Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2015-04-17
ECLI:NL:GHARL:2015:3214
Strafrecht
Hoger beroep
573 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000520-15
Uitspraak d.d.: 17 april 2015
VERSTEK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 15 januari 2015 met parketnummer 16-236837-14 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16-005226-14, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres].
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 17 april 2015. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Verdachte kon volgens de wet gedurende veertien dagen na de uitspraak van het vonnis waarvan beroep van 15 januari 2015 daartegen hoger beroep instellen. Bij fax van 29 januari 2015 te 18:25 uur is een schriftelijke volmacht tot het voor verdachte aanwenden van een rechtsmiddel aan de griffie van de Rechtbank Midden-Nederland gezonden. Uit het gepubliceerde bestuursreglement van de rechtbank Midden-Nederland volgt dat de griffies van de rechtbank zijn geopend van 08:30 uur tot 17:00 uur. Nu de fax met de volmacht niet is binnengekomen voor sluiting van de griffie op de laatste dag van de wettelijke beroepstermijn, is het hoger beroep na het verstrijken van die termijn, en dus te laat, ingesteld (Vgl. Hoge Raad 4 februari 2014: ECLI:NL:HR:2014:231). Daarom zal verdachte niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door
mr. H. Abbink, voorzitter,
mr. R. de Groot en mr. J.D. den Hartog, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.J.B. van Weegen, griffier,
en op 17 april 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.