Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2022-05-17
ECLI:NL:GHARL:2022:3969
Civiel recht
Hoger beroep
3,958 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.307.392
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn: 8913759)
arrest van 17 mei 2022
in de zaak van
[geïntimeerde]
,
wonende te [woonplaats1] ,
appellante,
bij de rechtbank: gedaagde,
eiseres in het (voorwaardelijke) incident,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.J.J. Broekhuizen,
tegen:
[geïntimeerde]
,
wonende te [woonplaats2] ,
geïntimeerde,
bij de rechtbank: eiseres,
verweerster in het (voorwaardelijke) incident,
hierna: [geïntimeerde] ,
niet verschenen.
Procesverloop
Voor de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 17 november 2021 dat de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn heeft gewezen.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 16 februari 2022,
- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek,
- de akte uitlating appelgrens tevens (voorwaardelijke) incidentele memorie tot voeging ex artikel 222 Rv.
2.2.
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het griffiedossier.
Motivering
3.1.
[geïntimeerde] heeft samen met haar echtgenoot de heer [de echtgenoot] (hierna: [de echtgenoot] en gezamenlijk [appellante en haar echtgenoot] c.s.) met ingang van 29 oktober 2016 een woning gehuurd van [geïntimeerde] . De woning bevindt zich op het erf en naast het huis van [geïntimeerde] . Tussen [geïntimeerde] en [appellante en haar echtgenoot] c.s. zijn tijdens de huur problemen ontstaan en zij hebben over en weer aangiftes gedaan bij de politie van bedreiging en/of vernieling. De huurovereenkomst is vervolgens beëindigd per 30 september 2020 en [appellante en haar echtgenoot] c.s. hebben de woning ontruimd en opgeleverd.
3.2.
[de echtgenoot] is een procedure bij de rechtbank Gelderland gestart en heeft (samengevat) gevorderd een verklaring voor recht dat sprake is geweest van gederfd huurgenot als gevolg van overlast door [geïntimeerde] , vermindering van de huurprijs vanwege het gederfd huurgenot, terugbetaling van de teveel betaalde huur en betaling door [geïntimeerde] van een schadevergoeding van € 23.641,60, met wettelijke rente en kosten. [geïntimeerde] heeft in reconventie betaling van de huurachterstand van € 393,60 gevorderd en betaling van een schadevergoeding van € 164,07 voor een door [de echtgenoot] beschadigde deur. [geïntimeerde] is daarnaast een aparte procedure gestart waarin zij ook van [geïntimeerde] betaling van de achterstallige huur van € 393,60 met wettelijke rente heeft gevorderd.
3.3.
De kantonrechter heeft de zaken gevoegd behandeld vanwege de onderlinge samenhang. Bij vonnis van 17 november 2021 heeft de kantonrechter in de procedure tussen [de echtgenoot] en [geïntimeerde] de vorderingen van [de echtgenoot] afgewezen en in reconventie [de echtgenoot] veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 164,07. De kantonrechter heeft in beide procedures [de echtgenoot] en [geïntimeerde] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur van € 393,60 met compensatie van de proceskosten tussen partijen.
3.4.
[de echtgenoot] en [geïntimeerde] zijn beide van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Omdat de vordering in de procedure tussen [geïntimeerde] en [geïntimeerde] € 393,60 (met wettelijke rente) beloopt, is [geïntimeerde] door het hof in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over haar ontvankelijkheid in hoger beroep in verband met de appelgrens van artikel 332 lid 1 Rv. [geïntimeerde] heeft in haar akte aangevoerd dat zij op de hoogte is van het feit dat de vordering bij de rechtbank niet meer beloopt dan € 1.750,- en daarom op de voet van artikel 332 lid 1 Rv geen hoger beroep van het vonnis openstaat, maar dat er reden bestaat voor doorbreking van het appelverbod. [geïntimeerde] legt daaraan ten grondslag dat de zaak verknocht is met de zaak tussen [de echtgenoot] en [geïntimeerde] , die bij het hof aanhangig is onder zaaknummer 200.307.386/01. In die zaak is de appelgrens vanwege de vordering in conventie van [de echtgenoot] wel gehaald. [geïntimeerde] heeft daarnaast in een incident voeging van haar zaak met de zaak tussen [de echtgenoot] en [geïntimeerde] gevorderd indien het hof van oordeel is dat geen grond bestaat voor doorbreking van de appelgrens. Aan haar vordering tot voeging heeft [geïntimeerde] ook ten grondslag gelegd dat er sprake is van verknochtheid tussen de zaken. [geïntimeerde] heeft in beide zaken ter zake van de huurovereenkomst nagenoeg dezelfde vordering ingesteld tegen verschillende gedaagden, zodat consistentie in de uitspraken geboden is.
3.5.
Het hof oordeelt als volgt.
3.6.
De ratio achter de appelgrens van artikel 332 liv 1 Rv is dat geen hoger beroep behoort open te staan in zaken waarvan het betrekkelijk geringe financiële belang niet opweegt tegen de tijd en kosten die gemoeid zijn met de behandeling van de zaak in hoger beroep. Anders dan [geïntimeerde] stelt, is het feit dat haar zaak verknocht is met een andere zaak die bij het hof aanhangig is en tegenstrijdige uitspraken kunnen ontstaan over dezelfde vordering indien [geïntimeerde] niet in haar hoger beroep kan worden ontvangen, geen grond voor doorbreking van de appelgrens. Voor de goede orde merkt het hof daarbij nog op dat de doorbrekingsjurisprudentie niet geldt voor deze uitsluiting van hoger beroep. Voor zover [geïntimeerde] heeft bedoeld te stellen dat de vorderingen in de zaak tussen [de echtgenoot] en [geïntimeerde] meetellen in de berekening of de appelgrens in haar zaak is gehaald, gaat deze stelling niet op. Voor beantwoording van de vraag of de appelgrens van € 1.750,- is gehaald, is enkel de totale vordering waarover de rechter in eerste aanleg in de procedure tussen de betreffende partijen had te beslissen van belang. Vorderingen van of tegen andere partijen in een gevoegde procedure kunnen niet worden meegerekend; de voeging ontneemt aan de afzonderlijke zaken niet hun zelfstandigheid. Gelet op het voorgaande zal [geïntimeerde] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep.
3.7.
Omdat [geïntimeerde] niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, kan geen sprake zijn van een incidentele vordering tot voeging van haar zaak met de zaak tussen [de echtgenoot] en [geïntimeerde] . De vordering van [geïntimeerde] in het incident zal daarom worden afgewezen.
3.8.
[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, inclusief het incident. Deze kosten worden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.
Dictum
Het hof, recht doende in hoger beroep:
verklaart [geïntimeerde] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van 17 november 2021 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn;
wijst de incidentele vordering af;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, inclusief het incident, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, S.C.P. Giesen en C.M.E. Lagarde en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2022.
Hoge Raad 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:ZA1490.
Hoge Raad 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1032.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.307.392
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn: 8913759)
arrest van 17 mei 2022
in de zaak van
[geïntimeerde]
,
wonende te [woonplaats1] ,
appellante,
bij de rechtbank: gedaagde,
eiseres in het (voorwaardelijke) incident,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.J.J. Broekhuizen,
tegen:
[geïntimeerde]
,
wonende te [woonplaats2] ,
geïntimeerde,
bij de rechtbank: eiseres,
verweerster in het (voorwaardelijke) incident,
hierna: [geïntimeerde] ,
niet verschenen.
Procesverloop
Voor de procedure bij de rechtbank verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 17 november 2021 dat de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn heeft gewezen.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep van 16 februari 2022,
- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek,
- de akte uitlating appelgrens tevens (voorwaardelijke) incidentele memorie tot voeging ex artikel 222 Rv.
2.2.
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het griffiedossier.
Motivering
3.1.
[geïntimeerde] heeft samen met haar echtgenoot de heer [de echtgenoot] (hierna: [de echtgenoot] en gezamenlijk [appellante en haar echtgenoot] c.s.) met ingang van 29 oktober 2016 een woning gehuurd van [geïntimeerde] . De woning bevindt zich op het erf en naast het huis van [geïntimeerde] . Tussen [geïntimeerde] en [appellante en haar echtgenoot] c.s. zijn tijdens de huur problemen ontstaan en zij hebben over en weer aangiftes gedaan bij de politie van bedreiging en/of vernieling. De huurovereenkomst is vervolgens beëindigd per 30 september 2020 en [appellante en haar echtgenoot] c.s. hebben de woning ontruimd en opgeleverd.
3.2.
[de echtgenoot] is een procedure bij de rechtbank Gelderland gestart en heeft (samengevat) gevorderd een verklaring voor recht dat sprake is geweest van gederfd huurgenot als gevolg van overlast door [geïntimeerde] , vermindering van de huurprijs vanwege het gederfd huurgenot, terugbetaling van de teveel betaalde huur en betaling door [geïntimeerde] van een schadevergoeding van € 23.641,60, met wettelijke rente en kosten. [geïntimeerde] heeft in reconventie betaling van de huurachterstand van € 393,60 gevorderd en betaling van een schadevergoeding van € 164,07 voor een door [de echtgenoot] beschadigde deur. [geïntimeerde] is daarnaast een aparte procedure gestart waarin zij ook van [geïntimeerde] betaling van de achterstallige huur van € 393,60 met wettelijke rente heeft gevorderd.
3.3.
De kantonrechter heeft de zaken gevoegd behandeld vanwege de onderlinge samenhang. Bij vonnis van 17 november 2021 heeft de kantonrechter in de procedure tussen [de echtgenoot] en [geïntimeerde] de vorderingen van [de echtgenoot] afgewezen en in reconventie [de echtgenoot] veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 164,07. De kantonrechter heeft in beide procedures [de echtgenoot] en [geïntimeerde] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur van € 393,60 met compensatie van de proceskosten tussen partijen.
3.4.
[de echtgenoot] en [geïntimeerde] zijn beide van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Omdat de vordering in de procedure tussen [geïntimeerde] en [geïntimeerde] € 393,60 (met wettelijke rente) beloopt, is [geïntimeerde] door het hof in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over haar ontvankelijkheid in hoger beroep in verband met de appelgrens van artikel 332 lid 1 Rv. [geïntimeerde] heeft in haar akte aangevoerd dat zij op de hoogte is van het feit dat de vordering bij de rechtbank niet meer beloopt dan € 1.750,- en daarom op de voet van artikel 332 lid 1 Rv geen hoger beroep van het vonnis openstaat, maar dat er reden bestaat voor doorbreking van het appelverbod. [geïntimeerde] legt daaraan ten grondslag dat de zaak verknocht is met de zaak tussen [de echtgenoot] en [geïntimeerde] , die bij het hof aanhangig is onder zaaknummer 200.307.386/01. In die zaak is de appelgrens vanwege de vordering in conventie van [de echtgenoot] wel gehaald. [geïntimeerde] heeft daarnaast in een incident voeging van haar zaak met de zaak tussen [de echtgenoot] en [geïntimeerde] gevorderd indien het hof van oordeel is dat geen grond bestaat voor doorbreking van de appelgrens. Aan haar vordering tot voeging heeft [geïntimeerde] ook ten grondslag gelegd dat er sprake is van verknochtheid tussen de zaken. [geïntimeerde] heeft in beide zaken ter zake van de huurovereenkomst nagenoeg dezelfde vordering ingesteld tegen verschillende gedaagden, zodat consistentie in de uitspraken geboden is.
3.5.
Het hof oordeelt als volgt.
3.6.
De ratio achter de appelgrens van artikel 332 liv 1 Rv is dat geen hoger beroep behoort open te staan in zaken waarvan het betrekkelijk geringe financiële belang niet opweegt tegen de tijd en kosten die gemoeid zijn met de behandeling van de zaak in hoger beroep. Anders dan [geïntimeerde] stelt, is het feit dat haar zaak verknocht is met een andere zaak die bij het hof aanhangig is en tegenstrijdige uitspraken kunnen ontstaan over dezelfde vordering indien [geïntimeerde] niet in haar hoger beroep kan worden ontvangen, geen grond voor doorbreking van de appelgrens. Voor de goede orde merkt het hof daarbij nog op dat de doorbrekingsjurisprudentie niet geldt voor deze uitsluiting van hoger beroep. Voor zover [geïntimeerde] heeft bedoeld te stellen dat de vorderingen in de zaak tussen [de echtgenoot] en [geïntimeerde] meetellen in de berekening of de appelgrens in haar zaak is gehaald, gaat deze stelling niet op. Voor beantwoording van de vraag of de appelgrens van € 1.750,- is gehaald, is enkel de totale vordering waarover de rechter in eerste aanleg in de procedure tussen de betreffende partijen had te beslissen van belang. Vorderingen van of tegen andere partijen in een gevoegde procedure kunnen niet worden meegerekend; de voeging ontneemt aan de afzonderlijke zaken niet hun zelfstandigheid. Gelet op het voorgaande zal [geïntimeerde] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep.
3.7.
Omdat [geïntimeerde] niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, kan geen sprake zijn van een incidentele vordering tot voeging van haar zaak met de zaak tussen [de echtgenoot] en [geïntimeerde] . De vordering van [geïntimeerde] in het incident zal daarom worden afgewezen.
3.8.
[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, inclusief het incident. Deze kosten worden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.
Dictum
Het hof, recht doende in hoger beroep:
verklaart [geïntimeerde] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van 17 november 2021 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn;
wijst de incidentele vordering af;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, inclusief het incident, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, S.C.P. Giesen en C.M.E. Lagarde en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2022.
Hoge Raad 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:ZA1490.
Hoge Raad 21 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1032.