Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2018-11-22
ECLI:NL:GHARL:2018:10200
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,535 tokens
Inleiding
WAHV 200.206.870
22 november 2018
CJIB 192675313
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland
van 14 november 2016
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [A] ,
voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,
kantoorhoudende te [C] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 124,-.
Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Hierbij is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Hij voert daartoe - onder meer - aan dat de kantonrechter ten onrechte geen stukken heeft verstrekt, hetgeen een schending oplevert van het bepaalde in artikel 11, vierde lid (oud), van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv).
2. Ingevolge artikel 11, vierde lid (oud), van de Wahv worden alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken in de fase van het beroep bij de kantonrechter nedergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen.
3. Uit het dossier blijkt het volgende. Bij brief van 11 april 2016 heeft de gemachtigde op nog nader aan te voeren gronden beroep ingesteld bij de kantonrechter. In dit beroepschrift heeft hij verzocht om toezending van de zaakstukken. Op 3 oktober 2016 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde drie brieven gestuurd. In de eerste brief is de gemachtigde medegedeeld dat niet (kosteloos) een afschrift van het procesdossier wordt verstrekt, nu uit het dossier blijkt dat de gemachtigde hiervan reeds in bezit is. Gewezen wordt op de mogelijkheid om met de griffier van de rechtbank een afspraak te maken om de stukken in te zien. In de tweede brief is de gemachtigde erop geattendeerd dat nog geen gronden van beroep zijn ingediend en dat hij dit verzuim binnen vier weken dient te herstellen, op straffe waarvan het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. De derde brief betreft een oproeping voor de zitting van de kantonrechter op 14 november 2016. In dit schrijven is de gemachtigde gewezen op de mogelijkheid om tot uiterlijk één week voor de zitting de stukken te kunnen inzien op de griffie. Hiervoor dient telefonisch een afspraak te worden gemaakt.
4. De rechtbank heeft op 1 november 2016 een op 31 oktober 2016 gedateerd schrijven van de gemachtigde ontvangen. Hierin is verzocht om aanhouding van de zaak. De gemachtigde stelt in deze brief vast dat de kantonrechter zich kennelijk reeds voorafgaand aan de zitting op het standpunt heeft gesteld dat geen afschrift van het procesdossier wordt toegezonden, terwijl de mondelinge en inhoudelijke behandeling van de zaak nog moet plaatsvinden. De gemachtigde vindt dit onaanvaardbaar. Bovendien wordt zonder goede grond verondersteld dat de zaakstukken reeds zijn toegezonden. Bij schrijven van 10 november 2016 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde wederom medegedeeld geen afschrift van het procesdossier te zullen verstrekken. Gewezen wordt op de mogelijkheid om de stukken voor en/of tijdens de zitting in te zien.
5. Het hof stelt vast dat het in het beroepschrift van 11 april 2016 gedane verzoek tot toezending van stukken is gedaan buiten de termijn, zoals omschreven in artikel 11, vierde lid (oud), Wahv. Dit verzoek van de gemachtigde kan dan ook worden aangemerkt als prematuur en voor premature verzoeken biedt de wet geen ruimte. De kantonrechter heeft echter niet op grond hiervan overwogen dat geen afschrift van het procesdossier wordt verstrekt, maar op de grond dat de gemachtigde al in het bezit zou zijn van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De gemachtigde heeft vervolgens binnen de in de derde brief van 3 oktober 2016 gegeven termijn om stukken in te zien gereageerd middels schrijven van 31 oktober 2016. Dat de gemachtigde in dit schrijven zijn verzoek tot toezending van stukken niet nadrukkelijk heeft herhaald, kan hem niet worden tegengeworpen. Hem was immers middels brief van 3 oktober 2016 duidelijk gemaakt geen afschrift van stukken te krijgen. Een herhaling van een verzoek om stukken zou dan ook zinloos zijn. Gelet op de inhoud van het beroepschrift en het schrijven van 31 oktober 2016 had het de kantonrechter echter duidelijk moeten zijn dat de gemachtigde zijn verzoek om toezending van stukken onverkort handhaafde. Nu de gemachtigde binnen de in artikel 11, vierde lid (oud), Wahv omschreven termijn heeft gereageerd, en de kantonrechter uit dit schrijven een verzoek tot verstrekking van stukken had moeten afleiden, heeft de kantonrechter in strijd met zijn informatieverplichting gehandeld door de gemachtigde niet in het bezit te stellen van een afschrift van het procesdossier. De uit artikel 11, vierde lid (oud), Wahv voortvloeiende verplichting voor de kantonrechter tot het verstrekken van een afschrift van de zaakstukken is niet afhankelijk gesteld van de vraag of deze stukken reeds in de administratief beroepsprocedure zijn toegestuurd, nog daargelaten dat op basis van de stukken in het dossier niet kan worden vastgesteld dat deze stukken daadwerkelijk door de gemachtigde zijn ontvangen. Gelet op het voorgaande kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen en het beroep tegen de beslissing van de officier beoordelen.
6. De gemachtigde voert aan dat deze beslissing dient te worden vernietigd wegens schending van de hoorplicht.
7. Ingevolge artikel 7:16 van de Awb in verbinding met artikel 7, tweede lid, van de Wahv moet de officier van justitie de indiener van het beroepschrift in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Hij kan daar, voor zover hier van belang, van afzien, indien het beroep kennelijk ongegrond is.
8. Nu de gemachtigde in administratief beroep expliciet heeft verzocht om te worden gehoord en het beroep, waarin de gedraging is betwist, niet kennelijk - dat wil zeggen aanstonds blijkend, zonder dat daarvoor nader onderzoek noodzakelijk is - ongegrond is, had de officier van justitie de gemachtigde moeten horen. Nu dit niet is gebeurd, kan de beslissing van de officier van justitie wegens strijd met de hoorplicht niet in stand blijven. Het hof zal deze beslissing dan ook, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, vernietigen.
9. Ter beoordeling van het hof staat nu het beroep tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een administratieve sanctie van € 195,- is opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 23 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 30 september 2015 om 22:49 uur op de trajectcontrole A2 links te Baambrugge met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .
10. De gemachtigde is van mening dat de gedraging niet kan worden vastgesteld op basis van de stukken in het dossier. Hiertoe wordt aangevoerd dat het kenteken van het voertuig op de foto's niet goed leesbaar is en dat hierop ook de gemeten snelheid niet wordt genoemd, dat het dossier niets behelst omtrent de lengte en de start van de trajectcontrole en ook ontbreken schouwrapporten waaruit kan worden afgeleid dat de bebording in orde was. Voorts blijkt uit het zaakoverzicht niet met welk meetmiddel de overtreding is geconstateerd en kan niet worden vastgesteld of het gebruikte meetmiddel ook geijkt is. De gegevens omtrent het meetmiddel op de foto's stemmen niet overeen met de NMi-verklaring op deze locatie die de gemachtigde in het geding heeft gebracht. In dit verband wijst de gemachtigde op een tussenarrest van het hof d.d. 10 maart 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:2045) en een eindarrest van het hof d.d. 17 mei 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:4167).
11. Het zaakoverzicht bevat - naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens - onder meer de volgende gegevens:
“De overtreding werd langs elektronische weg geconstateerd en vastgelegd. (…)
De werkelijke snelheid stelt ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op voorgeschreven wijze gebruikte trajectsnelheidsmeter op basis van factoren tijd en afstand.
Gemeten (afgelezen) snelheid: 127 km/h.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 123 km/h.
Toegestane snelheid: 100 km/h.
Overschrijding met: 23 km/h.”
12.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 192675313 de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 751,50, over te maken op bankrekeningnummer [00000] ten name van [D] B.V. te [C] .
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.