Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2021-01-18
ECLI:NL:GHARL:2021:410
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,235 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.251.984/01
CJIB-nummer
: 215006767
Uitspraak d.d.
: 18 januari 2021
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 22 oktober 2018, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De bezwaren van de gemachtigde van de betrokkene richten zich onder meer tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene, als kentekenhouder, een sanctie is opgelegd van
€ 84,- voor: “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 11 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 4 maart 2018 om 06:25 uur op de A2 rechts (trajectcontrole) in Vinkeveen met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
2. De gemachtigde van de betrokkene heeft onder meer aangevoerd dat niet bekend is wat de lengte van het traject is geweest.
3. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de ambtenaar, zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, onder meer het volgende in:
“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte trajectsnelheidsmeter op basis van factoren tijd en afstand.”
4. Bij trajectcontrole kan de gemiddelde snelheid worden vastgesteld met een berekening op basis van de tijdsduur en trajectlengte (vgl. ov. 17 van het arrest van 4 april 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2855). In de onderhavige zaak is op de foto's van de vermeende gedraging niet vermeld wat de lengte van het traject is. Ook in het zaakoverzicht ontbreekt deze informatie. Van de zijde van het openbaar ministerie is hieromtrent ook geen aanvullende informatie in de procedure gebracht. Gelet hierop is onvoldoende komen vast te staan dat de gedraging is verricht.
5. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter derhalve vernietigen, voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, de inleidende beschikking vernietigen.
6. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De grond die leidt tot vernietiging van de inleidende beschikking heeft de gemachtigde voor het eerst in hoger beroep aangevoerd. Weliswaar kennen de beroepsprocedures op grond van de Wahv in beginsel geen grondenfuik, maar in het onderhavige geval valt niet in te zien waarom deze grond niet al in een eerder stadium had kunnen worden aangevoerd. Het hof ziet hierin aanleiding en acht het redelijk om slechts een vergoeding toe te kennen voor de proceskosten in de fase van het hoger beroep. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient een punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt vanaf
1 januari 2021 € 534,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 267,- (= 1 x € 534,- x 0,5).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 267,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.