 7 maart 2023 in rov. 3.2. (slot) is overwogen.
Dictum
Het hof:
3.1.
geeft [geïntimeerde1] de gelegenheid de bewindvoerder Ingrid Voos op te roepen om in dit geding te verschijnen op roldatum 6 juni 2023;
3.2.
verwijst de zaak naar die roldatum voor een akte in het geding brengen van het exploot van oproeping van de bewindvoerder;
3.3.
bepaalt dat de bewindvoerder op die roldatum in het geding kan verschijnen om als formele procespartij het geding verder namens [geïntimeerde1] te voeren;
4.3.
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en M.L. van der Bel, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2023.
HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, rov. 3.4.2.