Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-08-13
ECLI:NL:CBB:2024:568
Bestuursrecht
Verzet
3,544 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1434
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2024 op het verzet van
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (de ondernemer)
Procesverloop
De ondernemer heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 7 mei 2024.
De zitting was op 19 juli 2024. De ondernemer was aanwezig.
Overwegingen
1.1
Met een besluit van 11 januari 2022 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat (thans: de minister van Economische Zaken) de eerder aan de ondernemer verleende subsidie vastgesteld op nihil en het betaalde voorschot teruggevorderd. De ondernemer heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Wel heeft de ondernemer op 9 mei 2022 de minister verzocht om het besluit van 11 januari 2022 te herzien. Met het besluit van 28 november 2022 heeft de minister dat verzoek afgewezen. Met het besluit van 22 februari 2023 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard en daarbij onder meer toegelicht dat de door de ondernemer gestelde omzet niet kan worden gehanteerd, omdat op grond van de toepasselijke regelgeving moet worden uitgegaan van de aangifte inkomstenbelasting als een onderneming over de gehele omzet BTW afdraagt. De ondernemer heeft daartegen op 16 juni 2023 beroep ingesteld.
1.2
Met de uitspraak van 7 mei 2024 heeft het College het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens onverschoonbare (niet verontschuldigbare) overschrijding van de beroepstermijn, die eindigde op 5 april 2023.
2 In verzet heeft de ondernemer aangevoerd dat hij niet bekend was met het College. Na afloop van de beroepstermijn heeft hij contact heeft opgenomen met de minister. Toen pas is hij erachter gekomen dat hij beroep kon instellen bij het College. Dat heeft hij kort daarna gedaan. Verder heeft hij wel altijd tijdig gereageerd waar dat nodig was.
3 Voor de beoordeling van de verschoonbaarheid verwijst het College naar zijn uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31). In dit geval kan de termijnoverschrijding aan de ondernemer worden toegerekend. Onder het besluit op bezwaar is duidelijk vermeld dat de ondernemer binnen zes weken beroep kan instellen bij het College. Het adres van het College staat erbij. Als de ondernemer niet bekend was met het College, had hij daarom aan de hand daarvan contact kunnen opnemen met het College. In plaats daarvan heeft de ondernemer contact opgenomen met de minister. Dat kan ook, maar de ondernemer heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat hij dit dan niet binnen de, immers onder het besluit vermelde, termijn heeft gedaan.
4 De conclusie is dat de uitspraak van 7 mei 2024 juist is. Het verzet is daarom ongegrond. Dat betekent dat dat het beroep van de ondernemer niet inhoudelijk wordt behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
5 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van T. Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. T. Berg
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1434
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2024 op het verzet van
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (de ondernemer)
Procesverloop
De ondernemer heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 7 mei 2024.
De zitting was op 19 juli 2024. De ondernemer was aanwezig.
Overwegingen
1.1
Met een besluit van 11 januari 2022 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat (thans: de minister van Economische Zaken) de eerder aan de ondernemer verleende subsidie vastgesteld op nihil en het betaalde voorschot teruggevorderd. De ondernemer heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Wel heeft de ondernemer op 9 mei 2022 de minister verzocht om het besluit van 11 januari 2022 te herzien. Met het besluit van 28 november 2022 heeft de minister dat verzoek afgewezen. Met het besluit van 22 februari 2023 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard en daarbij onder meer toegelicht dat de door de ondernemer gestelde omzet niet kan worden gehanteerd, omdat op grond van de toepasselijke regelgeving moet worden uitgegaan van de aangifte inkomstenbelasting als een onderneming over de gehele omzet BTW afdraagt. De ondernemer heeft daartegen op 16 juni 2023 beroep ingesteld.
1.2
Met de uitspraak van 7 mei 2024 heeft het College het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens onverschoonbare (niet verontschuldigbare) overschrijding van de beroepstermijn, die eindigde op 5 april 2023.
2 In verzet heeft de ondernemer aangevoerd dat hij niet bekend was met het College. Na afloop van de beroepstermijn heeft hij contact heeft opgenomen met de minister. Toen pas is hij erachter gekomen dat hij beroep kon instellen bij het College. Dat heeft hij kort daarna gedaan. Verder heeft hij wel altijd tijdig gereageerd waar dat nodig was.
3 Voor de beoordeling van de verschoonbaarheid verwijst het College naar zijn uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31). In dit geval kan de termijnoverschrijding aan de ondernemer worden toegerekend. Onder het besluit op bezwaar is duidelijk vermeld dat de ondernemer binnen zes weken beroep kan instellen bij het College. Het adres van het College staat erbij. Als de ondernemer niet bekend was met het College, had hij daarom aan de hand daarvan contact kunnen opnemen met het College. In plaats daarvan heeft de ondernemer contact opgenomen met de minister. Dat kan ook, maar de ondernemer heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat hij dit dan niet binnen de, immers onder het besluit vermelde, termijn heeft gedaan.
4 De conclusie is dat de uitspraak van 7 mei 2024 juist is. Het verzet is daarom ongegrond. Dat betekent dat dat het beroep van de ondernemer niet inhoudelijk wordt behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
5 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van T. Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. T. Berg
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1434
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2024 op het verzet van
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (de ondernemer)
Procesverloop
De ondernemer heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 7 mei 2024.
De zitting was op 19 juli 2024. De ondernemer was aanwezig.
Overwegingen
1.1
Met een besluit van 11 januari 2022 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat (thans: de minister van Economische Zaken) de eerder aan de ondernemer verleende subsidie vastgesteld op nihil en het betaalde voorschot teruggevorderd. De ondernemer heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Wel heeft de ondernemer op 9 mei 2022 de minister verzocht om het besluit van 11 januari 2022 te herzien. Met het besluit van 28 november 2022 heeft de minister dat verzoek afgewezen. Met het besluit van 22 februari 2023 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard en daarbij onder meer toegelicht dat de door de ondernemer gestelde omzet niet kan worden gehanteerd, omdat op grond van de toepasselijke regelgeving moet worden uitgegaan van de aangifte inkomstenbelasting als een onderneming over de gehele omzet BTW afdraagt. De ondernemer heeft daartegen op 16 juni 2023 beroep ingesteld.
1.2
Met de uitspraak van 7 mei 2024 heeft het College het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens onverschoonbare (niet verontschuldigbare) overschrijding van de beroepstermijn, die eindigde op 5 april 2023.
2 In verzet heeft de ondernemer aangevoerd dat hij niet bekend was met het College. Na afloop van de beroepstermijn heeft hij contact heeft opgenomen met de minister. Toen pas is hij erachter gekomen dat hij beroep kon instellen bij het College. Dat heeft hij kort daarna gedaan. Verder heeft hij wel altijd tijdig gereageerd waar dat nodig was.
3 Voor de beoordeling van de verschoonbaarheid verwijst het College naar zijn uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31). In dit geval kan de termijnoverschrijding aan de ondernemer worden toegerekend. Onder het besluit op bezwaar is duidelijk vermeld dat de ondernemer binnen zes weken beroep kan instellen bij het College. Het adres van het College staat erbij. Als de ondernemer niet bekend was met het College, had hij daarom aan de hand daarvan contact kunnen opnemen met het College. In plaats daarvan heeft de ondernemer contact opgenomen met de minister. Dat kan ook, maar de ondernemer heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat hij dit dan niet binnen de, immers onder het besluit vermelde, termijn heeft gedaan.
4 De conclusie is dat de uitspraak van 7 mei 2024 juist is. Het verzet is daarom ongegrond. Dat betekent dat dat het beroep van de ondernemer niet inhoudelijk wordt behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
5 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van T. Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. T. Berg
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1434
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2024 op het verzet van
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (de ondernemer)
Procesverloop
De ondernemer heeft verzet gedaan tegen de uitspraak van het College met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dus zonder zitting, van 7 mei 2024.
De zitting was op 19 juli 2024. De ondernemer was aanwezig.
Overwegingen
1.1
Met een besluit van 11 januari 2022 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat (thans: de minister van Economische Zaken) de eerder aan de ondernemer verleende subsidie vastgesteld op nihil en het betaalde voorschot teruggevorderd. De ondernemer heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. Wel heeft de ondernemer op 9 mei 2022 de minister verzocht om het besluit van 11 januari 2022 te herzien. Met het besluit van 28 november 2022 heeft de minister dat verzoek afgewezen. Met het besluit van 22 februari 2023 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard en daarbij onder meer toegelicht dat de door de ondernemer gestelde omzet niet kan worden gehanteerd, omdat op grond van de toepasselijke regelgeving moet worden uitgegaan van de aangifte inkomstenbelasting als een onderneming over de gehele omzet BTW afdraagt. De ondernemer heeft daartegen op 16 juni 2023 beroep ingesteld.
1.2
Met de uitspraak van 7 mei 2024 heeft het College het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens onverschoonbare (niet verontschuldigbare) overschrijding van de beroepstermijn, die eindigde op 5 april 2023.
2 In verzet heeft de ondernemer aangevoerd dat hij niet bekend was met het College. Na afloop van de beroepstermijn heeft hij contact heeft opgenomen met de minister. Toen pas is hij erachter gekomen dat hij beroep kon instellen bij het College. Dat heeft hij kort daarna gedaan. Verder heeft hij wel altijd tijdig gereageerd waar dat nodig was.
3 Voor de beoordeling van de verschoonbaarheid verwijst het College naar zijn uitspraak van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31). In dit geval kan de termijnoverschrijding aan de ondernemer worden toegerekend. Onder het besluit op bezwaar is duidelijk vermeld dat de ondernemer binnen zes weken beroep kan instellen bij het College. Het adres van het College staat erbij. Als de ondernemer niet bekend was met het College, had hij daarom aan de hand daarvan contact kunnen opnemen met het College. In plaats daarvan heeft de ondernemer contact opgenomen met de minister. Dat kan ook, maar de ondernemer heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat hij dit dan niet binnen de, immers onder het besluit vermelde, termijn heeft gedaan.
4 De conclusie is dat de uitspraak van 7 mei 2024 juist is. Het verzet is daarom ongegrond. Dat betekent dat dat het beroep van de ondernemer niet inhoudelijk wordt behandeld en de zaak met deze uitspraak is geëindigd.
5 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G.M. Simons, in aanwezigheid van T. Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2024.
w.g. T.G.M. Simons w.g. T. Berg