Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-05-15
ECLI:NL:GHARL:2024:3340
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
4,218 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.321.629/01
CJIB-nummer
: 243589536
Uitspraak d.d.
: 15 mei 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 28 december 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het bedrag van de sanctie verlaagd tot € 310,-.
Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 759,-.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 400,- voor: “parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 augustus 2021 om 20:16 uur op het Bachplein in Zwolle met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat vanwege de ernst van de feiten de onderhavige zaak volledig strafrechtelijk had moeten worden afgedaan. De betrokkene heeft namelijk de ambtenaar mishandeld op het moment dat het voertuig op de gehandicaptenparkeerplaats stond. Dit betekent dat sprake is van meerdere overtredingen in de zin van de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen (hierna: Aanwijzing). De strafrechter had bij gelijktijdige behandeling één passende straf kunnen opleggen, het opleggen van een Muldersanctie betekent feitelijk een dubbele straf dan wel een ongewenste cumulatie. Bovendien kan er geen Muldersanctie opgelegd worden indien letsel is ontstaan op grond van artikel 2, tweede lid van de Wahv.
3. De Aanwijzing geeft regels voor de administratiefrechtelijke handhaving van verkeersvoorschriften en de feitgecodeerde afdoening van overige feitgecodeerde misdrijven en overtredingen. In de Aanwijzing staat als definitie van feitgecodeerde zaken: “alle zaken die met gebruikmaking van een feitcode, zoals opgenomen in de Bijlage bij de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), de Bijlagen bij het Besluit OM-afdoening en de bij deze richtlijn behorende Bijlagen met OM-feiten, geautomatiseerd in de strafrechtketen worden verwerkt.”
4. Het hof stelt vast dat mishandeling niet in een van de voornoemde bijlagen is opgenomen en daarmee geen feitgecodeerd misdrijf betreft. Dit betekent dat de Aanwijzing niet van toepassing is en de onderhavige Muldergedraging en het misdrijf dus niet via één traject hadden kunnen worden afgedaan. Deze grond faalt.
5. Artikel 2 van de Wahv luidt – voor zover hier relevant – als volgt: “1. Ter zake van de in de bijlage bij deze wet omschreven gedragingen die in strijd zijn met op het verkeer betrekking hebbende voorschriften gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, de Provinciewet of de Gemeentewet, kunnen op de wijze bij deze wet bepaald administratieve sancties worden opgelegd. Ingeval een administratiefrechtelijke sanctie wordt opgelegd zijn voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard uitgesloten.2. Als gedragingen in de zin van het eerste lid worden niet beschouwd die gedragingen waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.”
6. Met betrekking tot hetgeen de gemachtigde aanvoert over het op grond van bovengenoemd artikel niet kunnen opleggen van een Muldersanctie indien letsel is ontstaan, overweegt het hof als volgt. In de onderhavige zaak is het letsel aan de persoon (te weten de ambtenaar) niet ontstaan bij het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats, maar door de mishandeling die daarna plaatsvond.
Dit betreft geen letsel als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wahv, die bij de Muldergedraging is toegebracht. Ook deze grond faalt.
7. Verder voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor de fase van het administratief beroep.
8. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gewijzigd. Ten aanzien van de proceskosten heeft de kantonrechter overwogen dat het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt toegewezen omdat de betrokkene gedeeltelijk gelijk krijgt. Nu de reden voor de verlaging van het sanctiebedrag is gelegen in de gewijzigde regelgeving die pas is ingetreden na de beroepsfase bij de kantonrechter, is de kantonrechter van oordeel dat slechts een proceskostenvergoeding moet worden toegekend voor de procedure bij de kantonrechter.
9. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend door geen proceskostenvergoeding toe te kennen voor de verrichtte proceshandelingen in administratief beroep. Dat de regelgeving pas is gewijzigd in de fase van het beroep bij de kantonrechter, neemt niet weg dat de betrokkene terecht rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de inleidende beschikking. De betrokkene is door de wijziging van het sanctiebedrag immers in het gelijkgesteld (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). De beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding slechts is toegekend voor de procedure bij de kantonrechter, kan daarom niet in stand blijven.
10. Het hof zal een proceskostenvergoeding toekennen voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting bij de kantonrechter dienen in totaal drie punten te worden toegekend. Het hof zal met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb voor het telefonisch horen door de officier van justitie op 9 juli 2020 een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 624,- en voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.343,-.
(= (1,5 x € 624,- x 0,5) + (2 x € 875,- x 0,5)).
11. De proceskosten gemaakt in hoger beroep komen ook voor vergoeding in aanmerking. Nu de betrokkene in hoger beroep slechts in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de hoogte van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toegepast. Voor het indienen van een hoger beroepschrift zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 218,75 (= 1 x € 875,- x 0,25).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.561,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.321.629/01
CJIB-nummer
: 243589536
Uitspraak d.d.
: 15 mei 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 28 december 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het bedrag van de sanctie verlaagd tot € 310,-.
Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 759,-.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 400,- voor: “parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 augustus 2021 om 20:16 uur op het Bachplein in Zwolle met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat vanwege de ernst van de feiten de onderhavige zaak volledig strafrechtelijk had moeten worden afgedaan. De betrokkene heeft namelijk de ambtenaar mishandeld op het moment dat het voertuig op de gehandicaptenparkeerplaats stond. Dit betekent dat sprake is van meerdere overtredingen in de zin van de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen (hierna: Aanwijzing). De strafrechter had bij gelijktijdige behandeling één passende straf kunnen opleggen, het opleggen van een Muldersanctie betekent feitelijk een dubbele straf dan wel een ongewenste cumulatie. Bovendien kan er geen Muldersanctie opgelegd worden indien letsel is ontstaan op grond van artikel 2, tweede lid van de Wahv.
3. De Aanwijzing geeft regels voor de administratiefrechtelijke handhaving van verkeersvoorschriften en de feitgecodeerde afdoening van overige feitgecodeerde misdrijven en overtredingen. In de Aanwijzing staat als definitie van feitgecodeerde zaken: “alle zaken die met gebruikmaking van een feitcode, zoals opgenomen in de Bijlage bij de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv), de Bijlagen bij het Besluit OM-afdoening en de bij deze richtlijn behorende Bijlagen met OM-feiten, geautomatiseerd in de strafrechtketen worden verwerkt.”
4. Het hof stelt vast dat mishandeling niet in een van de voornoemde bijlagen is opgenomen en daarmee geen feitgecodeerd misdrijf betreft. Dit betekent dat de Aanwijzing niet van toepassing is en de onderhavige Muldergedraging en het misdrijf dus niet via één traject hadden kunnen worden afgedaan. Deze grond faalt.
5. Artikel 2 van de Wahv luidt – voor zover hier relevant – als volgt: “1. Ter zake van de in de bijlage bij deze wet omschreven gedragingen die in strijd zijn met op het verkeer betrekking hebbende voorschriften gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen, de Provinciewet of de Gemeentewet, kunnen op de wijze bij deze wet bepaald administratieve sancties worden opgelegd. Ingeval een administratiefrechtelijke sanctie wordt opgelegd zijn voorzieningen van strafrechtelijke of strafvorderlijke aard uitgesloten.2. Als gedragingen in de zin van het eerste lid worden niet beschouwd die gedragingen waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.”
6. Met betrekking tot hetgeen de gemachtigde aanvoert over het op grond van bovengenoemd artikel niet kunnen opleggen van een Muldersanctie indien letsel is ontstaan, overweegt het hof als volgt. In de onderhavige zaak is het letsel aan de persoon (te weten de ambtenaar) niet ontstaan bij het parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats, maar door de mishandeling die daarna plaatsvond.
Dit betreft geen letsel als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wahv, die bij de Muldergedraging is toegebracht. Ook deze grond faalt.
7. Verder voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor de fase van het administratief beroep.
8. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gewijzigd. Ten aanzien van de proceskosten heeft de kantonrechter overwogen dat het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt toegewezen omdat de betrokkene gedeeltelijk gelijk krijgt. Nu de reden voor de verlaging van het sanctiebedrag is gelegen in de gewijzigde regelgeving die pas is ingetreden na de beroepsfase bij de kantonrechter, is de kantonrechter van oordeel dat slechts een proceskostenvergoeding moet worden toegekend voor de procedure bij de kantonrechter.
9. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend door geen proceskostenvergoeding toe te kennen voor de verrichtte proceshandelingen in administratief beroep. Dat de regelgeving pas is gewijzigd in de fase van het beroep bij de kantonrechter, neemt niet weg dat de betrokkene terecht rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de inleidende beschikking. De betrokkene is door de wijziging van het sanctiebedrag immers in het gelijkgesteld (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). De beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding slechts is toegekend voor de procedure bij de kantonrechter, kan daarom niet in stand blijven.
10. Het hof zal een proceskostenvergoeding toekennen voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting bij de kantonrechter dienen in totaal drie punten te worden toegekend. Het hof zal met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb voor het telefonisch horen door de officier van justitie op 9 juli 2020 een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 624,- en voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.343,-.
(= (1,5 x € 624,- x 0,5) + (2 x € 875,- x 0,5)).
11. De proceskosten gemaakt in hoger beroep komen ook voor vergoeding in aanmerking. Nu de betrokkene in hoger beroep slechts in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de hoogte van de proceskostenvergoeding, wordt de wegingsfactor 0,25 (zeer licht) toegepast. Voor het indienen van een hoger beroepschrift zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 218,75 (= 1 x € 875,- x 0,25).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.561,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd dit arrest mede te ondertekenen.