Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2022-04-22
ECLI:NL:RBMNE:2022:1648
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,131 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2537
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2022 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: D.T. de Winter).
Procesverloop
Verweerder heeft op 19 januari 2021 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 69,69 (naheffingsaanslag: € 4,39 en kosten: € 65,30).
Bij uitspraak op bezwaar van 25 mei 2021 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben er schriftelijk mee ingestemd om de zaak zonder zitting af te doen. De rechtbank heeft bepaald dat een zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 22 april 2022.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser op 4 januari 2021 om 10:05 uur een auto met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) heeft geparkeerd op een parkeerplaats aan de [locatie] in Utrecht waar betaald parkeren van toepassing is, zonder dat op dat tijdstip de verschuldigde belasting was voldaan.
2. In geschil is of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd. Om 10:05 uur heeft verweerder de naheffingsaanslag opgelegd. Eiser stelt dat dit onterecht is. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser een kopie van het betaalbewijs van zijn betaalrekening bijgevoegd. Hieruit blijkt dat eiser om 10:30 uur betaald heeft. Eiser licht toe dat hij de ‘parkeerkaart’ bij zijn dochter, bij wie hij op bezoek ging, moest ophalen. Daarnaast heeft eiser toegelicht dat hij enkele keren fouten heeft gemaakt bij het invoeren om te betalen.
3. Verweerder stelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.
Overwegingen
4. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2021 van de gemeente Utrecht (de verordening) is parkeerbelasting verschuldigd bij de aanvang van het parkeren van een voertuig. Volgens vaste rechtspraak moet een parkeerder, afhankelijk van de omstandigheden, een redelijke tijd worden gegund voor het verrichten van uitvoeringshandelingen om de parkeerbelasting te betalen. Die uitvoeringshandelingen moeten wel onverwijld nadat de auto is geparkeerd, worden gestart en voortgezet. Tot de uitvoeringshandelingen behoren onder meer het overbruggen van de afstand tussen de parkeerplaats en de dichtstbijzijnde functionerende parkeerautomaat en het in werking stellen van de parkeerautomaat.
5. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet is gebleken dat sprake was van het onverwijld verrichten van uitvoeringshandelingen. Verweerder heeft immers vastgesteld dat de parkeerbelasting om 10:05 uur niet was voldaan. Gelet op de door eiser overgelegde betaalbewijs, is de rechtbank van oordeel dat eiser, gezien het tijdverloop van 25 minuten, niet onverwijld uitvoeringshandelingen heeft verricht om parkeerbelasting te voldoen. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van A. Kasi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.
Zie bijvoorbeeld het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 november 2016, te raadplegen via rechtspraak.nl, ECLI:NL:GHARL:2016:9379.