Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2020-06-02
ECLI:NL:GHARL:2020:4205
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
3,548 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.241.237/01
CJIB-nummer
: 212193257
Uitspraak d.d.
: 2 juni 2020
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2018, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J. van Gemert, kantoorhoudende te Nijmegen.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de hoorplicht is geschonden. Hiertoe wordt onder meer aangevoerd dat in de inleidende beschikking geen informatie is opgenomen over het horen.
2. Artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft de officier van justitie de mogelijkheid om van het horen af te zien wanneer de indiener van het beroepschrift niet binnen een door de officier van justitie gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.
3. Het is het hof ambtshalve bekend dat in de op 11 juli 2017 nieuw ingevoerde inleidende beschikking een verwijzing naar het doen van een verzoek om te worden gehoord door de officier van justitie ontbreekt. Ook is de betrokkene, na het instellen van administratief beroep, niet erop gewezen dat hij, als hij wilde worden gehoord door de officier van justitie, daartoe een verzoek moest doen. Gelet hierop kon de officier van justitie niet op de voet van artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb van horen afzien. Ook de andere uitzonderingsgronden van artikel 7:17 van de Awb doen zich hier niet voor. Nu de betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, heeft de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand gelaten.
4. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen, net als – met gegrondverklaring van het beroep daartegen – de beslissing van de officier van justitie. Vervolgens zal het hof de verweren tegen de inleidende beschikking beoordelen.
5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 4 november 2017 om 10.04 uur op de S112 Wibautstraat in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
6. De gemachtigde betoogt dat de ambtenaar niet bevoegd is om een sanctie op te leggen, omdat de ambtenaar werkzaam is bij het CJIB en alle stukken met betrekking tot de aanstelling en bevoegdheid vrijwel geheel geschoond zijn van namen en/of ondertekening. Hierdoor is niets meer controleerbaar. De gemachtigde verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2883) en het arrest van het hof van 25 mei 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:4776).
7. Het hof stelt voorop dat het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar het uitgangspunt is. Dit is slechts anders indien hetgeen door (de gemachtigde van) de betrokkene wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar. De enkele betwisting van die bevoegdheid, dan wel het in meer algemene zin aan de orde stellen daarvan door het stellen van vragen of het doen van suggesties, doet een dergelijke twijfel niet ontstaan.
8. De sanctie is opgelegd door een bij het CJIB werkzame buitengewoon opsporingsambtenaar. Anders dan in het door de gemachtigde genoemde arrest van het hof van 25 mei 2018 heeft de gemachtigde hier volstaan met de opmerking dat de stukken die het CJIB beschikbaar heeft gesteld op de website aangaande deze verbalisant vrijwel allemaal geheel zijn geschoond van namen en/of ondertekeningen. De gemachtigde heeft de betreffende stukken niet overgelegd, noch aangegeven om welke stukken het gaat en welke informatie is geschoond. Deze stelling geeft geen aanleiding te twijfelen aan de bevoegdheid van de ambtenaar.
9. De gemachtigde voert verder aan dat de omstandigheden een sanctie niet billijken. De betrokkene heeft toegelicht dat hij niet door kon rijden omdat de auto voor hem abrupt remde, mogelijk in verband met de auto die rechtsaf sloeg. De betrokkene stond toen al over de stopstreep en kon niet zien of de lichten geel dan wel rood uitstraalden. Dit alles nam slechts enkele seconden in beslag.
10. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de gedraging niet wordt ontkend, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
11. Naar oordeel van het hof zijn die er niet. Van een bestuurder mag men immers verwachten dat hij anticipeert bij het naderen van een verkeerslicht. Ongeacht wat de bestuurder vóór hem deed, diende de betrokkene zelf bij geel licht te stoppen. Doordat de betrokkene bij geel licht is doorgereden en na de door hem gestelde manoeuvre van de bestuurder vóór hem opnieuw is opgetrokken terwijl hij diende te stoppen, komen de gevolgen van de omstandigheid dat het verkeerslicht nog gedurende zijn manoeuvre (en buiten zijn gezichtsveld) rood licht is gaan uitstralen, voor zijn rekening.
12. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt ongegrond verklaard. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.241.237/01
CJIB-nummer
: 212193257
Uitspraak d.d.
: 2 juni 2020
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2018, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J. van Gemert, kantoorhoudende te Nijmegen.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de hoorplicht is geschonden. Hiertoe wordt onder meer aangevoerd dat in de inleidende beschikking geen informatie is opgenomen over het horen.
2. Artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geeft de officier van justitie de mogelijkheid om van het horen af te zien wanneer de indiener van het beroepschrift niet binnen een door de officier van justitie gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.
3. Het is het hof ambtshalve bekend dat in de op 11 juli 2017 nieuw ingevoerde inleidende beschikking een verwijzing naar het doen van een verzoek om te worden gehoord door de officier van justitie ontbreekt. Ook is de betrokkene, na het instellen van administratief beroep, niet erop gewezen dat hij, als hij wilde worden gehoord door de officier van justitie, daartoe een verzoek moest doen. Gelet hierop kon de officier van justitie niet op de voet van artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Awb van horen afzien. Ook de andere uitzonderingsgronden van artikel 7:17 van de Awb doen zich hier niet voor. Nu de betrokkene niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, heeft de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand gelaten.
4. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen, net als – met gegrondverklaring van het beroep daartegen – de beslissing van de officier van justitie. Vervolgens zal het hof de verweren tegen de inleidende beschikking beoordelen.
5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 4 november 2017 om 10.04 uur op de S112 Wibautstraat in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
6. De gemachtigde betoogt dat de ambtenaar niet bevoegd is om een sanctie op te leggen, omdat de ambtenaar werkzaam is bij het CJIB en alle stukken met betrekking tot de aanstelling en bevoegdheid vrijwel geheel geschoond zijn van namen en/of ondertekening. Hierdoor is niets meer controleerbaar. De gemachtigde verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA2883) en het arrest van het hof van 25 mei 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:4776).
7. Het hof stelt voorop dat het bestaan van de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar het uitgangspunt is. Dit is slechts anders indien hetgeen door (de gemachtigde van) de betrokkene wordt aangevoerd gerede twijfel doet ontstaan omtrent de bevoegdheid van de ambtenaar. De enkele betwisting van die bevoegdheid, dan wel het in meer algemene zin aan de orde stellen daarvan door het stellen van vragen of het doen van suggesties, doet een dergelijke twijfel niet ontstaan.
8. De sanctie is opgelegd door een bij het CJIB werkzame buitengewoon opsporingsambtenaar. Anders dan in het door de gemachtigde genoemde arrest van het hof van 25 mei 2018 heeft de gemachtigde hier volstaan met de opmerking dat de stukken die het CJIB beschikbaar heeft gesteld op de website aangaande deze verbalisant vrijwel allemaal geheel zijn geschoond van namen en/of ondertekeningen. De gemachtigde heeft de betreffende stukken niet overgelegd, noch aangegeven om welke stukken het gaat en welke informatie is geschoond. Deze stelling geeft geen aanleiding te twijfelen aan de bevoegdheid van de ambtenaar.
9. De gemachtigde voert verder aan dat de omstandigheden een sanctie niet billijken. De betrokkene heeft toegelicht dat hij niet door kon rijden omdat de auto voor hem abrupt remde, mogelijk in verband met de auto die rechtsaf sloeg. De betrokkene stond toen al over de stopstreep en kon niet zien of de lichten geel dan wel rood uitstraalden. Dit alles nam slechts enkele seconden in beslag.
10. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de gedraging niet wordt ontkend, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
11. Naar oordeel van het hof zijn die er niet. Van een bestuurder mag men immers verwachten dat hij anticipeert bij het naderen van een verkeerslicht. Ongeacht wat de bestuurder vóór hem deed, diende de betrokkene zelf bij geel licht te stoppen. Doordat de betrokkene bij geel licht is doorgereden en na de door hem gestelde manoeuvre van de bestuurder vóór hem opnieuw is opgetrokken terwijl hij diende te stoppen, komen de gevolgen van de omstandigheid dat het verkeerslicht nog gedurende zijn manoeuvre (en buiten zijn gezichtsveld) rood licht is gaan uitstralen, voor zijn rekening.
12. Het beroep tegen de inleidende beschikking wordt ongegrond verklaard. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.