Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2021-12-21
ECLI:NL:GHARL:2021:11830
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
5,308 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer 20/00905
uitspraakdatum: 21 december 2021
Uitspraak van de achtste enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 augustus 2020, nummer AWB 20/166, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van Tribuut belastingsamenwerking (hierna: de heffingsambtenaar)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting met nummer [nummer] (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter (digitale) zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2021. Daarbij zijn via beeldbellen verschenen en gehoord mr. drs. R. de Nekker als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar.
Feiten
2.1.
Belanghebbende stond met zijn auto met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) geparkeerd aan de [adres] te [plaats] op 19 november 2019. Het transactiebewijs van de via de applicatie Yellowbrick betaalde parkeerbelasting vermeldt 14:03:15 uur als begintijd en 15:45:57 uur als eindtijd.
2.2.
De parkeercontroleur van de gemeente Zutphen (hierna: de controleur) heeft, na het twee keer scannen van de auto om 14:02 uur en het maken van vier foto’s en het nogmaals scannen van de auto om 14.03 uur, geconstateerd dat ter zake van het parkeren van de auto geen parkeerbelasting was voldaan en aan belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd voor een bedrag van € 64,85 (€ 2,15 parkeerbelasting en € 62,70 kosten naheffing). De controleur heeft hierover, voor zover relevant, als volgt schriftelijk verklaard:
“Tijdens onze controle zagen wij geen persoon in de auto of in de directe omgeving van de auto. ik heb deze auto 3 maal gescand, twee keer op 14.02 en derde keer op 14.03 . Alle drie keer gaf het systeem aan dat het voertuig niet aangemeld was. (…)
Ik was om 14.00 uur bezig met bekeuren van een andere voertuig op de zelfde locatie. Dat betekent ik ongeveer 2 minuten later bij zijn auto stond. Gezien de tijdstippen had ik de betrokkene bij zijn auto moeten aantreffen als hij net aangekomen was.
Ik heb de bon op 14.03 opgelegd.”
Geschil
3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en voert daartoe twee gronden aan. Primair voert belanghebbende aan dat de naheffingsaanslag is opgelegd nadat hij de verschuldigde parkeerbelasting had voldaan. Subsidiair betoogt belanghebbende dat hij direct is begonnen met de handelingen die nodig waren voor en geleid hebben tot voldoening van de verschuldigde parkeerbelasting.
3.3.
De heffingsambtenaar beantwoordt deze vraag bevestigend en betoogt daartoe dat belanghebbende al om 14:00 uur stond geparkeerd in de [adres] en niet onmiddellijk is begonnen met en ook te lang heeft gedaan over het onafgebroken verrichten van de voor voldoening van de parkeerbelasting vereiste handelingen.
Overwegingen
4.1.
Uit overwegingen van proceseconomie zal het Hof in het midden laten of het primaire betoog van belanghebbende juist is en tot de gevolgtrekking kan leiden dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Het Hof is namelijk van oordeel dat de naheffingsaanslag in ieder geval op grond van belanghebbendes subsidiaire betoog ten onrechte is opgelegd. Het Hof motiveert dat oordeel als volgt.
4.2.
Artikel 6, eerste lid, van de Verordening parkeerbelastingen gemeente Zutphen 2019 bepaalt in overeenstemming met artikel 234, eerste lid, van de Gemeentewet dat parkeerbelasting wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden voldaan bij aanvang van het parkeren. Indien de parkeerbelasting niet is betaald, kan de heffingsambtenaar op grond van artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verbinding met artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet deze belasting naheffen. Voor de naheffing van parkeerbelasting is het aan de heffingsambtenaar te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan. Daarbij dient een parkeerder een redelijke termijn te worden gegund die nodig is om de parkeerapparatuur – in dit geval de parkeerapplicatie van Yellowbrick – in werking te stellen.
4.3.
Niet in geschil is dat de auto in ieder geval vanaf 14:02 uur stond geparkeerd aan de [adres] . Dat de auto daar ook al eerder stond geparkeerd, heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van het Hof, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt. Met name kan het Hof uit de onder 2.2. weergegeven verklaring van de controleur niet afleiden dat de controleur de auto al om 14:00 uur geparkeerd heeft zien staan. Uit die verklaring valt slechts af te leiden dat de controleur op dat tijdstip al in de [adres] aanwezig was om een andere auto te controleren. Dat met “de tijdstippen” waarover de controleur het heeft en waarop hij naar eigen zeggen belanghebbende bij de auto had moeten zien als belanghebbende net was aangekomen, niet alleen wordt verwezen naar 14:02 en 14:03 uur, maar mede naar 14:00 uur, kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden vastgesteld. Ook de omstandigheid dat de controleur belanghebbende om 14:02 en 14:03 uur niet bij de auto heeft gezien, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat belanghebbende de auto vóór 14:02 uur al had geparkeerd. Nu de heffingsambtenaar de last heeft te bewijzen dat belanghebbende niet tijdig de verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan en naast de onduidelijke verklaring van de controleur daartoe overigens geen bewijs heeft aangedragen, gaat het Hof ervan uit dat de auto niet eerder dan 14:02 uur stond geparkeerd.
4.4.
Belanghebbende heeft de parkeerbelasting om 14:03:15 uur voldaan. Gelet op het voorgaande betekent dat dat belanghebbende niet langer dan 75 seconden heeft gedaan over het controleren van de parkeerzone en het inwerkingstellen van Yellowbrick. Daarmee heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof binnen een redelijke termijn de parkeerapparatuur in werking gesteld. De naheffingsaanslag dient te worden vernietigd.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
Voor het geval dat het hoger beroep gegrond zou zijn, hebben partijen ter zitting van het Hof eensluidend verklaard dat voor de kosten die belanghebbende heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht een vergoeding moet worden toegekend voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand uitgaande van 1 punt voor de kosten in eerste aanleg, twee punten voor de kosten in hoger beroep en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1. Het voorgaande leidt, bij een waarde per punt van € 748, tot een vergoeding van in totaal op € 2.244.
Dictum
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar,
– vernietigt de naheffingsaanslag,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.244, en
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 48 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 131 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.P. van Roij, raadsheer, in tegenwoordigheid van drs. M.T.M. Hennevelt als griffier.
Dictum
De raadsheer,
De griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.
(W.A.P. van Roij)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 30 december 2021.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 10 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9367.
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 15 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9379.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer 20/00905
uitspraakdatum: 21 december 2021
Uitspraak van de achtste enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 27 augustus 2020, nummer AWB 20/166, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van Tribuut belastingsamenwerking (hierna: de heffingsambtenaar)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting met nummer [nummer] (hierna: de naheffingsaanslag) opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter (digitale) zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2021. Daarbij zijn via beeldbellen verschenen en gehoord mr. drs. R. de Nekker als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar.
Feiten
2.1.
Belanghebbende stond met zijn auto met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) geparkeerd aan de [adres] te [plaats] op 19 november 2019. Het transactiebewijs van de via de applicatie Yellowbrick betaalde parkeerbelasting vermeldt 14:03:15 uur als begintijd en 15:45:57 uur als eindtijd.
2.2.
De parkeercontroleur van de gemeente Zutphen (hierna: de controleur) heeft, na het twee keer scannen van de auto om 14:02 uur en het maken van vier foto’s en het nogmaals scannen van de auto om 14.03 uur, geconstateerd dat ter zake van het parkeren van de auto geen parkeerbelasting was voldaan en aan belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd voor een bedrag van € 64,85 (€ 2,15 parkeerbelasting en € 62,70 kosten naheffing). De controleur heeft hierover, voor zover relevant, als volgt schriftelijk verklaard:
“Tijdens onze controle zagen wij geen persoon in de auto of in de directe omgeving van de auto. ik heb deze auto 3 maal gescand, twee keer op 14.02 en derde keer op 14.03 . Alle drie keer gaf het systeem aan dat het voertuig niet aangemeld was. (…)
Ik was om 14.00 uur bezig met bekeuren van een andere voertuig op de zelfde locatie. Dat betekent ik ongeveer 2 minuten later bij zijn auto stond. Gezien de tijdstippen had ik de betrokkene bij zijn auto moeten aantreffen als hij net aangekomen was.
Ik heb de bon op 14.03 opgelegd.”
Geschil
3.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
3.2.
Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en voert daartoe twee gronden aan. Primair voert belanghebbende aan dat de naheffingsaanslag is opgelegd nadat hij de verschuldigde parkeerbelasting had voldaan. Subsidiair betoogt belanghebbende dat hij direct is begonnen met de handelingen die nodig waren voor en geleid hebben tot voldoening van de verschuldigde parkeerbelasting.
3.3.
De heffingsambtenaar beantwoordt deze vraag bevestigend en betoogt daartoe dat belanghebbende al om 14:00 uur stond geparkeerd in de [adres] en niet onmiddellijk is begonnen met en ook te lang heeft gedaan over het onafgebroken verrichten van de voor voldoening van de parkeerbelasting vereiste handelingen.
Overwegingen
4.1.
Uit overwegingen van proceseconomie zal het Hof in het midden laten of het primaire betoog van belanghebbende juist is en tot de gevolgtrekking kan leiden dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Het Hof is namelijk van oordeel dat de naheffingsaanslag in ieder geval op grond van belanghebbendes subsidiaire betoog ten onrechte is opgelegd. Het Hof motiveert dat oordeel als volgt.
4.2.
Artikel 6, eerste lid, van de Verordening parkeerbelastingen gemeente Zutphen 2019 bepaalt in overeenstemming met artikel 234, eerste lid, van de Gemeentewet dat parkeerbelasting wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte en moet worden voldaan bij aanvang van het parkeren. Indien de parkeerbelasting niet is betaald, kan de heffingsambtenaar op grond van artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verbinding met artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet deze belasting naheffen. Voor de naheffing van parkeerbelasting is het aan de heffingsambtenaar te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat de verschuldigde parkeerbelasting niet is voldaan. Daarbij dient een parkeerder een redelijke termijn te worden gegund die nodig is om de parkeerapparatuur – in dit geval de parkeerapplicatie van Yellowbrick – in werking te stellen.
4.3.
Niet in geschil is dat de auto in ieder geval vanaf 14:02 uur stond geparkeerd aan de [adres] . Dat de auto daar ook al eerder stond geparkeerd, heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van het Hof, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt. Met name kan het Hof uit de onder 2.2. weergegeven verklaring van de controleur niet afleiden dat de controleur de auto al om 14:00 uur geparkeerd heeft zien staan. Uit die verklaring valt slechts af te leiden dat de controleur op dat tijdstip al in de [adres] aanwezig was om een andere auto te controleren. Dat met “de tijdstippen” waarover de controleur het heeft en waarop hij naar eigen zeggen belanghebbende bij de auto had moeten zien als belanghebbende net was aangekomen, niet alleen wordt verwezen naar 14:02 en 14:03 uur, maar mede naar 14:00 uur, kan zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden vastgesteld. Ook de omstandigheid dat de controleur belanghebbende om 14:02 en 14:03 uur niet bij de auto heeft gezien, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat belanghebbende de auto vóór 14:02 uur al had geparkeerd. Nu de heffingsambtenaar de last heeft te bewijzen dat belanghebbende niet tijdig de verschuldigde parkeerbelasting heeft voldaan en naast de onduidelijke verklaring van de controleur daartoe overigens geen bewijs heeft aangedragen, gaat het Hof ervan uit dat de auto niet eerder dan 14:02 uur stond geparkeerd.
4.4.
Belanghebbende heeft de parkeerbelasting om 14:03:15 uur voldaan. Gelet op het voorgaande betekent dat dat belanghebbende niet langer dan 75 seconden heeft gedaan over het controleren van de parkeerzone en het inwerkingstellen van Yellowbrick. Daarmee heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof binnen een redelijke termijn de parkeerapparatuur in werking gesteld. De naheffingsaanslag dient te worden vernietigd.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
Voor het geval dat het hoger beroep gegrond zou zijn, hebben partijen ter zitting van het Hof eensluidend verklaard dat voor de kosten die belanghebbende heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht een vergoeding moet worden toegekend voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand uitgaande van 1 punt voor de kosten in eerste aanleg, twee punten voor de kosten in hoger beroep en een wegingsfactor voor het gewicht van de zaak van 1. Het voorgaande leidt, bij een waarde per punt van € 748, tot een vergoeding van in totaal op € 2.244.
Dictum
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar,
– vernietigt de naheffingsaanslag,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.244, en
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 48 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 131 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A.P. van Roij, raadsheer, in tegenwoordigheid van drs. M.T.M. Hennevelt als griffier.
Dictum
De raadsheer,
De griffier is verhinderd de uitspraak
te ondertekenen.
(W.A.P. van Roij)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 30 december 2021.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 10 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9367.
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 15 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9379.