Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-12-10
ECLI:NL:GHAMS:2024:3388
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,837 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Zaaknummers: 200.337.808/01 en 200.337.809/01
Zaaknummers rechtbank: C/15/339124 / FA RK 23-1890
C/15/344106 / JU RK 23/1440
Beschikking van de meervoudige kamer van 10 december 2024 in de zaak van
In de zaak met zaaknummer 200.337.808/01
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.E. Terhorst te Alkmaar,
en
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers, gevestigd te [plaats B] .
In de zaak met zaaknummer 200.337.809/01
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M.E. Terhorst te Alkmaar,
en
de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de GI.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna te noemen: de raad.
Het hof heeft daarnaast in beide zaken als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] );
- [pleegouders] (hierna te noemen: de pleegouders).
1De zaken in het kort
1.1
Deze beschikking gaat over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de moeder.
1.2
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 27 oktober 2023 het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd en de GI tot voogd benoemd. Daarnaast heeft de rechtbank het inleidende verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing afgewezen en, onder voorwaarden, een omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] vastgesteld, waarbij [minderjarige] minimaal één keer per drie maanden omgang met de moeder heeft.
De moeder is hiertegen in hoger beroep gekomen op 16 februari 2024. Dat is meer dan drie maanden na de dag van de uitspraak. Daarom moet het hof zich ambtshalve buigen over de vraag of het hoger beroep tijdig is ingesteld.
Procesverloop
2.1
De moeder is op 16 februari 2024 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De raad heeft op 26 maart 2024 een verweerschrift ingediend in de zaak met zaaknummer 200.337.808/01.
2.3
De GI heeft op 12 april 2024 een verweerschrift ingediend in de zaak met zaaknummer 200.337.809/01.
2.4
De mondelinge behandeling van de zaken stond gepland op 1 juli 2024. Op verzoek van de GI is de behandeling toen niet doorgegaan en is een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling gepland. De voorzitter van de kamer die op 1 juli 2024 de mondelinge behandeling zou houden, heeft op 25 juni 2024, in het bijzijn van de griffier, met [minderjarige] gesproken. Ter zitting van 2 oktober 2024 heeft de voorzitter van de kamer die op laatstgenoemde dag zitting had de inhoud van dat gesprek zakelijk weergegeven. Partijen hebben de gelegenheid gehad om daarop te reageren.
2.5
Zoals de griffier van tevoren aan partijen had meegedeeld, betrof de mondelinge behandeling van 2 oktober 2024 uitsluitend de ontvankelijkheid van het door de moeder ingestelde hoger beroep. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder, de moeder was via een telefoonverbinding aanwezig;
- de raad, vertegenwoordigd door W. Daalderop, in aanwezigheid van collega K. Westerling;
- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager;
- de pleegouders.
3De ontvankelijkheid van het hoger beroep
3.1
Aan de orde is of de moeder ontvankelijk is in haar hoger beroep. De rechtbank heeft aan de (advocaat van de) moeder een afschrift van de bestreden beschikking verstrekt. Op grond van artikel 806, eerste lid, aanhef en onder a. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet het hoger beroep dan worden ingesteld binnen een termijn van drie (kalender)maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak, zo nodig te verlengen op grond van artikel 1 lid 1 van de Algemene termijnenwet.
De bestreden beschikking vermeldt op pagina 1 en pagina 8 als uitspraakdatum 27 oktober 2023. Onderaan de bestreden beschikking, op pagina 9, staat echter een stempel waarop staat vermeld “AFSCHRIFT Voor eensluidend afschrift. De griffier van de rechtbank. 21 november 2023”.
De moeder heeft op 16 februari 2024 hoger beroep ingesteld; op die datum is haar beroepschrift bij het hof ingekomen. De vraag is of het hoger beroep tijdig is ingesteld.
3.2
In een uitspraak van 1 november 1985, NJ 1986/277 (r.o. 3.4), heeft de Hoge Raad (HR) zich uitgelaten over de betekenis van het begrip ‘doen van uitspraak’. De HR heeft daarin geoordeeld dat het voldoende is dat op een aan de verschenen partijen tevoren bekend gemaakte dag de beschikking in geschreven vorm ter griffie aanwezig is en dat zowel de partijen als elke andere belanghebbende inzage en afschrift van die beschikking kunnen verkrijgen.
Bij gebreke van een proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg heeft het hof voorafgaand aan de zitting in hoger beroep ambtshalve navraag gedaan bij de rechtbank over de vraag wat ter zitting in eerste aanleg is meegedeeld ten aanzien van de wijze en de dag waarop uitspraak zou worden gedaan. De gerechtsjurist van de rechtbank die ter zitting in eerste aanleg optrad als griffier heeft hierop geantwoord dat tijdens de zitting van de rechtbank de voorzitter aan partijen heeft medegedeeld dat uitspraak zou worden gedaan vóór het aflopen van de machtiging tot uithuisplaatsing op maandag 30 oktober 2023. Verder verklaarde de gerechtsjurist dat de bestreden beschikking op vrijdag 27 oktober 2023 inhoudelijk was afgerond en ondertekend ter griffie aanwezig was. Vervolgens heeft de bestreden beschikking enige tijd “stilgelegen” bij de administratie voordat deze op 21 november 2023 per post werd verzonden.
De voorzitter van het hof heeft deze informatie tijdens de zitting in hoger beroep aan partijen voorgehouden. Geen van hen heeft de juistheid daarvan betwist.
In lijn met eerdergenoemde uitspraak van de Hoge Raad staat daarmee vast dat als uitspraakdatum van de bestreden beschikking 27 oktober 2023 te gelden heeft. De laatste dag van de termijn voor het instellen van hoger beroep was daarom maandag 29 januari 2024. Het hof heeft het beroepschrift ontvangen op 16 februari 2024, dat is achttien dagen na het verstrijken van de beroepstermijn.
3.3
Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de moeder beaamd dat sprake is van een termijnoverschrijding, maar zij vindt dat deze verschoonbaar is. Daarvoor beroept zij zich op het evenredigheidsbeginsel. Zij wijst erop dat in het bestuursrecht de rechter recent een nieuwe lijn heeft ingezet, die erop neerkomt dat termijnoverschrijding eerder verschoonbaar geacht kan worden, omdat anders de gevolgen voor de burger onevenredig kunnen zijn. Volgens de moeder zijn de consequenties van een niet-ontvankelijkverklaring onevenredig omdat het belang van de moeder (en ook van [minderjarige] ) bij een inhoudelijke behandeling van de zaak groter is dan handhaving van de beroepstermijn. Het gaat in deze zaak om de rechten van de moeder en [minderjarige] , die beschermd worden door artikel 3 en artikel 9 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Deze bepalingen hebben directe werking en staan volgens haar boven het Nederlandse procesrecht. Daarnaast heeft de rechtbank de bestreden beschikking onredelijk laat verzonden, namelijk op 21 november 2023, zoals onderaan de bestreden beschikking op de stempel vermeld staat. Een deel van de appeltermijn was toen al verstreken waarmee afbreuk is gedaan aan de wettelijke appeltermijn van drie maanden. Door in de bestreden beschikking twee data te gebruiken, te weten de datum van de uitspraak en de datum van de verzending van de beschikking, is bovendien verwarring ontstaan, aldus de moeder.
3.4
De raad en de GI hebben zich ten aanzien van de ontvankelijkheid gerefereerd aan het oordeel van het hof.
3.5
De rechtspraak van de Hoge Raad (laatstelijk HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413, r.o. 3.4.2), houdt in dat rechtsmiddeltermijnen van openbare orde zijn en door de rechter ambtshalve moeten worden toegepast. Uitgangspunt is dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid moet bestaan over het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt en dat hieraan strikt de hand moet worden gehouden.
Op dit uitgangspunt kan volgens de Hoge Raad slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt, zoals in het geval van een zogenoemde apparaatsfout van de rechtbank. Daarvan is sprake wanneer een partij niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter een beschikking had gegeven en de beschikking haar, als gevolg van een niet aan haar toe te rekenen fout of verzuim, pas na afloop van de beroepstermijn is toegezonden of verstrekt. Daarmee moet bovendien op één lijn worden gesteld het geval waarin de griffie de beschikking nog wel binnen de beroepstermijn, maar zo laat heeft verzonden of verstrekt, dat daartegen binnen die termijn redelijkerwijs zelfs niet meer een beroepschrift kan worden ingediend waarin de gronden voor het beroep niet zijn opgenomen (zie voor dit alles HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489, r.o. 3.2).
De wet bepaalt in artikel 805 lid 1 Rv dat de griffier onverwijld een afschrift van de beschikking verzendt of verstrekt aan, onder anderen, de verschenen belanghebbenden. Aan de moeder moet worden toegegeven dat de griffier van de rechtbank, door de verzending op 21 november 2023 (25 dagen na de uitspraak), deze bepaling heeft geschonden. Niettemin resteerden na die verzending nog meer dan twee maanden van de wettelijke appeltermijn om hoger beroep in te stellen.
Dictum
Het hof:
in de zaken met zaaknummers 200.337.808/01 en 200.337.809/01:
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. M.T. Hoogland en mr. A.R. van Wieren, in tegenwoordigheid van R. Hoff als griffier, en is op 10 december 2024 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.