Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-04-18
ECLI:NL:GHAMS:2024:1204
Strafrecht
Hoger beroep
4,414 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002557-23
datum uitspraak: 18 april 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 september 2023 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 96-273835-22 en 96-056862-23 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vordering advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van €1500,00 subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan €750,00 subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Daarnaast heeft de advocaat-generaal de ontzegging van de rijbevoegdheid gevorderd voor de duur van 210 dagen, waarvan 64 dagen voorwaardelijk met aftrek en eveneens een proeftijd van twee jaren.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:
- het in hoger beroep gevoerde verweer met betrekking tot de ontvankelijkheid van het
openbaar ministerie in de vervolging zal bespreken;
- het door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel ‘de onder A weergeven verklaring van de verdachte’ vervangt door de bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 4 april 2024;
- het dictum in het vonnis zo verstaat dat de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 210 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet 1994 waarvan 64 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren wordt opgelegd ten aanzien van het onder parketnummer 96/056862-23 bewezenverklaarde feit.
Ontvankelijkheid openbaar ministerie in de vervolging
Standpunt verdediging
De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte in beide zaken, aangezien op de dagvaarding met parketnummer 96-056862-23 met betrekking tot een feit van 25 februari 2023 (rijden onder invloed) is vermeld dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit en hij bij onherroepelijke veroordeling voor het nieuwe feit een tweede strafpunt krijgt. Dit is onjuist, aangezien de zaak met parketnummer 96-272835-22 met betrekking tot een feit van 4 maart 2022 (eveneens rijden onder invloed) tegelijk is behandeld met de zaak met parketnummer 96-056862-23 en er dus nog geen sprake kan zijn van een onherroepelijke veroordeling en dus ook niet van recidive. Het openbaar ministerie heeft door deze vermelding de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwensbeginsel en het verbod op willekeur, geschonden. Daarnaast is sprake van een schending van artikel 6 EVRM, het recht op een eerlijk proces.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft betoogd dat de verdachte al eerder een delict heeft gepleegd dat geldt als eerdere onherroepelijke veroordeling zoals bepaald in artikel 123b lid 1 Wegenverkeerswet 1994 (WVW), namelijk een strafbeschikking voor rijden onder invloed op 13 augustus 2021. Dat is de reden dat op de dagvaarding met parketnummer 96-273835-22 is vermeld dat bij onherroepelijke veroordeling sprake is van een eerste punt. Bij het feit op de dagvaarding met parketnummer 96-056862-23 is volgens artikel 123b lid 1 sub c WVW sprake van een “tweede punt waardig” alcoholgehalte, namelijk 715 µg/l. Daarmee is terecht in de dagvaarding opgenomen dat een onherroepelijke veroordeling een tweede punt zou opleveren en dus tot gevolg zou hebben dat het rijbewijs automatisch ongeldig zou worden. De mededeling op beide dagvaardingen klopt. Ook als de mededelingen op de dagvaardingen onjuist zouden zijn, is er geen sprake van een schending van het recht op een eerlijk proces. Niet duidelijk is in welk belang de verdediging is geschaad. Ook is geen sprake is van een schending van het verbod op willekeur en van het vertrouwensbeginsel. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.
Oordeel hof
Op grond van artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering is aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280).
Het beginsel van gerechtvaardigd vertrouwen
Schending van het vertrouwensbeginsel kan zich voordoen in het uitzonderlijke geval dat vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd.
Door de raadsman is niet onderbouwd en ook overigens bevat het dossier geen aanknopingspunten dat bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat hij voor de onderhavige feiten niet zou worden vervolgd. Het hof verwerpt het verweer dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel.
Het verbod van willekeur
Het hof begrijpt het verweer van de raadsman dat hij doelt op de uitzonderlijke omstandigheid dat vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur. Aan het oordeel dat het openbaar ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dienen zware motiveringseisen te worden gesteld.
Dat sprake is van aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissingen die meebrengt dat een (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur, valt uit hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht niet af te leiden. Het hof betrekt daarbij dat de omstandigheid dat een verdachte op grond van bestuursrechtelijke maatregelen die strekken tot bevordering van de verkeersveiligheid een onderzoek naar de rijgeschiktheid heeft ondergaan of een EMA cursus heeft gevolgd als voorwaarde voor het terugkrijgen van het ingevorderde rijbewijs, niet mee brengt dat de beslissing om de verdachte te vervolgen wegens herhaald rijden onder invloed apart onevenredig is (vgl. HR 29 maart 2022, ECLI:NL:2022:401). Het hof verwerpt het verweer.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. W.F. Groos en mr. M. Jeltes, in tegenwoordigheid van
mr. L.C. de Groot, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
18 april 2024.
[…]
INLEIDING ===
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002557-23
datum uitspraak: 18 april 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 19 september 2023 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 96-273835-22 en 96-056862-23 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 april 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vordering advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van €1500,00 subsidiair 30 dagen hechtenis, waarvan €750,00 subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Daarnaast heeft de advocaat-generaal de ontzegging van de rijbevoegdheid gevorderd voor de duur van 210 dagen, waarvan 64 dagen voorwaardelijk met aftrek en eveneens een proeftijd van twee jaren.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:
- het in hoger beroep gevoerde verweer met betrekking tot de ontvankelijkheid van het
openbaar ministerie in de vervolging zal bespreken;
- het door de rechtbank gebezigde bewijsmiddel ‘de onder A weergeven verklaring van de verdachte’ vervangt door de bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 4 april 2024;
- het dictum in het vonnis zo verstaat dat de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 210 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet 1994 waarvan 64 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren wordt opgelegd ten aanzien van het onder parketnummer 96/056862-23 bewezenverklaarde feit.
Ontvankelijkheid openbaar ministerie in de vervolging
Standpunt verdediging
De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte in beide zaken, aangezien op de dagvaarding met parketnummer 96-056862-23 met betrekking tot een feit van 25 februari 2023 (rijden onder invloed) is vermeld dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit en hij bij onherroepelijke veroordeling voor het nieuwe feit een tweede strafpunt krijgt. Dit is onjuist, aangezien de zaak met parketnummer 96-272835-22 met betrekking tot een feit van 4 maart 2022 (eveneens rijden onder invloed) tegelijk is behandeld met de zaak met parketnummer 96-056862-23 en er dus nog geen sprake kan zijn van een onherroepelijke veroordeling en dus ook niet van recidive. Het openbaar ministerie heeft door deze vermelding de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwensbeginsel en het verbod op willekeur, geschonden. Daarnaast is sprake van een schending van artikel 6 EVRM, het recht op een eerlijk proces.
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft betoogd dat de verdachte al eerder een delict heeft gepleegd dat geldt als eerdere onherroepelijke veroordeling zoals bepaald in artikel 123b lid 1 Wegenverkeerswet 1994 (WVW), namelijk een strafbeschikking voor rijden onder invloed op 13 augustus 2021. Dat is de reden dat op de dagvaarding met parketnummer 96-273835-22 is vermeld dat bij onherroepelijke veroordeling sprake is van een eerste punt. Bij het feit op de dagvaarding met parketnummer 96-056862-23 is volgens artikel 123b lid 1 sub c WVW sprake van een “tweede punt waardig” alcoholgehalte, namelijk 715 µg/l. Daarmee is terecht in de dagvaarding opgenomen dat een onherroepelijke veroordeling een tweede punt zou opleveren en dus tot gevolg zou hebben dat het rijbewijs automatisch ongeldig zou worden. De mededeling op beide dagvaardingen klopt. Ook als de mededelingen op de dagvaardingen onjuist zouden zijn, is er geen sprake van een schending van het recht op een eerlijk proces. Niet duidelijk is in welk belang de verdediging is geschaad. Ook is geen sprake is van een schending van het verbod op willekeur en van het vertrouwensbeginsel. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.
Oordeel hof
Op grond van artikel 167 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering is aan het openbaar ministerie de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280).
Het beginsel van gerechtvaardigd vertrouwen
Schending van het vertrouwensbeginsel kan zich voordoen in het uitzonderlijke geval dat vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd.
Door de raadsman is niet onderbouwd en ook overigens bevat het dossier geen aanknopingspunten dat bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat hij voor de onderhavige feiten niet zou worden vervolgd. Het hof verwerpt het verweer dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel.
Het verbod van willekeur
Het hof begrijpt het verweer van de raadsman dat hij doelt op de uitzonderlijke omstandigheid dat vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur. Aan het oordeel dat het openbaar ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dienen zware motiveringseisen te worden gesteld.
Dat sprake is van aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissingen die meebrengt dat een (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur, valt uit hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht niet af te leiden. Het hof betrekt daarbij dat de omstandigheid dat een verdachte op grond van bestuursrechtelijke maatregelen die strekken tot bevordering van de verkeersveiligheid een onderzoek naar de rijgeschiktheid heeft ondergaan of een EMA cursus heeft gevolgd als voorwaarde voor het terugkrijgen van het ingevorderde rijbewijs, niet mee brengt dat de beslissing om de verdachte te vervolgen wegens herhaald rijden onder invloed apart onevenredig is (vgl. HR 29 maart 2022, ECLI:NL:2022:401). Het hof verwerpt het verweer.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. W.F. Groos en mr. M. Jeltes, in tegenwoordigheid van
mr. L.C. de Groot, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
18 april 2024.
=
===
[…]