Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-11-27
ECLI:NL:GHAMS:2025:3746
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
23,853 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2025:3746 text/xml public 2026-04-28T15:51:43 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2025-11-27 25/340 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026042810 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3746 text/html public 2026-02-20T16:47:43 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2025:3746 Gerechtshof Amsterdam , 27-11-2025 / 25/340 IB/PVV 2016 tot en met 2018; omkering en verzwaring van de bewijslast; redelijke schatting; onrechtmatig verkregen bewijs? GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 25/340 27 november 2025 uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst , de inspecteur, tegen de uitspraak van 11 december 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/3440 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. R.C. van Wagensveld) en de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 17 augustus 2020 aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (hierna: biww) van € 680.774. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 12.007. 1.2. Het tegen de bovenstaande aanslag IB/PVV (hierna: de aanslag) gemaakte bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 4 april 2023 ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 11 december 2024 het volgende beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’): “De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 190.923 met dienovereenkomstige vermindering van de belastingrente; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.370; - geeft verweerder opdracht het voor deze zaak betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.” 1.4. De inspecteur heeft op 15 januari 2025 hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft het hoger beroep bij brief van 10 maart 2025 gemotiveerd. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De inspecteur heeft op 22 augustus 2025 en op 17 oktober 2025 nadere stukken ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal van de zitting is aan deze uitspraak gehecht. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende exploiteert vier winkels in het centrum van [Y] in de vorm van een eenmanszaak, waar hij souvenirartikelen, wietzaden, headshopartikelen en voedingswaren verkoopt. 2.2. Op 19 november 2019 heeft eiser de aangifte IB/PVV over het jaar 2018 ingediend en daarin een biww aangegeven van € 103.277, bestaande uit een belastbare winst uit onderneming van € 105.646 en inkomsten uit eigen woning van € 2.369 negatief. 2.3. Op 18 april 2019 hebben bij de winkels [winkel 1] ( [winkel 1] ) en [winkel 2] ( [winkel 2] ) waarnemingen ter plaatse (WTP) plaatsgevonden door de Belastingdienst en de Douane. Daarbij is onder meer gesproken met [A] , de bedrijfsleider. In het verslag van 13 mei 2019 van de WTP bij [winkel 1] is onder meer het volgende opgenomen: “Wij hebben op 18 april 2019 omstreeks 13.15 uur onaangekondigd de winkel van [Y] [winkel 1] aan de [adres 1] te [Y] betreden. In de winkel was op dat moment één persoon aanwezig. Wij hebben ons gelegitimeerd en aan de aanwezige persoon gevraagd of hij eigenaar [X] is. Dit bleek niet het geval. De in de winkel aanwezige persoon bleek de heer [B] te zijn (…) De heer [B] verklaarde desgevraagd dat hij niet op de hoogte is van de administratieve organisatie van de winkel. Hij verwees ons naar de bedrijfsleider en gaf ons diens telefoonnummer. Vervolgens hebben wij telefonisch contact gelegd met de bedrijfsleider [bedrijfsleider]. Wij hebben telefonisch met de [bedrijfsleider] afgesproken dat hij naar de winkel [winkel 2] aan de [adres 2] in [Y] zou gaan om daar een gesprek te voeren met onze collega's, de heren [C] en [D] , die daar op dat moment aanwezig waren. In plaats daarvan kwam de [bedrijfsleider] enige tijd later naar de winkel [Y] [winkel 1] in de [adres 1] . Na binnenkomst heeft de [bedrijfsleider] het gesprek overgenomen van de heer [B] . De [bedrijfsleider] verklaarde dat hij bevoegd is om over de bedrijfsactiviteiten te praten. Eigenaar [X] was niet bereikbaar. Hij was volgens de [bedrijfsleider] naar de Spa en had zijn telefoon in een kluisje gedaan. (…) Opmerkingen: schoudertas Terwijl wij in de winkel in gesprek waren met de [bedrijfsleider] hebben de collega's van de Douane de winkel en de ruimte achter de winkel doorzocht, waar hen een zwarte schoudertas met inhoud was opgevallen. Wij hebben de [bedrijfsleider] gevraagd naar de inhoud van de schoudertas, waarop hij het volgende verklaarde: "In de tas zitten zakjes met geld. Dit geld is aan mij in bewaring gegeven. (…) Het zijn personen die in loondienst zijn bij een bedrijf van de heer [X] . Ook de heer [X] zelf heeft geld bij mij in bewaring gegeven. (…) De [bedrijfsleider] heeft op ons verzoek de zakjes uit de tas gehaald. Op elke zakje staat een naam geschreven. Vervolgens heeft de [bedrijfsleider] desgevraagd het geld voor ons voorgeteld: (…) Wij hebben de [bedrijfsleider] gevraagd naar de herkomst van de briefjes van € 500. Hierop heeft hij verklaard dat deze gewisseld zijn bij eigenaar de heer Majid Kahn. Inhoud zakjes (3x) met naam van [X] : (…) Totaal € 13.730 (…) Vervolgens hebben wij de [bedrijfsleider] gevraagd om de tas verder leeg te halen. Dit deed hij niet meteen. Na driemaal vragen heeft de [bedrijfsleider] uiteindelijk de andere bescheiden uit de tas gehaald. Uit de tas kwam vervolgens nog meer contant geld. De [bedrijfsleider] verklaarde dat dit geld omzet betrof van de winkels en nog bij de bank afgestort moet worden. Per winkel zat er een elastiekje om het geld heen met de naam van de winkel en de datum 17 april 2019. (…) Voorts zat in de tas een klein notitieboekje met hierin de openingstijden en gewerkte uren van werknemers, een notitie-ringband met handmatige aantekeningen betreffende de omzet per winkel en X-afslagen van alle winkels over de periode 3 april 2019 - 17 april 2019. Op alle X-afslagen stonden op de achterkant handmatige berekeningen. Collega's (…) en (…) hebben hiervan diverse foto's van gemaakt. Wij hebben de [bedrijfsleider] gevraagd om de aantekeningen in de notitie-ringband en op de aangetroffen X-afslagen toe te lichten. De [bedrijfsleider] verklaarde hierop dat de gegevens erg oud waren en hij dat niet meer wist waar deze betrekking op hadden. Ook van notities betreffende begin 2019 kon hij zich niets meer herinneren (…)” 2.4. De handgeschreven aantekeningen in de ringband die in de tas zijn aangetroffen, betreffen omzetgegevens per winkel per maand voor de maanden september 2018 tot en met februari 2019. Foto’s hiervan behoren tot de gedingstukken. 2.5. De inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek uitgevoerd waarvan op 17 augustus 2020 het controlerapport is uitgebracht. Het onderzoek betrof de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting en de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2016, 2017 en 2018. In het controlerapport staat – voor zover relevant – het volgende: “ 3.1 Niet voeren van een (actuele) kasadministratie Belastingplichtige voert in geen van zijn vier winkels een (actuele) kasadministratie. De contante inkomsten en uitgaven worden gedurende de dag niet bijgehouden. Op de handmatig ingevulde kaslijsten is per winkel alleen de totale bruto-dagomzet opgenomen, welke een op een is overgenomen van de Z-afslag van de kassa.
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2025:3746 text/xml public 2026-05-12T13:43:56 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2025-11-27 25/340 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026042810 Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/560 V-N Vandaag 2026/887 NLF 2026/0858 FutD 2026-0816 NDFR Nieuws 2026/747 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3746 text/html public 2026-02-20T16:47:43 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2025:3746 Gerechtshof Amsterdam , 27-11-2025 / 25/340 IB/PVV 2016 tot en met 2018; omkering en verzwaring van de bewijslast; redelijke schatting; onrechtmatig verkregen bewijs? GERECHTSHOF AMSTERDAM kenmerk 25/340 27 november 2025 uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst , de inspecteur, tegen de uitspraak van 11 december 2024 in de zaak met kenmerk HAA 23/3440 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen [X] , wonende te [Z] , belanghebbende, (gemachtigde: mr. R.C. van Wagensveld) en de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 17 augustus 2020 aan belanghebbende voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (hierna: biww) van € 680.774. Daarbij is aan belanghebbende een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 12.007. 1.2. Het tegen de bovenstaande aanslag IB/PVV (hierna: de aanslag) gemaakte bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 4 april 2023 ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 11 december 2024 het volgende beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiser’ en de inspecteur als ‘verweerder’): “De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de uitspraak op bezwaar; - vermindert de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 190.923 met dienovereenkomstige vermindering van de belastingrente; - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.370; - geeft verweerder opdracht het voor deze zaak betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.” 1.4. De inspecteur heeft op 15 januari 2025 hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft het hoger beroep bij brief van 10 maart 2025 gemotiveerd. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De inspecteur heeft op 22 augustus 2025 en op 17 oktober 2025 nadere stukken ingediend. 1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal van de zitting is aan deze uitspraak gehecht. 2 Feiten 2.1. Belanghebbende exploiteert vier winkels in het centrum van [Y] in de vorm van een eenmanszaak, waar hij souvenirartikelen, wietzaden, headshopartikelen en voedingswaren verkoopt. 2.2. Op 19 november 2019 heeft eiser de aangifte IB/PVV over het jaar 2018 ingediend en daarin een biww aangegeven van € 103.277, bestaande uit een belastbare winst uit onderneming van € 105.646 en inkomsten uit eigen woning van € 2.369 negatief. 2.3. Op 18 april 2019 hebben bij de winkels [winkel 1] ( [winkel 1] ) en [winkel 2] ( [winkel 2] ) waarnemingen ter plaatse (WTP) plaatsgevonden door de Belastingdienst en de Douane. Daarbij is onder meer gesproken met [A] , de bedrijfsleider. In het verslag van 13 mei 2019 van de WTP bij [winkel 1] is onder meer het volgende opgenomen: “Wij hebben op 18 april 2019 omstreeks 13.15 uur onaangekondigd de winkel van [Y] [winkel 1] aan de [adres 1] te [Y] betreden. In de winkel was op dat moment één persoon aanwezig. Wij hebben ons gelegitimeerd en aan de aanwezige persoon gevraagd of hij eigenaar [X] is. Dit bleek niet het geval. De in de winkel aanwezige persoon bleek de heer [B] te zijn (…) De heer [B] verklaarde desgevraagd dat hij niet op de hoogte is van de administratieve organisatie van de winkel. Hij verwees ons naar de bedrijfsleider en gaf ons diens telefoonnummer. Vervolgens hebben wij telefonisch contact gelegd met de bedrijfsleider [bedrijfsleider]. Wij hebben telefonisch met de [bedrijfsleider] afgesproken dat hij naar de winkel [winkel 2] aan de [adres 2] in [Y] zou gaan om daar een gesprek te voeren met onze collega's, de heren [C] en [D] , die daar op dat moment aanwezig waren. In plaats daarvan kwam de [bedrijfsleider] enige tijd later naar de winkel [Y] [winkel 1] in de [adres 1] . Na binnenkomst heeft de [bedrijfsleider] het gesprek overgenomen van de heer [B] . De [bedrijfsleider] verklaarde dat hij bevoegd is om over de bedrijfsactiviteiten te praten. Eigenaar [X] was niet bereikbaar. Hij was volgens de [bedrijfsleider] naar de Spa en had zijn telefoon in een kluisje gedaan. (…) Opmerkingen: schoudertas Terwijl wij in de winkel in gesprek waren met de [bedrijfsleider] hebben de collega's van de Douane de winkel en de ruimte achter de winkel doorzocht, waar hen een zwarte schoudertas met inhoud was opgevallen. Wij hebben de [bedrijfsleider] gevraagd naar de inhoud van de schoudertas, waarop hij het volgende verklaarde: "In de tas zitten zakjes met geld. Dit geld is aan mij in bewaring gegeven. (…) Het zijn personen die in loondienst zijn bij een bedrijf van de heer [X] . Ook de heer [X] zelf heeft geld bij mij in bewaring gegeven. (…) De [bedrijfsleider] heeft op ons verzoek de zakjes uit de tas gehaald. Op elke zakje staat een naam geschreven. Vervolgens heeft de [bedrijfsleider] desgevraagd het geld voor ons voorgeteld: (…) Wij hebben de [bedrijfsleider] gevraagd naar de herkomst van de briefjes van € 500. Hierop heeft hij verklaard dat deze gewisseld zijn bij eigenaar de heer Majid Kahn. Inhoud zakjes (3x) met naam van [X] : (…) Totaal € 13.730 (…) Vervolgens hebben wij de [bedrijfsleider] gevraagd om de tas verder leeg te halen. Dit deed hij niet meteen. Na driemaal vragen heeft de [bedrijfsleider] uiteindelijk de andere bescheiden uit de tas gehaald. Uit de tas kwam vervolgens nog meer contant geld. De [bedrijfsleider] verklaarde dat dit geld omzet betrof van de winkels en nog bij de bank afgestort moet worden. Per winkel zat er een elastiekje om het geld heen met de naam van de winkel en de datum 17 april 2019. (…) Voorts zat in de tas een klein notitieboekje met hierin de openingstijden en gewerkte uren van werknemers, een notitie-ringband met handmatige aantekeningen betreffende de omzet per winkel en X-afslagen van alle winkels over de periode 3 april 2019 - 17 april 2019. Op alle X-afslagen stonden op de achterkant handmatige berekeningen. Collega's (…) en (…) hebben hiervan diverse foto's van gemaakt. Wij hebben de [bedrijfsleider] gevraagd om de aantekeningen in de notitie-ringband en op de aangetroffen X-afslagen toe te lichten. De [bedrijfsleider] verklaarde hierop dat de gegevens erg oud waren en hij dat niet meer wist waar deze betrekking op hadden. Ook van notities betreffende begin 2019 kon hij zich niets meer herinneren (…)” 2.4. De handgeschreven aantekeningen in de ringband die in de tas zijn aangetroffen, betreffen omzetgegevens per winkel per maand voor de maanden september 2018 tot en met februari 2019. Foto’s hiervan behoren tot de gedingstukken. 2.5. De inspecteur heeft bij belanghebbende een boekenonderzoek uitgevoerd waarvan op 17 augustus 2020 het controlerapport is uitgebracht. Het onderzoek betrof de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting en de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2016, 2017 en 2018. In het controlerapport staat – voor zover relevant – het volgende: “ 3.1 Niet voeren van een (actuele) kasadministratie Belastingplichtige voert in geen van zijn vier winkels een (actuele) kasadministratie. De contante inkomsten en uitgaven worden gedurende de dag niet bijgehouden.
Volledig
(…) en daarnaast is gebleken dat bij deze winkels alle relevante instellingen van de kassa, waaronder het elektronisch journaal en terugboekingen, waren uitgeschakeld. Het uitschakelen van deze instellingen heeft tot gevolg dat er niets is vastgelegd omtrent alle mutaties die op het gebied van cumulatieve totalen, terugboekingen en correctieboekingen hebben plaatsgevonden. (…) Binnen de onderneming van belastingplichtige is in 2018 het grootste gedeelte van de verkooptransacties contant verricht. Van een bedrijf waar het grootste deel van de transacties contant plaatsvindt, mag worden verwacht dat de geldstroom actueel en juist wordt bijgehouden en dat er dagelijks kascontrole plaatsvindt. Hiervan is bij belastingplichtige in geen van zijn winkels sprake. (…) 3.6 Onvolledige omzetverantwoording winkel [ [winkel 2] ] (…) Op basis van de administratie heb ik vastgesteld dat op de zakelijke bankrekening van de winkel [ [winkel 2] ] (…) geen pin- en creditcardopbrengsten worden bijgeschreven (…). (…) Uit het feit dat de per pin en creditcard betaalde verkopen in de winkel [ [winkel 2] ] niet op de kassa worden aangeslagen volgt dat de desbetreffende verkopen niet zijn inbegrepen in de dagomzet zoals opgenomen op de dagelijkse Z-afslag van de kassa van [ [winkel 2] ]. (…) (…) Het pinapparaat dat fysiek in de winkel van [ [winkel 2] ] staat heeft het unieke terminalnummer (…). Uit derdenonderzoek is gebleken dat belastingplichtige in 2018 via dit terminalnummer een totaalbedrag van € 82.472 aan pin- en creditcardbetalingen heeft ontvangen, (…). Belastingplichtige heeft in 2018 derhalve een bruto-omzet van minimaal € 82.472 niet in de boekhouding van [ [winkel 2] ] verantwoord. (…) (…) 3.8 Samenvatting administratieve gebreken 2018 Samengevat zijn over 2018 de volgende administratieve gebreken geconstateerd. Deze administratieve gebreken hebben betrekking op alle vier de winkels van belastingplichtige: - Belastingplichtige heeft in 2018 geen (actuele) kasadministratie gevoerd; - Belastingplichtige heeft in 2018 geen (actuele) voorraadadministratie gevoerd; - Belastingplichtige heeft de detailgegevens van de winkelkassa’s waaronder het elektronisch journaal, niet vastgelegd (en dus ook niet bewaard); - Belastingplichtige heeft van de winkelkassa’s niet de meest uitgebreide Z-rapporten afgedrukt en evenmin (digitaal) bewaard; - De juistheid en omvang van de verschillende, op de winkelkassa’s aangeslagen, tarieven omzetbelasting zijn oncontroleerbaar; - Belastingplichtige heeft de dagelijks gemaakte X-afslagen van de winkelkassa’s niet bewaard; - Belastingplichtige heeft aantoonbaar grote omzetbedragen niet in de boekhouding van de winkel [ [winkel 2] ] verantwoord; - Belastingplichtige heeft in zijn boekhouding diverse privéstortingen opgenomen, die hij niet aannemelijk kan maken. Gelet hierop geven de boekhouding en hieruit voortgekomen jaarstukken een onjuist beeld van de privé-opnamen die belastingplichtige in 2018 per saldo heeft opgenomen. Gelet op het voorgaande is door belastingplichtige niet voldaan aan de administratie- en bewaarplicht ex artikel 52 AWR. (…) 5 Volledigheid van de omzet 5.1 Algemeen (…) Tijdens de op 18 april 2019 (…) gehouden waarneming ter plaatse bij de winkel [ [winkel 1] ] zijn administratieve bescheiden, waaronder een schaduwboekhouding over de periode van 1 september 2018 tot en met 28 februari 2019 aangetroffen. Uit deze aangetroffen administratieve stukken blijkt dat belastingplichtige in 2018 een zeer groot deel van zijn omzet niet in zijn (…) en aangiften omzetbelasting (B01 tot en met B04) over onder andere de periode van 1 september 2018 tot en met 31 december 2018 heeft verantwoord (…) (…) 5.2.2 Notitieringband met gedetailleerde handmatige financiële maandoverzichten In de zwarte schoudertas die de Douane op 18 april 2019 tijdens de waarneming ter plaatse in de winkel [ [winkel 1] ] heeft aangetroffen, zat onder andere een notitieringband met daarin gedetailleerde handgeschreven financiële maandoverzichten over de maanden september 2018 tot en met februari 2019. Deze maandoverzichten betreffen een schaduwboekhouding en zijn tijdens de waarneming ter plaatse gefotografeerd. Op de handgeschreven financiële maandoverzichten staan alle vier de winkels met naam en in een aparte kolom genoemd. Per kolom (winkel) zijn onder andere de bruto-omzetbedragen "Pin" en "Cash" opgenomen. Daarnaast zijn er onder andere aantekeningen opgenomen onder de noemer "Salary' (inclusief de namen van werknemers) en "Bank" met daarachter bedragen. Onderaan elk maandoverzicht staat per winkel twee korte zinnetjes in het Hindi geschreven met daarachter een bedrag. Vertaald naar het Nederlands staat er "witte omzet" en "broer" geschreven. Betreffende de vertaling van het woord "broer" merk ik op dat dit niet letterlijk moet worden genomen maar feitelijk iedereen kan zijn omdat het een beleefdheidsvorm is om iemand als zodanig aan te spreken. (…). Ik heb de bedragen zoals op de maandoverzichten zijn opgenomen achter de "witte omzet" vergeleken met de bruto-omzet zoals belastingplichtige deze in zijn aangiften omzetbelasting heeft verantwoord. In veel gevallen komt dit nagenoeg met elkaar overeen. (…) Aangezien in de handgeschreven financiële maandoverzichten bruto-omzetbedragen zijn opgenomen, heb ik ervoor gekozen om deze met de gebruteerde bedragen uit de maandaangiften omzetbelasting te vergelijken omdat dit het zuiverste beeld geeft van de omvang van de verschillen. Uit deze vergelijking blijkt het volgende: (…) - Belastingplichtige heeft betreffende de winkel [ [winkel 3] ] over de periode van 1 september 2018 tot en met 31 december 2018 65,8% van de bruto-winkelomzet niet in zijn aangiften omzetbelasting (…) verantwoord; - Belastingplichtige heeft betreffende de winkel [ [winkel 2] ] over de periode van 1 september 2018 tot en met 31 december 2018 63,6% van de bruto-winkelomzet niet in zijn aangiften omzetbelasting (…) verantwoord; - Belastingplichtige heeft betreffende de winkel [ [winkel 4] ] over de periode van 1 september 2018 tot en met 31 december 2018 22,4% van de bruto-winkelomzet niet in zijn aangiften omzetbelasting (…) verantwoord; - Belastingplichtige heeft betreffende de winkel [ [winkel 1] ] over de periode van 1 september 2018 tot en met 31 december 2018 39,6%% van de bruto-winkelomzet niet in zijn aangiften omzetbelasting (…) verantwoord; - (…). 7 Redelijke schatting omzet 2018 7.1 Uitgangspunten redelijke omzetschatting 2018 Bij het maken van een redelijke schatting van de netto-omzet over het kalenderjaar 2018, heb ik de volgende informatie c.q. aanknopingspunten als uitgangspunten genomen: - De administratie van belastingplichtige, waaronder de boekhouding; - De op 18 april 2019 aangetroffen gedetailleerde handmatige schaduwboekhouding over de periode van 1 september 2018 tot en met 31 december 2018; - De ingediende aangiften omzetbelasting van alle vier de winkels over het kalenderjaar 2018 (…); - Informatie zoals verkregen tijdens het inleidend gesprek; - Informatie verkregen tijdens de persoonlijke gesprekken met de boekhouder/adviseur. (…) De bruto-omzetbedragen zoals in deze aangetroffen schaduwboekhouding zijn opgenomen, heb ik als uitgangspunt genomen om tot een redelijke schatting van de totale netto-omzet in 2018 te komen. (…) (…) Om te bepalen op welk deel van de bruto-omzet het algemeen tarief dan wel het verlaagd tarief omzetbelasting van toepassing is, heb ik per winkel aansluiting gezocht bij de verhouding van de in 2018 volgens de boekhouding ingekochte handelsgoederen tegen respectievelijk het algemeen en het verlaagd tarief omzetbelasting. Naar deze inkoopverhouding heb ik vervolgens per winkel de bruto-omzet gesplitst in een deel bruto-omzet algemeen tarief en een deel bruto-omzet verlaagd tarief. Tot slot heb ik de omzetbelasting uit de bruto omzetbedragen gehaald teneinde de netto-omzet te bepalen. (…) 11.2 Redelijke schatting netto-omzet per winkel januari 2019 en februari 2019 (…) Voor mijn redelijke schatting over de maanden januari 2019 en februari 2019, zoek ik aansluiting bij de bruto-omzet zoals deze uit de aangetroffen schaduwboekhouding blijkt.
Volledig
Op de handmatig ingevulde kaslijsten is per winkel alleen de totale bruto-dagomzet opgenomen, welke een op een is overgenomen van de Z-afslag van de kassa. (…) en daarnaast is gebleken dat bij deze winkels alle relevante instellingen van de kassa, waaronder het elektronisch journaal en terugboekingen, waren uitgeschakeld. Het uitschakelen van deze instellingen heeft tot gevolg dat er niets is vastgelegd omtrent alle mutaties die op het gebied van cumulatieve totalen, terugboekingen en correctieboekingen hebben plaatsgevonden. (…) Binnen de onderneming van belastingplichtige is in 2018 het grootste gedeelte van de verkooptransacties contant verricht. Van een bedrijf waar het grootste deel van de transacties contant plaatsvindt, mag worden verwacht dat de geldstroom actueel en juist wordt bijgehouden en dat er dagelijks kascontrole plaatsvindt. Hiervan is bij belastingplichtige in geen van zijn winkels sprake. (…) 3.6 Onvolledige omzetverantwoording winkel [ [winkel 2] ] (…) Op basis van de administratie heb ik vastgesteld dat op de zakelijke bankrekening van de winkel [ [winkel 2] ] (…) geen pin- en creditcardopbrengsten worden bijgeschreven (…). (…)Uit het feit dat de per pin en creditcard betaalde verkopen in de winkel [ [winkel 2] ] niet op de kassa worden aangeslagen volgt dat de desbetreffende verkopen niet zijn inbegrepen in de dagomzet zoals opgenomen op de dagelijkse Z-afslag van de kassa van [ [winkel 2] ]. (…) (…) Het pinapparaat dat fysiek in de winkel van [ [winkel 2] ] staat heeft het unieke terminalnummer (…). Uit derdenonderzoek is gebleken dat belastingplichtige in 2018 via dit terminalnummer een totaalbedrag van € 82.472 aan pin- en creditcardbetalingen heeft ontvangen, (…). Belastingplichtige heeft in 2018 derhalve een bruto-omzet van minimaal € 82.472 niet in de boekhouding van [ [winkel 2] ] verantwoord. (…) (…) 3.8 Samenvatting administratieve gebreken 2018 Samengevat zijn over 2018 de volgende administratieve gebreken geconstateerd. Deze administratieve gebreken hebben betrekking op alle vier de winkels van belastingplichtige: - Belastingplichtige heeft in 2018 geen (actuele) kasadministratie gevoerd; - Belastingplichtige heeft in 2018 geen (actuele) voorraadadministratie gevoerd; - Belastingplichtige heeft de detailgegevens van de winkelkassa’s waaronder het elektronisch journaal, niet vastgelegd (en dus ook niet bewaard); - Belastingplichtige heeft van de winkelkassa’s niet de meest uitgebreide Z-rapporten afgedrukt en evenmin (digitaal) bewaard; - De juistheid en omvang van de verschillende, op de winkelkassa’s aangeslagen, tarieven omzetbelasting zijn oncontroleerbaar; - Belastingplichtige heeft de dagelijks gemaakte X-afslagen van de winkelkassa’s niet bewaard; - Belastingplichtige heeft aantoonbaar grote omzetbedragen niet in de boekhouding van de winkel [ [winkel 2] ] verantwoord; - Belastingplichtige heeft in zijn boekhouding diverse privéstortingen opgenomen, die hij niet aannemelijk kan maken. Gelet hierop geven de boekhouding en hieruit voortgekomen jaarstukken een onjuist beeld van de privé-opnamen die belastingplichtige in 2018 per saldo heeft opgenomen. Gelet op het voorgaande is door belastingplichtige niet voldaan aan de administratie- en bewaarplicht ex artikel 52 AWR. (…) 5 Volledigheid van de omzet 5.1 Algemeen (…) Tijdens de op 18 april 2019 (…) gehouden waarneming ter plaatse bij de winkel [ [winkel 1] ] zijn administratieve bescheiden, waaronder een schaduwboekhouding over de periode van 1 september 2018 tot en met 28 februari 2019 aangetroffen. Uit deze aangetroffen administratieve stukken blijkt dat belastingplichtige in 2018 een zeer groot deel van zijn omzet niet in zijn (…) en aangiften omzetbelasting (B01 tot en met B04) over onder andere de periode van 1 september 2018 tot en met 31 december 2018 heeft verantwoord (…) (…) 5.2.2 Notitieringband met gedetailleerde handmatige financiële maandoverzichtenIn de zwarte schoudertas die de Douane op 18 april 2019 tijdens de waarneming ter plaatse in de winkel [ [winkel 1] ] heeft aangetroffen, zat onder andere een notitieringband met daarin gedetailleerde handgeschreven financiële maandoverzichten over de maanden september 2018 tot en met februari 2019. Deze maandoverzichten betreffen een schaduwboekhouding en zijn tijdens de waarneming ter plaatse gefotografeerd. Op de handgeschreven financiële maandoverzichten staan alle vier de winkels met naam en in een aparte kolom genoemd. Per kolom (winkel) zijn onder andere de bruto-omzetbedragen "Pin" en "Cash" opgenomen. Daarnaast zijn er onder andere aantekeningen opgenomen onder de noemer "Salary' (inclusief de namen van werknemers) en "Bank" met daarachter bedragen. Onderaan elk maandoverzicht staat per winkel twee korte zinnetjes in het Hindi geschreven met daarachter een bedrag. Vertaald naar het Nederlands staat er "witte omzet" en "broer" geschreven. Betreffende de vertaling van het woord "broer" merk ik op dat dit niet letterlijk moet worden genomen maar feitelijk iedereen kan zijn omdat het een beleefdheidsvorm is om iemand als zodanig aan te spreken. (…). Ik heb de bedragen zoals op de maandoverzichten zijn opgenomen achter de "witte omzet" vergeleken met de bruto-omzet zoals belastingplichtige deze in zijn aangiften omzetbelasting heeft verantwoord. In veel gevallen komt dit nagenoeg met elkaar overeen. (…) Aangezien in de handgeschreven financiële maandoverzichten bruto-omzetbedragen zijn opgenomen, heb ik ervoor gekozen om deze met de gebruteerde bedragen uit de maandaangiften omzetbelasting te vergelijken omdat dit het zuiverste beeld geeft van de omvang van de verschillen. Uit deze vergelijking blijkt het volgende: (…) - Belastingplichtige heeft betreffende de winkel [ [winkel 3] ] over de periode van 1 september 2018 tot en met 31 december 2018 65,8% van de bruto-winkelomzet niet in zijn aangiften omzetbelasting (…) verantwoord; - Belastingplichtige heeft betreffende de winkel [ [winkel 2] ] over de periode van 1 september 2018 tot en met 31 december 2018 63,6% van de bruto-winkelomzet niet in zijn aangiften omzetbelasting (…) verantwoord; - Belastingplichtige heeft betreffende de winkel [ [winkel 4] ] over de periode van 1 september 2018 tot en met 31 december 2018 22,4% van de bruto-winkelomzet niet in zijn aangiften omzetbelasting (…) verantwoord; - Belastingplichtige heeft betreffende de winkel [ [winkel 1] ] over de periode van 1 september 2018 tot en met 31 december 2018 39,6%% van de bruto-winkelomzet niet in zijn aangiften omzetbelasting (…) verantwoord; - (…). 7 Redelijke schatting omzet 2018 7.1 Uitgangspunten redelijke omzetschatting 2018 Bij het maken van een redelijke schatting van de netto-omzet over het kalenderjaar 2018, heb ik de volgende informatie c.q. aanknopingspunten als uitgangspunten genomen: - De administratie van belastingplichtige, waaronder de boekhouding; - De op 18 april 2019 aangetroffen gedetailleerde handmatige schaduwboekhouding over de periode van 1 september 2018 tot en met 31 december 2018; - De ingediende aangiften omzetbelasting van alle vier de winkels over het kalenderjaar 2018 (…); - Informatie zoals verkregen tijdens het inleidend gesprek; - Informatie verkregen tijdens de persoonlijke gesprekken met de boekhouder/adviseur. (…) De bruto-omzetbedragen zoals in deze aangetroffen schaduwboekhouding zijn opgenomen, heb ik als uitgangspunt genomen om tot een redelijke schatting van de totale netto-omzet in 2018 te komen. (…) (…) Om te bepalen op welk deel van de bruto-omzet het algemeen tarief dan wel het verlaagd tarief omzetbelasting van toepassing is, heb ik per winkel aansluiting gezocht bij de verhouding van de in 2018 volgens de boekhouding ingekochte handelsgoederen tegen respectievelijk het algemeen en het verlaagd tarief omzetbelasting. Naar deze inkoopverhouding heb ik vervolgens per winkel de bruto-omzet gesplitst in een deel bruto-omzet algemeen tarief en een deel bruto-omzet verlaagd tarief. Tot slot heb ik de omzetbelasting uit de bruto omzetbedragen gehaald teneinde de netto-omzet te bepalen.
Volledig
De verhouding tussen de bruto-omzet algemeen tarief (21%) en verlaagd tarief (6%) bepaal ik, conform 2018, op winkelniveau aan de hand van de verhouding tussen de in 2018 ingekochte handelsgoederen (…). (…) 12.1 Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 2018 Vastgesteld box I inkomen 2018 (9.6) € 680.774 Belastbaar box I inkomen volgens aangifte IB/PVV 2018 € 100.535 -/- Correctie box I inkomen 2018 € 580.239 Ik stel de primaire aanslag IB/PVV over het kalenderjaar 2018 vast naar een belastbaar box I inkomen van € 680.774.” 2.6. De controlerend ambtenaar heeft de hiervoor (zie 2.4) bedoelde handgeschreven financiële maandoverzichten vergeleken met de door belanghebbende ingediende aangiften omzetbelasting over dezelfde periode, en daaruit de conclusie getrokken dat eiser 53,2% van de omzet niet in de administratie heeft verantwoord. Hij heeft de totale netto-omzet over 2018 door middel van extrapolatie vastgesteld op € 1.190.312 en de aangegeven winst uit onderneming tot € 801.633: Aangegeven winst uit onderneming vóór ondernemersaftrek € 130.125 Omzetcorrectie € 608.066 Correctie bedrijfslasten € 25.607 Financiële baten en last volgens aangifte € -/- 2.373 Buitengewone lasten volgens aangifte € 38.878 Niet aftrekbare bedrijfslasten volgens aangifte € 1.330 + € 801.633 2.7. Met dagtekening 17 augustus 2020 heeft de inspecteur de belanghebbende de onderhavige aanslag opgelegd. Bij het vaststellen van de aanslag is de inspecteur uitgegaan van de uitkomsten van het boekenonderzoek zoals die zijn vermeld in het controlerapport. Het biww voor het jaar 2018 (zie 2.5) is als volgt gespecificeerd: Winst uit onderneming voor ondernemersaftrek (9.5) € 801.633 Zelfstandigenaftrek (conform aangifte IB/PVV 2018) € -/- 7.280 Grondslag MKB-winstvrijstelling € 794.353 MKB-winstvrijstelling (14% van € 794.353) € -/- 111.210 Vastgestelde belastbare winst uit onderneming € 683.143 Inkomen uit eigen woning (9.2) € -/- 2.369 + Vastgesteld belastbaar inkomen box 1 € 680.774 2.8. Rechtbank Amsterdam heeft belanghebbende bij uitspraak van 13 maart 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:2133) onder meer schuldig bevonden aan het medeplegen van het opzettelijk indienen van onjuiste en onvolledige aangiften omzetbelasting voor zijn eenmanszaak en het ter beschikking stellen van valse kasboeken aan de Belastingdienst. In dat vonnis is de modus operandi als volgt omschreven: “De dagomzet van de winkels werd uitgesplitst in betalingen met contant geld en pinbetalingen. Aan het einde van de dag werden de verkopen die waren afgerekend met pin en creditcard opgeteld bij de contante verkopen. Dit resulteerde in de reële totale omzet per dag die door [de bedrijfsleider/medeverdachte] op de achterkant van de X-afslagen werd geschreven. Vervolgens berekende [de bedrijfsleider/medeverdachte] welk deel van de contante omzet gestort zou worden op de bankrekeningen en welk deel bestemd was voor ‘[naam]’, waarmee verdachte werd bedoeld. Dit schreef hij op de achterkant van de X-afslagen. Aan het einde van de dag werd de kassa afgesloten door middel van Z-afslagen. Op deze Z-afslagen – die veelal slechts enkele minuten later werden opgemaakt dan de X-afslagen – werd niet de volledige omzet opgenomen maar slechts de omzet die per pin en creditcard was afgerekend vermeerderd met het deel van de contante omzet dat (volgens de berekeningen die op de X-afslagen waren geschreven) op de bankrekeningen gestort zouden worden. De omzet op de Z-afslagen was daarmee (ongeveer 50%) lager dan de daadwerkelijk gerealiseerde omzet. De Z-afslagen werden vervolgens in de kasboeken verwerkt en naar de boekhouder gestuurd, die vervolgens op basis daarvan de aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting indiende.” Belanghebbende is in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraak. 2.9. Tot de gedingstukken behoort het overzichtsproces-verbaal (het PV) van 26 april 2023 van het strafrechtelijke onderzoek tegen belanghebbende. In het PV staat onder meer het volgende (blz. 7, 8, 15 en 17): “De schaduwadministratie bestond uit berekeningen op de (achterkant) van X-afslagen en handgeschreven maandoverzichten waarvan [de bedrijfsleider] heeft verklaard dat hij deze berekeningen heeft geschreven. (…) Op 3 februari 2016 heeft de Politie namelijk een doorzoeking verricht in de woning van [belanghebbende]. Tijdens deze doorzoeking zijn door de Politie in een zwarte jas (…) waarvan [belanghebbende] verklaarde dat dat zijn jas was, de X-afslagen van 1 en 2 februari 2016 aangetroffen. Op de achterkant van deze X-afslagen staan handgeschreven berekeningen waarop onder meer de (vermoedelijke) gerealiseerde omzet staat. (…) (…) Uit de verklaringen van getuigen en de verdachten [de bedrijfsleider] en [belanghebbende] komt naar voren dat alleen [belanghebbende] en [de bedrijfsleider] de kassa’s konden afsluiten en X- en Z-afslagen konden opmaken. [Belanghebbende] verklaarde dat [de bedrijfsleider] meestal de afslagen opstelde, dat hijzelf dit zelf zelden deed en dat hij [de bedrijfsleider] heeft geleerd hoe aan het einde van de dag de kassa afgesloten moest worden. (…) (…) ● Tijdens de waarneming ter plaatse (…) hebben de Belastingdienst en de Douane ook X-afslagen aangetroffen van meerdere dagen in april 2019 van de winkels (…). ● Op de achterkant van deze X-afslagen van april 2019 staan handgeschreven (omzet)berekeningen. De structuur van deze berekeningen is vergelijkbaar met de structuur van de handgeschreven berekeningen op de X-afslagen van 1 en 2 februari 2016 én de maandoverzichten van september 2018 tot en met februari 2019. (…) [De bedrijfsleider] heeft bij de FIOD verklaard dat hij de handgeschreven berekeningen op de X-afslagen en de maandoverzichten heeft geschreven en dat het systeem in 2016 en 2019 hetzelfde was.” 2.10. Rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 13 maart 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:2073) de bedrijfsleider schuldig bevonden aan medeplegen van het opzettelijk doen van valse aangifte omzetbelasting en het vervalsen van de bedrijfsadministratie door valse kasboeken op te nemen over de jaren 2016, 2017 en 2018. In dit vonnis is – voor zover relevant – het volgende opgenomen: “3.3.1. Bewijsverweer: bewijsuitsluiting (…) Gelet daarop stelt de rechtbank vast dat de doorzoeking van de winkel [ [winkel 1] ] niet onrechtmatig was. De Douane was op grond van artikel 83 van de Wet op de accijns en artikel 1.26 van de Algemene Douanewet bevoegd om de winkel aan een controle te onderwerpen. Het tweede lid van artikel 1.26 van de Algemene Douanewet bepaalt dat onder ‘controleren’ ook ‘doorzoeken’ wordt verstaan. Tijdens deze controle is door de Douane een schoudertas waargenomen, waarna verdachte – op verzoek van de medewerkers van de Belastingdienst – de inhoud uit de schoudertas heeft gehaald. Dit bleek handgeschreven administratie te zijn. Op dat moment bestond er nog geen strafrechtelijke verdenking tegen verdachte [de bedrijfsleider] en medeverdachte [belanghebbende]. Die verdenking is pas ontstaan na 18 augustus 2020, toen de FIOD een onderzoek is gestart naar aanleiding van de uitkomst van het boekenonderzoek door de Belastingdienst. Van een misbruik van bevoegdheden is geen sprake.” 3 Geschil in hoger beroep In hoger beroep is in geschil of de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard, en zo ja, of de aanslag voor het jaar 2018 naar een redelijke schatting is opgelegd. 4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist: “ Beoordeling van het geschil. 13. Op grond van artikel 25, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) geldt omkering van de bewijslast als de vereiste aangifte niet is gedaan. Omkering van de bewijslast houdt in dat een bezwaar of beroep tegen een belastingaanslag ongegrond wordt verklaard, tenzij blijkt dat en in hoeverre de aanslag of de daarop betrekking hebbende uitspraak op bezwaar onjuist is. 14. De vereiste aangifte is niet gedaan als het verschil tussen de werkelijk verschuldigde belasting en de belasting die op grond van de ingediende aangifte betaald zou moeten worden objectief en relatief aanzienlijk is. De bewijslast daarvoor ligt bij verweerder.
Volledig
(…) 11.2 Redelijke schatting netto-omzet per winkel januari 2019 en februari 2019 (…) Voor mijn redelijke schatting over de maanden januari 2019 en februari 2019, zoek ik aansluiting bij de bruto-omzet zoals deze uit de aangetroffen schaduwboekhouding blijkt. De verhouding tussen de bruto-omzet algemeen tarief (21%) en verlaagd tarief (6%) bepaal ik, conform 2018, op winkelniveau aan de hand van de verhouding tussen de in 2018 ingekochte handelsgoederen (…). (…) 12.1 Inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 2018 Vastgesteld box I inkomen 2018 (9.6) € 680.774 Belastbaar box I inkomen volgens aangifte IB/PVV 2018 € 100.535 -/- Correctie box I inkomen 2018 € 580.239 Ik stel de primaire aanslag IB/PVV over het kalenderjaar 2018 vast naar een belastbaar box I inkomen van € 680.774.” 2.6. De controlerend ambtenaar heeft de hiervoor (zie 2.4) bedoelde handgeschreven financiële maandoverzichten vergeleken met de door belanghebbende ingediende aangiften omzetbelasting over dezelfde periode, en daaruit de conclusie getrokken dat eiser 53,2% van de omzet niet in de administratie heeft verantwoord. Hij heeft de totale netto-omzet over 2018 door middel van extrapolatie vastgesteld op € 1.190.312 en de aangegeven winst uit onderneming tot € 801.633: Aangegeven winst uit onderneming vóór ondernemersaftrek € 130.125 Omzetcorrectie € 608.066 Correctie bedrijfslasten € 25.607 Financiële baten en last volgens aangifte € -/- 2.373 Buitengewone lasten volgens aangifte € 38.878 Niet aftrekbare bedrijfslasten volgens aangifte € 1.330 + € 801.633 2.7. Met dagtekening 17 augustus 2020 heeft de inspecteur de belanghebbende de onderhavige aanslag opgelegd. Bij het vaststellen van de aanslag is de inspecteur uitgegaan van de uitkomsten van het boekenonderzoek zoals die zijn vermeld in het controlerapport. Het biww voor het jaar 2018 (zie 2.5) is als volgt gespecificeerd: Winst uit onderneming voor ondernemersaftrek (9.5) € 801.633 Zelfstandigenaftrek (conform aangifte IB/PVV 2018) € -/- 7.280 Grondslag MKB-winstvrijstelling € 794.353 MKB-winstvrijstelling (14% van € 794.353) € -/- 111.210 Vastgestelde belastbare winst uit onderneming € 683.143 Inkomen uit eigen woning (9.2) € -/- 2.369 + Vastgesteld belastbaar inkomen box 1 € 680.774 2.8. Rechtbank Amsterdam heeft belanghebbende bij uitspraak van 13 maart 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:2133) onder meer schuldig bevonden aan het medeplegen van het opzettelijk indienen van onjuiste en onvolledige aangiften omzetbelasting voor zijn eenmanszaak en het ter beschikking stellen van valse kasboeken aan de Belastingdienst. In dat vonnis is de modus operandi als volgt omschreven: “De dagomzet van de winkels werd uitgesplitst in betalingen met contant geld en pinbetalingen. Aan het einde van de dag werden de verkopen die waren afgerekend met pin en creditcard opgeteld bij de contante verkopen. Dit resulteerde in de reële totale omzet per dag die door [de bedrijfsleider/medeverdachte] op de achterkant van de X-afslagen werd geschreven. Vervolgens berekende [de bedrijfsleider/medeverdachte] welk deel van de contante omzet gestort zou worden op de bankrekeningen en welk deel bestemd was voor ‘[naam]’, waarmee verdachte werd bedoeld. Dit schreef hij op de achterkant van de X-afslagen. Aan het einde van de dag werd de kassa afgesloten door middel van Z-afslagen. Op deze Z-afslagen – die veelal slechts enkele minuten later werden opgemaakt dan de X-afslagen – werd niet de volledige omzet opgenomen maar slechts de omzet die per pin en creditcard was afgerekend vermeerderd met het deel van de contante omzet dat (volgens de berekeningen die op de X-afslagen waren geschreven) op de bankrekeningen gestort zouden worden. De omzet op de Z-afslagen was daarmee (ongeveer 50%) lager dan de daadwerkelijk gerealiseerde omzet. De Z-afslagen werden vervolgens in de kasboeken verwerkt en naar de boekhouder gestuurd, die vervolgens op basis daarvan de aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting indiende.” Belanghebbende is in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraak. 2.9. Tot de gedingstukken behoort het overzichtsproces-verbaal (het PV) van 26 april 2023 van het strafrechtelijke onderzoek tegen belanghebbende. In het PV staat onder meer het volgende (blz. 7, 8, 15 en 17): “De schaduwadministratie bestond uit berekeningen op de (achterkant) van X-afslagen en handgeschreven maandoverzichten waarvan [de bedrijfsleider] heeft verklaard dat hij deze berekeningen heeft geschreven. (…) Op 3 februari 2016 heeft de Politie namelijk een doorzoeking verricht in de woning van [belanghebbende]. Tijdens deze doorzoeking zijn door de Politie in een zwarte jas (…) waarvan [belanghebbende] verklaarde dat dat zijn jas was, de X-afslagen van 1 en 2 februari 2016 aangetroffen. Op de achterkant van deze X-afslagen staan handgeschreven berekeningen waarop onder meer de (vermoedelijke) gerealiseerde omzet staat. (…) (…) Uit de verklaringen van getuigen en de verdachten [de bedrijfsleider] en [belanghebbende] komt naar voren dat alleen [belanghebbende] en [de bedrijfsleider] de kassa’s konden afsluiten en X- en Z-afslagen konden opmaken. [Belanghebbende] verklaarde dat [de bedrijfsleider] meestal de afslagen opstelde, dat hijzelf dit zelf zelden deed en dat hij [de bedrijfsleider] heeft geleerd hoe aan het einde van de dag de kassa afgesloten moest worden. (…) (…) ● Tijdens de waarneming ter plaatse (…) hebben de Belastingdienst en de Douane ook X-afslagen aangetroffen van meerdere dagen in april 2019 van de winkels (…). ● Op de achterkant van deze X-afslagen van april 2019 staan handgeschreven (omzet)berekeningen. De structuur van deze berekeningen is vergelijkbaar met de structuur van de handgeschreven berekeningen op de X-afslagen van 1 en 2 februari 2016 én de maandoverzichten van september 2018 tot en met februari 2019. (…) [De bedrijfsleider] heeft bij de FIOD verklaard dat hij de handgeschreven berekeningen op de X-afslagen en de maandoverzichten heeft geschreven en dat het systeem in 2016 en 2019 hetzelfde was.” 2.10. Rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 13 maart 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:2073) de bedrijfsleider schuldig bevonden aan medeplegen van het opzettelijk doen van valse aangifte omzetbelasting en het vervalsen van de bedrijfsadministratie door valse kasboeken op te nemen over de jaren 2016, 2017 en 2018. In dit vonnis is – voor zover relevant – het volgende opgenomen: “3.3.1. Bewijsverweer: bewijsuitsluiting (…) Gelet daarop stelt de rechtbank vast dat de doorzoeking van de winkel [ [winkel 1] ] niet onrechtmatig was. De Douane was op grond van artikel 83 van de Wet op de accijns en artikel 1.26 van de Algemene Douanewet bevoegd om de winkel aan een controle te onderwerpen. Het tweede lid van artikel 1.26 van de Algemene Douanewet bepaalt dat onder ‘controleren’ ook ‘doorzoeken’ wordt verstaan. Tijdens deze controle is door de Douane een schoudertas waargenomen, waarna verdachte – op verzoek van de medewerkers van de Belastingdienst – de inhoud uit de schoudertas heeft gehaald. Dit bleek handgeschreven administratie te zijn. Op dat moment bestond er nog geen strafrechtelijke verdenking tegen verdachte [de bedrijfsleider] en medeverdachte [belanghebbende]. Die verdenking is pas ontstaan na 18 augustus 2020, toen de FIOD een onderzoek is gestart naar aanleiding van de uitkomst van het boekenonderzoek door de Belastingdienst. Van een misbruik van bevoegdheden is geen sprake.” 3 Geschil in hoger beroep In hoger beroep is in geschil of de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard, en zo ja, of de aanslag voor het jaar 2018 naar een redelijke schatting is opgelegd. 4 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist: “ Beoordeling van het geschil. 13. Op grond van artikel 25, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) geldt omkering van de bewijslast als de vereiste aangifte niet is gedaan. Omkering van de bewijslast houdt in dat een bezwaar of beroep tegen een belastingaanslag ongegrond wordt verklaard, tenzij blijkt dat en in hoeverre de aanslag of de daarop betrekking hebbende uitspraak op bezwaar onjuist is. 14.
Volledig
Verweerder heeft daartoe gewezen op de bevindingen bij het boekenonderzoek die zijn weergegeven in het controlerapport waaruit zou volgen dat eiser een aanzienlijk deel van zijn winkelomzet niet heeft verantwoord. 15. Naar het oordeel van de rechtbank komt uit het controlerapport naar voren dat de administratie van eiser gebreken vertoont en dat de omzet niet volledig is verantwoord. De rechtbank wijst in het bijzonder op het genoemde bedrag aan pin- en creditcardbetalingen van € 82.472 dat niet in de administratie zou zijn verantwoord, en op het bedrag aan privéstortingen van € 19.440 dat niet zou zijn aangetoond. Ook na daartoe op de terechtzitting in de gelegenheid te zijn gesteld heeft eiser deze bevindingen niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerder, met het controlerapport en hetgeen hij verder heeft aangevoerd, aannemelijk heeft gemaakt dat eiser een substantieel deel van de omzet niet in de administratie heeft verantwoord. Het door eiser aangegeven biww is daardoor te laag en wel zoveel te laag dat de belasting die eiser op grond van de aangifte moet betalen absoluut en relatief aanzienlijk lager is dan de belasting die hij werkelijk verschuldigd is. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, met hetgeen hij daarvoor heeft aangevoerd, dat niet doen blijken en ook uit andere bron is dat niet gebleken. 16. Aan het vorenstaande doet niet af dat het biww waarnaar de aanslag is berekend moet zijn gebaseerd op een redelijke schatting. Verweerder heeft de door hem gecorrigeerde omzet bepaald op basis van handgeschreven financiële overzichten die zijn aangetroffen in een schoudertas. Die schoudertas is aangetroffen door douaneambtenaren die tijdens een niet aangekondigd bedrijfsbezoek (‘waarneming ter plaatse’) een ruimte achter een winkel van eiser hebben doorzocht. Desgevraagd heeft verweerder niet kunnen aangeven op basis van welke bevoegdheid deze doorzoeking plaatsvond, aangenomen mag worden dat dit strafvorderlijke dwangmiddel onbevoegd is ingezet. Nog daargelaten of de handgeschreven financiële overzichten rechtmatig zijn verkregen: onduidelijk is wie de overzichten heeft gemaakt en voor welk doel. Dat de aantekeningen door of ten behoeve van de eiser zijn gemaakt kan worden betwijfeld omdat zij kennelijk deels in het Hindi zijn gemaakt, in de officiële taal van India, terwijl eiser wortels heeft in [land] , waar voornamelijk Urdu wordt gesproken. Ten slotte is de door verweerder toegepaste extrapolatie onvoldoende controleerbaar en ook daarom niet aanvaardbaar. De aanslag is dus niet gebaseerd op een redelijke schatting en in zoverre is het beroep gegrond. 17. Een redelijke schatting corrigeert de pinbetalingen en de privéstortingen waarvan aannemelijk is geworden dat deze gerealiseerde omzet vormen die niet in de administratie is verantwoord. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de winst uit onderneming in redelijkheid kan worden geschat op de door eiser verantwoorde winst van € 130.125, vermeerderd met de pinbetalingen van in totaal € 82.472 en de privéstortingen van in totaal € 19.440, oftewel op € 232.037. De aanslag dient daarom als volgt worden verminderd tot een berekend naar een biww van € 190.923: Winst uit onderneming voor ondernemersaftrek € 232.037 Zelfstandigenaftrek (conform aangifte IB/PVV 2018) € -/- 7.280 + Grondslag MKB-winstvrijstelling € 224.757 MKB-winstvrijstelling (14% van € 224.757) € -/- 31.465 + Vastgestelde belastbare winst uit onderneming € 193.292 Inkomen uit eigen woning € -/- 2.369 + Vastgesteld biww € 190.923 18. Tegen de belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat die ten onrechte of naar een onjuist bedrag in rekening is gebracht. Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag. Proceskosten 19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.370 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 310, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).” 5 Beoordeling van het geschil Onrechtmatig verkregen informatie/ bewijs? 5.1. Belanghebbende stelt, en de rechtbank is hem daarin gevolgd, dat de schaduwboekhouding die is aangetroffen in de zwarte schoudertas van de bedrijfsleider (de tas), niet kan dienen ter onderbouwing van de onderwerpelijke aanslag, omdat (de inhoud van) de tas onrechtmatig zou zijn verkregen. Tegen dit oordeel van de rechtbank komt de inspecteur in hoger beroep op, met het betoog dat de (inhoud van de) tas wel gebruikt mag worden ter onderbouwing van de schatting. 5.2. Het Hof oordeelt dienaangaande volgt. 5.3. De tas is aangetroffen door de Douane in de winkel [winkel 1] tijdens een op donderdag 18 april 2019 uitgevoerde (onaangekondigde) WTP (zie 2.3). In hoger beroep is door de inspecteur nader verklaard dat, omdat het vermoeden bestond dat er accijnsgoederen in de winkel(s) van belanghebbende aanwezig waren (zogenoemde blunts , waarin cannabis zit), de Douane een WTP heeft verricht, zulks met gebruikmaking van de bevoegdheden genoemd in artikel 83 van de Wet op de accijns. Daarin is bepaald dat de douane-inspecteur bevoegd is om alle gedeelten van een gebouw, niet zijnde woningen, en alle grond aan onderzoek te onderwerpen . De douane-inspecteur heeft vervolgens in de ruimte achter de winkel de tas aangetroffen. Dit valt zonder twijfel te scharen onder de bevoegdheden die de Douane op grond van artikel 83 van de Wet op de accijns heeft. Belanghebbende betoogt dat deze bevoegdheid niet zover strekt dat de douane de in de winkel gevonden tas mocht openen. Het Hof verwerpt dit betoog; de woorden ‘aan een onderzoek te onderwerpen’ nopen niet tot een dergelijke beperkte uitleg. Ook was het de Douane toegestaan om de inspecteur van de Belastingdienst te wijzen op de door hem bij zijn onderzoek aangetroffen tas met contanten (zie 2.3). Van ‘onrechtmatig verkregen bewijs’, is daarom geen sprake. 5.4. Verder is van belang dat de bedrijfsleider bij de WTP was verschenen, en dat deze aan de inspecteurs van de Belastingdienst verklaarde dat hij bevoegd was om over de bedrijfsactiviteiten te praten en dat belanghebbende niet bereikbaar was. 5.5. Artikel 47, lid 1, van de AWR luidt: “Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur: a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn; b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.” 5.6. Artikel 47 van de AWR geeft de inspecteur ruime bevoegdheden om aan een belastingplichtige inlichtingen te vragen en boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan beschikbaar te stellen. Dit beschikbaar stellen geldt onverminderd voor een derde bij wie zich gegevensdragers van de belastingplichtige bevinden (artikel 48 van de AWR). Voor het bestaan van de verplichting gevraagde gegevens te verstrekken is voldoende dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige van belang zouden kunnen zijn (Hoge Raad, 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). 5.7. De bedrijfsleider heeft, met toestemming van belanghebbende, vragen beantwoord van de inspecteur. Zoals volgt uit het verslag genoemd in r.o. 2.3, heeft de bedrijfsleider op de vraag van de inspecteur wat er in de tas zat, geantwoord “In de tas zitten zakjes met geld.
Volledig
De vereiste aangifte is niet gedaan als het verschil tussen de werkelijk verschuldigde belasting en de belasting die op grond van de ingediende aangifte betaald zou moeten worden objectief en relatief aanzienlijk is. De bewijslast daarvoor ligt bij verweerder. Verweerder heeft daartoe gewezen op de bevindingen bij het boekenonderzoek die zijn weergegeven in het controlerapport waaruit zou volgen dat eiser een aanzienlijk deel van zijn winkelomzet niet heeft verantwoord. 15. Naar het oordeel van de rechtbank komt uit het controlerapport naar voren dat de administratie van eiser gebreken vertoont en dat de omzet niet volledig is verantwoord. De rechtbank wijst in het bijzonder op het genoemde bedrag aan pin- en creditcardbetalingen van € 82.472 dat niet in de administratie zou zijn verantwoord, en op het bedrag aan privéstortingen van € 19.440 dat niet zou zijn aangetoond. Ook na daartoe op de terechtzitting in de gelegenheid te zijn gesteld heeft eiser deze bevindingen niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerder, met het controlerapport en hetgeen hij verder heeft aangevoerd, aannemelijk heeft gemaakt dat eiser een substantieel deel van de omzet niet in de administratie heeft verantwoord. Het door eiser aangegeven biww is daardoor te laag en wel zoveel te laag dat de belasting die eiser op grond van de aangifte moet betalen absoluut en relatief aanzienlijk lager is dan de belasting die hij werkelijk verschuldigd is. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, met hetgeen hij daarvoor heeft aangevoerd, dat niet doen blijken en ook uit andere bron is dat niet gebleken. 16. Aan het vorenstaande doet niet af dat het biww waarnaar de aanslag is berekend moet zijn gebaseerd op een redelijke schatting. Verweerder heeft de door hem gecorrigeerde omzet bepaald op basis van handgeschreven financiële overzichten die zijn aangetroffen in een schoudertas. Die schoudertas is aangetroffen door douaneambtenaren die tijdens een niet aangekondigd bedrijfsbezoek (‘waarneming ter plaatse’) een ruimte achter een winkel van eiser hebben doorzocht. Desgevraagd heeft verweerder niet kunnen aangeven op basis van welke bevoegdheid deze doorzoeking plaatsvond, aangenomen mag worden dat dit strafvorderlijke dwangmiddel onbevoegd is ingezet. Nog daargelaten of de handgeschreven financiële overzichten rechtmatig zijn verkregen: onduidelijk is wie de overzichten heeft gemaakt en voor welk doel. Dat de aantekeningen door of ten behoeve van de eiser zijn gemaakt kan worden betwijfeld omdat zij kennelijk deels in het Hindi zijn gemaakt, in de officiële taal van India, terwijl eiser wortels heeft in [land] , waar voornamelijk Urdu wordt gesproken. Ten slotte is de door verweerder toegepaste extrapolatie onvoldoende controleerbaar en ook daarom niet aanvaardbaar. De aanslag is dus niet gebaseerd op een redelijke schatting en in zoverre is het beroep gegrond. 17. Een redelijke schatting corrigeert de pinbetalingen en de privéstortingen waarvan aannemelijk is geworden dat deze gerealiseerde omzet vormen die niet in de administratie is verantwoord. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de winst uit onderneming in redelijkheid kan worden geschat op de door eiser verantwoorde winst van € 130.125, vermeerderd met de pinbetalingen van in totaal € 82.472 en de privéstortingen van in totaal € 19.440, oftewel op € 232.037. De aanslag dient daarom als volgt worden verminderd tot een berekend naar een biww van € 190.923: Winst uit onderneming voor ondernemersaftrek € 232.037 Zelfstandigenaftrek (conform aangifte IB/PVV 2018) € -/- 7.280 + Grondslag MKB-winstvrijstelling € 224.757 MKB-winstvrijstelling (14% van € 224.757) € -/- 31.465 + Vastgestelde belastbare winst uit onderneming € 193.292 Inkomen uit eigen woning € -/- 2.369 + Vastgesteld biww € 190.923 18. Tegen de belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat die ten onrechte of naar een onjuist bedrag in rekening is gebracht. Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag. Proceskosten 19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.370 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 310, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).” 5 Beoordeling van het geschil Onrechtmatig verkregen informatie/ bewijs? 5.1. Belanghebbende stelt, en de rechtbank is hem daarin gevolgd, dat de schaduwboekhouding die is aangetroffen in de zwarte schoudertas van de bedrijfsleider (de tas), niet kan dienen ter onderbouwing van de onderwerpelijke aanslag, omdat (de inhoud van) de tas onrechtmatig zou zijn verkregen. Tegen dit oordeel van de rechtbank komt de inspecteur in hoger beroep op, met het betoog dat de (inhoud van de) tas wel gebruikt mag worden ter onderbouwing van de schatting. 5.2. Het Hof oordeelt dienaangaande volgt. 5.3. De tas is aangetroffen door de Douane in de winkel [winkel 1] tijdens een op donderdag 18 april 2019 uitgevoerde (onaangekondigde) WTP (zie 2.3). In hoger beroep is door de inspecteur nader verklaard dat, omdat het vermoeden bestond dat er accijnsgoederen in de winkel(s) van belanghebbende aanwezig waren (zogenoemde blunts , waarin cannabis zit), de Douane een WTP heeft verricht, zulks met gebruikmaking van de bevoegdheden genoemd in artikel 83 van de Wet op de accijns. Daarin is bepaald dat de douane-inspecteur bevoegd is om alle gedeelten van een gebouw, niet zijnde woningen, en alle grond aan onderzoek te onderwerpen . De douane-inspecteur heeft vervolgens in de ruimte achter de winkel de tas aangetroffen. Dit valt zonder twijfel te scharen onder de bevoegdheden die de Douane op grond van artikel 83 van de Wet op de accijns heeft. Belanghebbende betoogt dat deze bevoegdheid niet zover strekt dat de douane de in de winkel gevonden tas mocht openen. Het Hof verwerpt dit betoog; de woorden ‘aan een onderzoek te onderwerpen’ nopen niet tot een dergelijke beperkte uitleg. Ook was het de Douane toegestaan om de inspecteur van de Belastingdienst te wijzen op de door hem bij zijn onderzoek aangetroffen tas met contanten (zie 2.3). Van ‘onrechtmatig verkregen bewijs’, is daarom geen sprake. 5.4. Verder is van belang dat de bedrijfsleider bij de WTP was verschenen, en dat deze aan de inspecteurs van de Belastingdienst verklaarde dat hij bevoegd was om over de bedrijfsactiviteiten te praten en dat belanghebbende niet bereikbaar was. 5.5. Artikel 47, lid 1, van de AWR luidt: “Ieder is gehouden desgevraagd aan de inspecteur: a. de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn;b. de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan - zulks ter keuze van de inspecteur - waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.” 5.6. Artikel 47 van de AWR geeft de inspecteur ruime bevoegdheden om aan een belastingplichtige inlichtingen te vragen en boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan beschikbaar te stellen. Dit beschikbaar stellen geldt onverminderd voor een derde bij wie zich gegevensdragers van de belastingplichtige bevinden (artikel 48 van de AWR). Voor het bestaan van de verplichting gevraagde gegevens te verstrekken is voldoende dat de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige van belang zouden kunnen zijn (Hoge Raad, 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). 5.7.
Volledig
Dit geld is aan mij in bewaring gegeven” en “Het zijn personen die in loondienst zijn bij een bedrijf van de heer [X] . Ook de heer [X] zelf heeft geld bij mij in bewaring gegeven”. Gelet op dit antwoord kon de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat zich in de tas mogelijk kasgelden, contant betaalde lonen of gegevensdragers van de onderneming zouden kunnen bevinden. Geen beginsel van behoorlijk bestuur stond eraan in de weg om de door belanghebbende gemachtigde bedrijfsleider te vragen om de zakjes met geld uit de tas te halen en daarna om de tas verder leeg te maken. Met het stellen van die vraag is de inspecteur binnen de hem in de AWR gegeven bevoegdheden gebleven. 5.8. Ook indien wordt aangenomen dat de bedrijfsleider, als personeelslid van belanghebbende, niet gehouden was tot antwoorden op de voet van artikel 47 van de AWR, leidt dit niet tot een ander oordeel, nu de inspecteur, toen hij de bedrijfsleider vroeg naar de inhoud van de tas, niet heeft voorgehouden dat hij daartoe was verplicht. Dat dit drie keer is gevraagd, voordat de bedrijfsleider de tas leegde, getuigt weliswaar van vasthoudendheid, maar niet van ongeoorloofde druk. 5.9. Bovendien brengt de strekking van de in artikel 47, lid 1, van de AWR genoemde verplichtingen mee dat degene aan wie een in deze bepaling bedoeld verzoek is gedaan (i.c. de bedrijfsleider), en die toegang heeft tot de gegevensdragers (i.c. het notitieboekje met gewerkte uren van de werknemers, de ringband met handmatige aantekeningen van de omzet per winkel en de X-afslagen met daarop handmatige berekeningen in de tas), gehouden is deze, indien daarom is verzocht, voor raadpleging ter beschikking van de inspecteur te stellen (vgl. Hoge Raad 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:192, r.o. 2.3.2). 5.10. Gelet op het vorenstaande, geeft het oordeel van de rechtbank in r.o. 16 van haar uitspraak dat de inspecteur desgevraagd niet kon aangeven op basis van welke bevoegdheid de doorzoeking van de ruimte achter de winkel plaatsvond, zodat aangenomen mag worden dat dit strafvorderlijke dwangmiddel onbevoegd is ingezet, blijk van een onjuist oordeel. Het hoger beroep van de inspecteur slaagt in zoverre. Omkering en verzwaring van de bewijslast 5.11. Voordat kan worden toegekomen aan het standpunt van de inspecteur dat de schatting niet onredelijk is, dient het Hof te beoordelen of de feiten en omstandigheden rechtvaardigen dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast op grond van artikel 27e, lid 1, van de AWR. Daarin is bepaald dat de rechtbank het beroep ongegrond dient te verklaren indien (bewust) de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. 5.12. Belanghebbende stelt zich ook in hoger beroep op het standpunt dat voor een omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het doen van een onjuiste aangifte, geen aanleiding is. Het Hof oordeelt als volgt. 5.13. Met het controlerapport, in het bijzonder de opsomming zoals weergegeven in paragraaf 3.8 (zie 2.5), heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zodanig gebrekkige administratie dat die niet kan dienen als grondslag voor de omzetberekening. Dit oordeel leidt als zodanig niet tot omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het niet voldoen aan de administratie- en bewaarplicht als bedoeld in artikel 52 van de AWR, aangezien de inspecteur ten aanzien van belanghebbende niet een informatiebeschikking heeft gegeven. Echter, uit de tekst van artikel 27e, lid 1, van de AWR volgt dat omkering en verzwaring van de bewijslast ook van toepassing kan zijn zonder dat de inspecteur een informatiebeschikking heeft gegeven, namelijk indien de belastingplichtige niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De inspecteur zal dan, aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast, feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken die deze conclusie rechtvaardigen. Onderdeel van zulke feiten en omstandigheden kan zijn dat de administratie, zoals in de onderwerpelijke zaak, zodanige gebreken en tekortkomingen bevat dat deze niet kan dienen als grondslag voor de winst- en omzetberekening (vgl. Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086). 5.14. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur op grond van de geconstateerde tekortkomingen in de administratie én de bij de WTP aangetroffen gegevensdragers waarin de schaduwboekhouding was opgetekend, aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. 5.15. Uit de bij de WTP aangetroffen gegevensdragers met daarin de schaduwboekhouding, volgt dat belanghebbende zowel absoluut als relatief gezien, veel meer belasting was verschuldigd dan door hem is aangegeven. In het controlerapport is in dat verband opgenomen: “ Uit de verklaringen van getuigen en de verdachten [de bedrijfsleider] en [belanghebbende] komt naar voren dat alleen [belanghebbende] en [de bedrijfsleider] de kassa’s konden afsluiten en X- en Z-afslagen konden opmaken. [Belanghebbende] verklaarde dat [de bedrijfsleider] meestal de afslagen opstelde, dat hijzelf dit zelf zelden deed en dat hij [de bedrijfsleider] heeft geleerd hoe aan het einde van de dag de kassa afgesloten moest worden .” En in het proces-verbaal staat “De schaduwadministratie bestond uit berekeningen op de (achterkant) van X-afslagen en handgeschreven maandoverzichten waarvan [de bedrijfsleider] heeft verklaard dat hij deze berekeningen heeft geschreven.” (zie 2.9). Deze weergave van de gang van zaken, die is gebaseerd op verklaringen van belanghebbende en diens bedrijfsleider, komt het Hof aannemelijk voor. 5.16. Uit het controlerapport volgt dat de inspecteur de bruto-omzetten volgens de schaduwboekhouding in de periode van september 2018 tot en met december 2018 heeft vergeleken met de omzetten vermeld in de aangiften omzetbelasting voor die periode. Op basis daarvan is de niet aangegeven bruto-omzet berekend per winkel. Deze berekeningen acht het Hof navolgbaar en redelijk, zij zijn immers uitsluitend gebaseerd op informatie aangetroffen in de schaduwboekhouding van belanghebbende zelf (dus zonder dat daar een schatting aan te pas komt). De aldus berekende afwijkingen, die enkel op het laatste derde deel van het jaar 2018 zien, zijn zowel absoluut als relatief bezien, zo omvangrijk dat reeds daarom de conclusie is gerechtvaardigd dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Dit nog daargelaten de extrapolatie naar de voorliggende maanden van het jaar en ook nog daargelaten de niet in aanmerking genomen pin- en creditcardbetalingen plus privéstortingen (zie r.o. 15 van de uitspraak van de rechtbank), die op zichzelf ook de omkering en verzwaring van de bewijslast zouden rechtvaardigen. 5.17. In de modus operandi, de handgeschreven aantekeningen, het buiten werking stellen van kassacontrole en het voeren van een volstrekt oncontroleerbare administratie waarin zeer veel contant geld omgaat, ligt besloten dat belanghebbende zich bewust was van het structureel ‘afromen’ van een aanzienlijk deel van de contante omzet. Gelet op het vorenstaande moet belanghebbende zich ook bewust zijn geweest dat de door hem gedane aangifte onjuist was. 5.18. Indien, zoals in de onderwerpelijke zaak, wordt geoordeeld dat (bewust) de vereiste aangifte niet is gedaan, vloeit uit artikel 27e, lid 1, van de AWR voort dat de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is. Daarbij geldt dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting van de niet aangegeven winst of omzet. Redelijke schatting? 5.19. De rechtbank heeft in r.o. 16 van haar uitspraak overwogen dat de schatting van de inspecteur niet redelijk is omdat “ onduidelijk is wie de overzichten heeft gemaakt en voor welk doel. Dat de aantekeningen door of ten behoeve van de eiser zijn gemaakt kan worden betwijfeld omdat zij kennelijk deels in het Hindi zijn gemaakt, in de officiële taal van India, terwijl eiser wortels heeft in [land] , waar voornamelijk Urdu wordt gesproken.
Volledig
De bedrijfsleider heeft, met toestemming van belanghebbende, vragen beantwoord van de inspecteur. Zoals volgt uit het verslag genoemd in r.o. 2.3, heeft de bedrijfsleider op de vraag van de inspecteur wat er in de tas zat, geantwoord “In de tas zitten zakjes met geld. Dit geld is aan mij in bewaring gegeven” en “Het zijn personen die in loondienst zijn bij een bedrijf van de heer [X] . Ook de heer [X] zelf heeft geld bij mij in bewaring gegeven”. Gelet op dit antwoord kon de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt stellen dat zich in de tas mogelijk kasgelden, contant betaalde lonen of gegevensdragers van de onderneming zouden kunnen bevinden. Geen beginsel van behoorlijk bestuur stond eraan in de weg om de door belanghebbende gemachtigde bedrijfsleider te vragen om de zakjes met geld uit de tas te halen en daarna om de tas verder leeg te maken. Met het stellen van die vraag is de inspecteur binnen de hem in de AWR gegeven bevoegdheden gebleven. 5.8. Ook indien wordt aangenomen dat de bedrijfsleider, als personeelslid van belanghebbende, niet gehouden was tot antwoorden op de voet van artikel 47 van de AWR, leidt dit niet tot een ander oordeel, nu de inspecteur, toen hij de bedrijfsleider vroeg naar de inhoud van de tas, niet heeft voorgehouden dat hij daartoe was verplicht. Dat dit drie keer is gevraagd, voordat de bedrijfsleider de tas leegde, getuigt weliswaar van vasthoudendheid, maar niet van ongeoorloofde druk. 5.9. Bovendien brengt de strekking van de in artikel 47, lid 1, van de AWR genoemde verplichtingen mee dat degene aan wie een in deze bepaling bedoeld verzoek is gedaan (i.c. de bedrijfsleider), en die toegang heeft tot de gegevensdragers (i.c. het notitieboekje met gewerkte uren van de werknemers, de ringband met handmatige aantekeningen van de omzet per winkel en de X-afslagen met daarop handmatige berekeningen in de tas), gehouden is deze, indien daarom is verzocht, voor raadpleging ter beschikking van de inspecteur te stellen (vgl. Hoge Raad 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:192, r.o. 2.3.2). 5.10. Gelet op het vorenstaande, geeft het oordeel van de rechtbank in r.o. 16 van haar uitspraak dat de inspecteur desgevraagd niet kon aangeven op basis van welke bevoegdheid de doorzoeking van de ruimte achter de winkel plaatsvond, zodat aangenomen mag worden dat dit strafvorderlijke dwangmiddel onbevoegd is ingezet, blijk van een onjuist oordeel. Het hoger beroep van de inspecteur slaagt in zoverre. Omkering en verzwaring van de bewijslast 5.11. Voordat kan worden toegekomen aan het standpunt van de inspecteur dat de schatting niet onredelijk is, dient het Hof te beoordelen of de feiten en omstandigheden rechtvaardigen dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast op grond van artikel 27e, lid 1, van de AWR. Daarin is bepaald dat de rechtbank het beroep ongegrond dient te verklaren indien (bewust) de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. 5.12. Belanghebbende stelt zich ook in hoger beroep op het standpunt dat voor een omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het doen van een onjuiste aangifte, geen aanleiding is. Het Hof oordeelt als volgt. 5.13. Met het controlerapport, in het bijzonder de opsomming zoals weergegeven in paragraaf 3.8 (zie 2.5), heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat sprake is van een zodanig gebrekkige administratie dat die niet kan dienen als grondslag voor de omzetberekening. Dit oordeel leidt als zodanig niet tot omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het niet voldoen aan de administratie- en bewaarplicht als bedoeld in artikel 52 van de AWR, aangezien de inspecteur ten aanzien van belanghebbende niet een informatiebeschikking heeft gegeven. Echter, uit de tekst van artikel 27e, lid 1, van de AWR volgt dat omkering en verzwaring van de bewijslast ook van toepassing kan zijn zonder dat de inspecteur een informatiebeschikking heeft gegeven, namelijk indien de belastingplichtige niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De inspecteur zal dan, aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast, feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken die deze conclusie rechtvaardigen. Onderdeel van zulke feiten en omstandigheden kan zijn dat de administratie, zoals in de onderwerpelijke zaak, zodanige gebreken en tekortkomingen bevat dat deze niet kan dienen als grondslag voor de winst- en omzetberekening (vgl. Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086). 5.14. Het Hof is van oordeel dat de inspecteur op grond van de geconstateerde tekortkomingen in de administratie én de bij de WTP aangetroffen gegevensdragers waarin de schaduwboekhouding was opgetekend, aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan. 5.15. Uit de bij de WTP aangetroffen gegevensdragers met daarin de schaduwboekhouding, volgt dat belanghebbende zowel absoluut als relatief gezien, veel meer belasting was verschuldigd dan door hem is aangegeven. In het controlerapport is in dat verband opgenomen: “ Uit de verklaringen van getuigen en de verdachten [de bedrijfsleider] en [belanghebbende] komt naar voren dat alleen [belanghebbende] en [de bedrijfsleider] de kassa’s konden afsluiten en X- en Z-afslagen konden opmaken. [Belanghebbende] verklaarde dat [de bedrijfsleider] meestal de afslagen opstelde, dat hijzelf dit zelf zelden deed en dat hij [de bedrijfsleider] heeft geleerd hoe aan het einde van de dag de kassa afgesloten moest worden .” En in het proces-verbaal staat “De schaduwadministratie bestond uit berekeningen op de (achterkant) van X-afslagen en handgeschreven maandoverzichten waarvan [de bedrijfsleider] heeft verklaard dat hij deze berekeningen heeft geschreven.” (zie 2.9). Deze weergave van de gang van zaken, die is gebaseerd op verklaringen van belanghebbende en diens bedrijfsleider, komt het Hof aannemelijk voor. 5.16. Uit het controlerapport volgt dat de inspecteur de bruto-omzetten volgens de schaduwboekhouding in de periode van september 2018 tot en met december 2018 heeft vergeleken met de omzetten vermeld in de aangiften omzetbelasting voor die periode. Op basis daarvan is de niet aangegeven bruto-omzet berekend per winkel. Deze berekeningen acht het Hof navolgbaar en redelijk, zij zijn immers uitsluitend gebaseerd op informatie aangetroffen in de schaduwboekhouding van belanghebbende zelf (dus zonder dat daar een schatting aan te pas komt). De aldus berekende afwijkingen, die enkel op het laatste derde deel van het jaar 2018 zien, zijn zowel absoluut als relatief bezien, zo omvangrijk dat reeds daarom de conclusie is gerechtvaardigd dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Dit nog daargelaten de extrapolatie naar de voorliggende maanden van het jaar en ook nog daargelaten de niet in aanmerking genomen pin- en creditcardbetalingen plus privéstortingen (zie r.o. 15 van de uitspraak van de rechtbank), die op zichzelf ook de omkering en verzwaring van de bewijslast zouden rechtvaardigen. 5.17. In de modus operandi, de handgeschreven aantekeningen, het buiten werking stellen van kassacontrole en het voeren van een volstrekt oncontroleerbare administratie waarin zeer veel contant geld omgaat, ligt besloten dat belanghebbende zich bewust was van het structureel ‘afromen’ van een aanzienlijk deel van de contante omzet. Gelet op het vorenstaande moet belanghebbende zich ook bewust zijn geweest dat de door hem gedane aangifte onjuist was. 5.18. Indien, zoals in de onderwerpelijke zaak, wordt geoordeeld dat (bewust) de vereiste aangifte niet is gedaan, vloeit uit artikel 27e, lid 1, van de AWR voort dat de omkering en verzwaring van de bewijslast van toepassing is. Daarbij geldt dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting van de niet aangegeven winst of omzet. Redelijke schatting? 5.19. De rechtbank heeft in r.o. 16 van haar uitspraak overwogen dat de schatting van de inspecteur niet redelijk is omdat “ onduidelijk is wie de overzichten heeft gemaakt en voor welk doel.
Volledig
Ten slotte is de door de inspecteur toegepaste extrapolatie onvoldoende controleerbaar en ook daarom niet aanvaardbaar”. De tegen deze oordelen gerichte klachten van de inspecteur slagen. Ter toelichting dient het volgende. 5.20. Zoals hiervoor overwogen, is het Hof van oordeel i) dat het niet onduidelijk is door of voor wie de schaduwboekhouding is gemaakt ii) de inspecteur de schaduwboekhouding terecht tot uitgangspunt voor zijn correcties heeft genomen en iii) deze gegevens naar redelijkheid heeft geëxtrapoleerd (zie r.o. 5.21). Ter toelichting van het oordeel dat sprake is van een redelijke schatting, dient voorts het volgende. De inspecteur heeft bij zijn schatting rekening gehouden met het feit dat er zowel omzet is gerealiseerd die is belast naar het algemene tarief als omzet die is belast naar het verlaagde tarief. Het Hof komt een dergelijke benadering (hoog/laag tarief) redelijk voor. In wezen is daarmee voor wat betreft de omzet, aangesloten bij de administratie van belanghebbende zelf. 5.21. Naar het oordeel van het Hof is het redelijk om de omzetcorrecties die volgen uit de schaduwboekhouding te extrapoleren naar de voorliggende maanden: januari tot en met augustus 2018. Het Hof acht dit redelijk omdat uit de gedingstukken volgt dat de berekeningen op de X-afslagen van februari 2016 en op die van april 2019 gelijksoortig waren en de bedrijfsleider tijdens het strafrechtelijk onderzoek heeft verklaard dat de werkwijze in 2016 en 2019 steeds gelijk was (zie 2.9). Er zijn door belanghebbende ook geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat belanghebbende in de eerste 8 maanden van 2018 procentueel minder omzet heeft gerealiseerd dan in de laatste 4 maanden van dat jaar. Daarbij heeft het Hof laten meewegen dat de klanten van belanghebbende voor een aanzienlijk deel bestaan uit toeristen. Het toeristische hoogseizoen in [Y] is gelegen in de zomer zodat het, zo bezien, niet aannemelijk is dat de inspecteur de omzet door de extrapolatie, te hoog heeft vastgesteld. De stelling van belanghebbende dat de inspecteur bij het maken van een redelijke schatting had moeten teruggevallen op (lagere) statistische brutowinstpercentages, wordt dan ook verworpen. 5.22. Bij zijn schatting is de inspecteur voor de vaststelling van de belastbare (netto) winst uitgegaan van een netto omzetcorrectie (omzet minus de daarin begrepen omzetbelasting) van € 608.066. Onder 8 van het controlerapport is vermeld dat belanghebbende voor geheel 2018 en voor alle winkels tezamen, bedrijfslasten heeft opgevoerd tot een bedrag van in totaal € 489.956. Dit bedrag is, met uitzondering van een aantal kleinere correcties die optellen tot een bedrag van € 25.607, door de inspecteur gehonoreerd. Hogere bedrijfslasten zijn overigens ook niet gesteld. Ook in zoverre is door de inspecteur aangesloten bij de gegevens van belanghebbende zelf. Deze berekeningswijze van de niet aangegeven winst, acht het Hof navolgbaar en redelijk. 5.23. Nu sprake is van een ‘redelijke schatting’ is het aan belanghebbende om overtuigend aan te tonen dat zijn winst lager moet worden vastgesteld. Daarin is hij, met al hetgeen door hem is aangevoerd, niet geslaagd. Slotsom 5.24. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het hoger beroep gegrond. 6 Kosten Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet. 7 Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, B.A. van Brummelen en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 27 november 2025 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend. Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl. Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen. Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Volledig
Dat de aantekeningen door of ten behoeve van de eiser zijn gemaakt kan worden betwijfeld omdat zij kennelijk deels in het Hindi zijn gemaakt, in de officiële taal van India, terwijl eiser wortels heeft in [land] , waar voornamelijk Urdu wordt gesproken. Ten slotte is de door de inspecteur toegepaste extrapolatie onvoldoende controleerbaar en ook daarom niet aanvaardbaar”. De tegen deze oordelen gerichte klachten van de inspecteur slagen. Ter toelichting dient het volgende. 5.20. Zoals hiervoor overwogen, is het Hof van oordeel i) dat het niet onduidelijk is door of voor wie de schaduwboekhouding is gemaakt ii) de inspecteur de schaduwboekhouding terecht tot uitgangspunt voor zijn correcties heeft genomen en iii) deze gegevens naar redelijkheid heeft geëxtrapoleerd (zie r.o. 5.21). Ter toelichting van het oordeel dat sprake is van een redelijke schatting, dient voorts het volgende. De inspecteur heeft bij zijn schatting rekening gehouden met het feit dat er zowel omzet is gerealiseerd die is belast naar het algemene tarief als omzet die is belast naar het verlaagde tarief. Het Hof komt een dergelijke benadering (hoog/laag tarief) redelijk voor. In wezen is daarmee voor wat betreft de omzet, aangesloten bij de administratie van belanghebbende zelf. 5.21. Naar het oordeel van het Hof is het redelijk om de omzetcorrecties die volgen uit de schaduwboekhouding te extrapoleren naar de voorliggende maanden: januari tot en met augustus 2018. Het Hof acht dit redelijk omdat uit de gedingstukken volgt dat de berekeningen op de X-afslagen van februari 2016 en op die van april 2019 gelijksoortig waren en de bedrijfsleider tijdens het strafrechtelijk onderzoek heeft verklaard dat de werkwijze in 2016 en 2019 steeds gelijk was (zie 2.9). Er zijn door belanghebbende ook geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan kan worden aangenomen dat belanghebbende in de eerste 8 maanden van 2018 procentueel minder omzet heeft gerealiseerd dan in de laatste 4 maanden van dat jaar. Daarbij heeft het Hof laten meewegen dat de klanten van belanghebbende voor een aanzienlijk deel bestaan uit toeristen. Het toeristische hoogseizoen in [Y] is gelegen in de zomer zodat het, zo bezien, niet aannemelijk is dat de inspecteur de omzet door de extrapolatie, te hoog heeft vastgesteld. De stelling van belanghebbende dat de inspecteur bij het maken van een redelijke schatting had moeten teruggevallen op (lagere) statistische brutowinstpercentages, wordt dan ook verworpen. 5.22. Bij zijn schatting is de inspecteur voor de vaststelling van de belastbare (netto) winst uitgegaan van een netto omzetcorrectie (omzet minus de daarin begrepen omzetbelasting) van € 608.066. Onder 8 van het controlerapport is vermeld dat belanghebbende voor geheel 2018 en voor alle winkels tezamen, bedrijfslasten heeft opgevoerd tot een bedrag van in totaal € 489.956. Dit bedrag is, met uitzondering van een aantal kleinere correcties die optellen tot een bedrag van € 25.607, door de inspecteur gehonoreerd. Hogere bedrijfslasten zijn overigens ook niet gesteld. Ook in zoverre is door de inspecteur aangesloten bij de gegevens van belanghebbende zelf. Deze berekeningswijze van de niet aangegeven winst, acht het Hof navolgbaar en redelijk. 5.23. Nu sprake is van een ‘redelijke schatting’ is het aan belanghebbende om overtuigend aan te tonen dat zijn winst lager moet worden vastgesteld. Daarin is hij, met al hetgeen door hem is aangevoerd, niet geslaagd. Slotsom 5.24. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het hoger beroep gegrond. 6 Kosten Het Hof vindt geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet. 7 Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, B.A. van Brummelen en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H.E. Breman als griffier. De beslissing is op 27 november 2025 in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl. Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag . Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. Toelichting rechtsmiddelverwijzing Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend. Digitaal procederen Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl. Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen. Per post procederen Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: