Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2023-07-18
ECLI:NL:GHAMS:2023:1730
Civiel recht
Hoger beroep
18,054 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.303.213/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/311969 / HA ZA 21-24
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 juli 2023
in de zaak van
[appellant]
,
wonende in [woonplaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. W. de Vis te Alkmaar,
tegen
[geïntimeerde 1]
,
[geïntimeerde 2]
,
beiden wonende in [woonplaats 2] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. M.A. le Belle te Alkmaar.
Partijen worden hierna [appellant] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] worden gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd.
1De zaak in het kort
[geïntimeerden] zijn (indirect) bestuurders van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). In 2017 zijn [bedrijf 1] , [appellant] en [geïntimeerden] verwikkeld geraakt in een procedure over een aantal koopovereenkomsten die [bedrijf 1] en [appellant] in 2014 en 2015 hebben gesloten. In de loop van die procedure hebben [bedrijf 1] , [appellant] en [geïntimeerden] een vaststellingsovereenkomst gesloten. [bedrijf 1] is haar verplichtingen onder de vaststellingsovereenkomst niet nagekomen. In deze procedure spreekt [appellant] [geïntimeerden] aan omdat zij volgens [appellant] als (indirect) bestuurders van [bedrijf 1] persoonlijk aansprakelijk jegens hem zijn. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. In dit hoger beroep beoordeelt het hof de vorderingen van [appellant] opnieuw en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.
Procesverloop
[appellant] is bij dagvaarding van 16 november 2021 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 18 augustus 2021, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie en verweerder in reconventie, en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie en eisers in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord.
Partijen hebben de zaak op de mondelinge behandeling van 10 mei 2023 laten toelichten, [appellant] door mr. M.J.G. Stork, advocaat in Alkmaar en kantoorgenoot van zijn hiervoor genoemde advocaat, die gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen waarvan exemplaren zijn overgelegd, en [geïntimeerden] door hun hiervoor genoemde advocaat. [appellant] heeft nog een productie in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog zijn vorderingen zal toewijzen en de reconventionele vorderingen van [geïntimeerden] afwijzen, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties, met rente.
[geïntimeerden] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten.
[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.
Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 3. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen daarom ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[appellant] belegt in onroerend goed.
3.2.
[bedrijf 1] is een onderneming die bemiddelt bij de handel, huur en verhuur van onroerend goed. [bedrijf 2] B.V. is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] . [geïntimeerde 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] B.V. en is daarmee indirect bestuurder van [bedrijf 1] . [geïntimeerde 2] is per 1 januari 2011 geen bestuurder meer van [bedrijf 2] B.V. Dit laatste is op 2 januari 2018 ingeschreven in het handelsregister.
3.3.
Partijen zijn in 2017 verwikkeld geraakt in een procedure over een aantal koopovereenkomsten die [bedrijf 1] en [appellant] in 2014 en 2015 hebben gesloten. In die procedure was [appellant] de eisende partij (in conventie). De gedaagde partijen waren [bedrijf 1] , [bedrijf 2] B.V. en [geïntimeerden] In die procedure heeft [appellant] de koopovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [appellant] met betrekking tot een perceel in [plaats] (hierna: de koopovereenkomst) ontbonden per de datum van de dagvaarding. In de procedure was onder andere de vraag aan de orde of [geïntimeerden] als (indirect) bestuurders van [bedrijf 1] aansprakelijk zijn jegens [appellant] voor het niet nakomen van de koopovereenkomst door [bedrijf 1] .
3.4.
Tijdens de mondelinge behandeling van die procedure op 27 maart 2018 hebben alle partijen een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst) gesloten. In de vaststellingsovereenkomst is – onder andere en voor zover hier relevant – het volgende bepaald:
"Tussen partijen is de navolgende vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen.
1. [bedrijf 1] B.V. zal aan [appellant] een bedrag betalen van € 204.175,-. Dit bedrag zal worden voldaan in zestig opeenvolgende maandelijkse termijnen van € 3.402,92, waarvan de eerste termijn betaald zal worden uiterlijk op 1 mei 2018. De daaropvolgende termijnen zullen telkens uiterlijk op de eerste dag van de maand worden voldaan. [bedrijf 1] B.V. mag per jaar maximaal tweemaal te laat betalen, waarbij de termijn met slechts één maand mag worden overschreden.
2. Indien [bedrijf 1] B.V. niet aan het bepaalde onder 1. voldoet, dan wordt het op dat moment nog openstaande bedrag terstond, zonder nadere kennisgeving, opeisbaar. (…)
(…)
7. Partijen verlenen elkaar na uitvoering van het bovenstaande finale kwijting ter zake van alle onderwerpen van dit geschil. (…)"
3.5.
[bedrijf 1] heeft zeven van de zestig termijnen aan [appellant] betaald, waarvan vijf termijnen (mei, juli, september, oktober en november 2018) te laat. In totaal heeft [bedrijf 1] € 23.820,44 betaald.
3.6.
[bedrijf 1] heeft het openstaande bedrag van € 180.354,56 onbetaald gelaten.
Beoordeling
4.1.
In deze procedure gaat het om de vraag of [geïntimeerden] persoonlijk aansprakelijk zijn jegens [appellant] voor de schade die hij stelt te hebben geleden, bestaande uit het bedrag dat [bedrijf 1] onbetaald heeft gelaten. [appellant] heeft een verklaring voor recht en schadevergoeding gevorderd omdat [geïntimeerden] als (indirect) bestuurders van [bedrijf 1] onrechtmatig jegens hem zouden hebben gehandeld. Ten eerste verwijt [appellant] [geïntimeerden] dat zij wisten of redelijkerwijs hadden behoren te begrijpen dat de door hen bewerkstelligde of toegelaten werkwijze tot gevolg zou hebben dat [bedrijf 1] haar verplichtingen uit de koopovereenkomst niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de daardoor veroorzaakte schade. Het tweede verwijt van [appellant] is dat [geïntimeerden] namens [bedrijf 1] de vaststellingsovereenkomst zijn aangegaan terwijl zij wisten of redelijkerwijs behoorden te weten dat [bedrijf 1] de vaststellingsovereenkomst niet kon nakomen en voor de daardoor ontstane schade geen verhaal zou bieden.
4.2.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Ten aanzien van het eerste verwijt heeft de rechtbank geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst aan beoordeling daarvan in de weg staat. De rechtbank heeft – samengevat – het volgende overwogen. Vast staat dat [geïntimeerden] in de eerdere procedure werden aangesproken uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid voor het handelen van [bedrijf 1] . De vaststellingsovereenkomst bevat uitsluitend verplichtingen voor [bedrijf 1] . De vaststellingsovereenkomst moet zo worden uitgelegd dat partijen daarin hebben afgesproken dat [appellant] aan [geïntimeerden] finale kwijting heeft verleend zonder dat daarvoor vereist was dat eerst [bedrijf 1] aan haar verplichtingen jegens [appellant] zou hebben voldaan. Daarmee heeft [appellant] afstand gedaan van zijn recht [geïntimeerden] in rechte aan te spreken voor feiten die zijn begrepen onder de finale kwijting. Daaronder vallen de vorderingen van [appellant] waarin hij [geïntimeerden] als indirect bestuurder van [bedrijf 1] aansprakelijk stelt voor de schade die hij lijdt door de tekortkomingen van [bedrijf 1] in de nakoming van de koopovereenkomst. Ten aanzien van het tweede verwijt heeft de rechtbank – kort gezegd – geoordeeld dat [geïntimeerden] geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt waardoor zij schadeplichtig zijn jegens [appellant] .
4.3.
Tegen de beslissing van de rechtbank en de motivering die daaraan ten grondslag ligt, komt [appellant] met vijf grieven op.
[appellant] kan [geïntimeerden] niet aanspreken voor niet nakomen koopovereenkomst
4.4.
Grieven I tot en met III richten zich tegen het oordeel van de rechtbank over (de uitleg van) de vaststellingsovereenkomst. [appellant] heeft zijn grieven als volgt toegelicht. Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat zij pas jegens elkaar zijn gekweten zodra [bedrijf 1] en [geïntimeerden] aan hun verplichtingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst zouden hebben voldaan. In zoverre is sprake van een voorwaardelijke vaststellingsovereenkomst, aangezien de finale kwijting pas wordt verleend na uitvoering van de in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen verplichtingen. Op grond van de vaststellingsovereenkomst rust in eerste instantie alleen op [bedrijf 1] een betalingsverplichting jegens [appellant] , maar als [bedrijf 1] deze betalingsverplichting niet nakomt, dan kan [appellant] zich (weer) op [geïntimeerden] verhalen. De grieven falen. Het hof legt hierna uit waarom.
4.5.
Het hof stelt voorop dat de vraag wat partijen hebben precies afgesproken in de vaststellingsovereenkomst en (dus) hoe de vaststellingsovereenkomst moet worden uitgelegd, afhangt van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex)). Daarbij moet de aard en de strekking van de overeenkomst in aanmerking worden genomen.
4.6.
Een vaststellingsovereenkomst is naar haar aard en strekking bedoeld om tussen partijen nieuw vast te stellen welke rechten en verplichtingen tussen hen zullen bestaan met betrekking tot de in die vaststellingsovereenkomst genoemde onderwerpen, waarbij die nieuw vastgestelde rechten en verplichtingen in de plaats komen van wat eerder tussen partijen (mogelijk) gold met betrekking tot diezelfde onderwerpen. Vanwege deze aard en strekking is over het algemeen gebruikelijk dat een vaststellingsovereenkomst een kwijtingsbepaling bevat die wil verduidelijken dat nakoming van die vaststellingsovereenkomst meebrengt dat partijen verder niets meer van elkaar te vorderen hebben met betrekking tot de onderwerpen die in die vaststellingsovereenkomst zijn genoemd. Kwijting bij nakoming van een vaststellingsovereenkomst betekent dus algehele, finale kwijting voor alle onderwerpen die in die vaststellingsovereenkomst zijn genoemd.
4.7.
Het ligt daarom voor de hand om de kwijtingsbepaling in artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst in diezelfde zin uit te leggen. Een dergelijke uitleg is ook in overeenstemming met de bewoordingen van deze bepaling. Bij die uitleg heeft [appellant] op grond van de vaststellingsovereenkomst nog slechts een vordering op [bedrijf 1] tot nakoming daarvan, en zijn bij nakoming door [bedrijf 1] zowel [bedrijf 1] als [geïntimeerden] definitief jegens [appellant] gekweten voor alle onderwerpen die in de vaststellingsovereenkomst zijn genoemd. Zolang [bedrijf 1] , na het opeisbaar worden van het overeengekomen bedrag, de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen, kan [appellant] tegen [bedrijf 1] een vordering tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst instellen, maar kan hij er bijvoorbeeld ook voor kiezen de vaststellingsovereenkomst te ontbinden. In dat laatste geval herleven de oorspronkelijke rechten en verplichtingen en kan [appellant] ook weer [geïntimeerden] aanspreken. Dat laatste kan hij niet zolang de vaststellingsovereenkomst van kracht is.
4.8.
[appellant] wil artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst echter anders uitleggen. Hij voert aan dat de bepaling dat na uitvoering van de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst kwijting wordt verleend voor de in de vaststellingsovereenkomst geregelde onderwerpen, betekent dat in de vaststellingsovereenkomst (slechts) een voorwaardelijke kwijting wordt verleend aan [geïntimeerden] Dit brengt volgens hem mee dat hij [geïntimeerden] dus nog steeds kan aanspreken uit hoofde van de oorspronkelijke rechtsverhoudingen zolang de voorwaarde niet is vervuld, dat wil zeggen zolang [bedrijf 1] de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen. Bij deze uitleg van artikel 7 kan de vaststellingsovereenkomst als het ware worden genegeerd zolang deze nog niet is nagekomen. Die gedachte houdt in wezen in dat de vaststellingsovereenkomst niet bindend is en ligt alleen al daarom niet voor de hand.
4.9.
Voor zover [appellant] bedoelt dat er op grond van de vaststellingsovereenkomst in eerste instantie een betalingsverplichting op [bedrijf 1] rust, maar dat hij bij het niet nakomen daarvan kan terugvallen op de oorspronkelijk tussen (alle) partijen bestaande rechtsverhoudingen, zou dit betekenen dat het niet nakomen een ontbindende voorwaarde is. Voor een dergelijke uitleg is in ieder geval geen steun te vinden in de bewoordingen van de overeenkomst.
4.10.
Niet gesteld of gebleken is dat bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst tussen partijen is gesproken over de precieze bewoordingen van artikel 7 en dat zij daarmee de uitleg bedoeld hebben die [appellant] in deze procedure daaraan nu wil geven, of dat [geïntimeerden] die uitleg hadden moeten begrijpen.
Conclusie
4.26.
De slotsom is dat het hoger beroep geen succes heeft. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Omdat [appellant] ongelijk krijgt, zal het hof [appellant] veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op vandaag aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 1.756 aan verschotten en € 5.640 voor salaris en op € 173 voor nasalaris, te vermeerderen met € 90 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, J.M. van den Berg en
Y. Steeg-Tijms en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.303.213/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/311969 / HA ZA 21-24
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 juli 2023
in de zaak van
[appellant]
,
wonende in [woonplaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. W. de Vis te Alkmaar,
tegen
[geïntimeerde 1]
,
[geïntimeerde 2]
,
beiden wonende in [woonplaats 2] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. M.A. le Belle te Alkmaar.
Partijen worden hierna [appellant] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] worden gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd.
1De zaak in het kort
[geïntimeerden] zijn (indirect) bestuurders van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). In 2017 zijn [bedrijf 1] , [appellant] en [geïntimeerden] verwikkeld geraakt in een procedure over een aantal koopovereenkomsten die [bedrijf 1] en [appellant] in 2014 en 2015 hebben gesloten. In de loop van die procedure hebben [bedrijf 1] , [appellant] en [geïntimeerden] een vaststellingsovereenkomst gesloten. [bedrijf 1] is haar verplichtingen onder de vaststellingsovereenkomst niet nagekomen. In deze procedure spreekt [appellant] [geïntimeerden] aan omdat zij volgens [appellant] als (indirect) bestuurders van [bedrijf 1] persoonlijk aansprakelijk jegens hem zijn. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. In dit hoger beroep beoordeelt het hof de vorderingen van [appellant] opnieuw en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.
Procesverloop
[appellant] is bij dagvaarding van 16 november 2021 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 18 augustus 2021, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie en verweerder in reconventie, en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie en eisers in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord.
Partijen hebben de zaak op de mondelinge behandeling van 10 mei 2023 laten toelichten, [appellant] door mr. M.J.G. Stork, advocaat in Alkmaar en kantoorgenoot van zijn hiervoor genoemde advocaat, die gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen waarvan exemplaren zijn overgelegd, en [geïntimeerden] door hun hiervoor genoemde advocaat. [appellant] heeft nog een productie in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog zijn vorderingen zal toewijzen en de reconventionele vorderingen van [geïntimeerden] afwijzen, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties, met rente.
[geïntimeerden] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten.
[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.
Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 3. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen daarom ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[appellant] belegt in onroerend goed.
3.2.
[bedrijf 1] is een onderneming die bemiddelt bij de handel, huur en verhuur van onroerend goed. [bedrijf 2] B.V. is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] . [geïntimeerde 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] B.V. en is daarmee indirect bestuurder van [bedrijf 1] . [geïntimeerde 2] is per 1 januari 2011 geen bestuurder meer van [bedrijf 2] B.V. Dit laatste is op 2 januari 2018 ingeschreven in het handelsregister.
3.3.
Partijen zijn in 2017 verwikkeld geraakt in een procedure over een aantal koopovereenkomsten die [bedrijf 1] en [appellant] in 2014 en 2015 hebben gesloten. In die procedure was [appellant] de eisende partij (in conventie). De gedaagde partijen waren [bedrijf 1] , [bedrijf 2] B.V. en [geïntimeerden] In die procedure heeft [appellant] de koopovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [appellant] met betrekking tot een perceel in [plaats] (hierna: de koopovereenkomst) ontbonden per de datum van de dagvaarding. In de procedure was onder andere de vraag aan de orde of [geïntimeerden] als (indirect) bestuurders van [bedrijf 1] aansprakelijk zijn jegens [appellant] voor het niet nakomen van de koopovereenkomst door [bedrijf 1] .
3.4.
Tijdens de mondelinge behandeling van die procedure op 27 maart 2018 hebben alle partijen een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst) gesloten. In de vaststellingsovereenkomst is – onder andere en voor zover hier relevant – het volgende bepaald:
"Tussen partijen is de navolgende vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen.
1. [bedrijf 1] B.V. zal aan [appellant] een bedrag betalen van € 204.175,-. Dit bedrag zal worden voldaan in zestig opeenvolgende maandelijkse termijnen van € 3.402,92, waarvan de eerste termijn betaald zal worden uiterlijk op 1 mei 2018. De daaropvolgende termijnen zullen telkens uiterlijk op de eerste dag van de maand worden voldaan. [bedrijf 1] B.V. mag per jaar maximaal tweemaal te laat betalen, waarbij de termijn met slechts één maand mag worden overschreden.
2. Indien [bedrijf 1] B.V. niet aan het bepaalde onder 1. voldoet, dan wordt het op dat moment nog openstaande bedrag terstond, zonder nadere kennisgeving, opeisbaar. (…)
(…)
7. Partijen verlenen elkaar na uitvoering van het bovenstaande finale kwijting ter zake van alle onderwerpen van dit geschil. (…)"
3.5.
[bedrijf 1] heeft zeven van de zestig termijnen aan [appellant] betaald, waarvan vijf termijnen (mei, juli, september, oktober en november 2018) te laat. In totaal heeft [bedrijf 1] € 23.820,44 betaald.
3.6.
[bedrijf 1] heeft het openstaande bedrag van € 180.354,56 onbetaald gelaten.
Beoordeling
4.1.
In deze procedure gaat het om de vraag of [geïntimeerden] persoonlijk aansprakelijk zijn jegens [appellant] voor de schade die hij stelt te hebben geleden, bestaande uit het bedrag dat [bedrijf 1] onbetaald heeft gelaten. [appellant] heeft een verklaring voor recht en schadevergoeding gevorderd omdat [geïntimeerden] als (indirect) bestuurders van [bedrijf 1] onrechtmatig jegens hem zouden hebben gehandeld. Ten eerste verwijt [appellant] [geïntimeerden] dat zij wisten of redelijkerwijs hadden behoren te begrijpen dat de door hen bewerkstelligde of toegelaten werkwijze tot gevolg zou hebben dat [bedrijf 1] haar verplichtingen uit de koopovereenkomst niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de daardoor veroorzaakte schade. Het tweede verwijt van [appellant] is dat [geïntimeerden] namens [bedrijf 1] de vaststellingsovereenkomst zijn aangegaan terwijl zij wisten of redelijkerwijs behoorden te weten dat [bedrijf 1] de vaststellingsovereenkomst niet kon nakomen en voor de daardoor ontstane schade geen verhaal zou bieden.
4.2.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Ten aanzien van het eerste verwijt heeft de rechtbank geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst aan beoordeling daarvan in de weg staat. De rechtbank heeft – samengevat – het volgende overwogen. Vast staat dat [geïntimeerden] in de eerdere procedure werden aangesproken uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid voor het handelen van [bedrijf 1] . De vaststellingsovereenkomst bevat uitsluitend verplichtingen voor [bedrijf 1] . De vaststellingsovereenkomst moet zo worden uitgelegd dat partijen daarin hebben afgesproken dat [appellant] aan [geïntimeerden] finale kwijting heeft verleend zonder dat daarvoor vereist was dat eerst [bedrijf 1] aan haar verplichtingen jegens [appellant] zou hebben voldaan. Daarmee heeft [appellant] afstand gedaan van zijn recht [geïntimeerden] in rechte aan te spreken voor feiten die zijn begrepen onder de finale kwijting. Daaronder vallen de vorderingen van [appellant] waarin hij [geïntimeerden] als indirect bestuurder van [bedrijf 1] aansprakelijk stelt voor de schade die hij lijdt door de tekortkomingen van [bedrijf 1] in de nakoming van de koopovereenkomst. Ten aanzien van het tweede verwijt heeft de rechtbank – kort gezegd – geoordeeld dat [geïntimeerden] geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt waardoor zij schadeplichtig zijn jegens [appellant] .
4.3.
Tegen de beslissing van de rechtbank en de motivering die daaraan ten grondslag ligt, komt [appellant] met vijf grieven op.
[appellant] kan [geïntimeerden] niet aanspreken voor niet nakomen koopovereenkomst
4.4.
Grieven I tot en met III richten zich tegen het oordeel van de rechtbank over (de uitleg van) de vaststellingsovereenkomst. [appellant] heeft zijn grieven als volgt toegelicht. Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat zij pas jegens elkaar zijn gekweten zodra [bedrijf 1] en [geïntimeerden] aan hun verplichtingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst zouden hebben voldaan. In zoverre is sprake van een voorwaardelijke vaststellingsovereenkomst, aangezien de finale kwijting pas wordt verleend na uitvoering van de in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen verplichtingen. Op grond van de vaststellingsovereenkomst rust in eerste instantie alleen op [bedrijf 1] een betalingsverplichting jegens [appellant] , maar als [bedrijf 1] deze betalingsverplichting niet nakomt, dan kan [appellant] zich (weer) op [geïntimeerden] verhalen. De grieven falen. Het hof legt hierna uit waarom.
4.5.
Het hof stelt voorop dat de vraag wat partijen hebben precies afgesproken in de vaststellingsovereenkomst en (dus) hoe de vaststellingsovereenkomst moet worden uitgelegd, afhangt van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex)). Daarbij moet de aard en de strekking van de overeenkomst in aanmerking worden genomen.
4.6.
Een vaststellingsovereenkomst is naar haar aard en strekking bedoeld om tussen partijen nieuw vast te stellen welke rechten en verplichtingen tussen hen zullen bestaan met betrekking tot de in die vaststellingsovereenkomst genoemde onderwerpen, waarbij die nieuw vastgestelde rechten en verplichtingen in de plaats komen van wat eerder tussen partijen (mogelijk) gold met betrekking tot diezelfde onderwerpen. Vanwege deze aard en strekking is over het algemeen gebruikelijk dat een vaststellingsovereenkomst een kwijtingsbepaling bevat die wil verduidelijken dat nakoming van die vaststellingsovereenkomst meebrengt dat partijen verder niets meer van elkaar te vorderen hebben met betrekking tot de onderwerpen die in die vaststellingsovereenkomst zijn genoemd. Kwijting bij nakoming van een vaststellingsovereenkomst betekent dus algehele, finale kwijting voor alle onderwerpen die in die vaststellingsovereenkomst zijn genoemd.
4.7.
Het ligt daarom voor de hand om de kwijtingsbepaling in artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst in diezelfde zin uit te leggen. Een dergelijke uitleg is ook in overeenstemming met de bewoordingen van deze bepaling. Bij die uitleg heeft [appellant] op grond van de vaststellingsovereenkomst nog slechts een vordering op [bedrijf 1] tot nakoming daarvan, en zijn bij nakoming door [bedrijf 1] zowel [bedrijf 1] als [geïntimeerden] definitief jegens [appellant] gekweten voor alle onderwerpen die in de vaststellingsovereenkomst zijn genoemd. Zolang [bedrijf 1] , na het opeisbaar worden van het overeengekomen bedrag, de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen, kan [appellant] tegen [bedrijf 1] een vordering tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst instellen, maar kan hij er bijvoorbeeld ook voor kiezen de vaststellingsovereenkomst te ontbinden. In dat laatste geval herleven de oorspronkelijke rechten en verplichtingen en kan [appellant] ook weer [geïntimeerden] aanspreken. Dat laatste kan hij niet zolang de vaststellingsovereenkomst van kracht is.
4.8.
[appellant] wil artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst echter anders uitleggen. Hij voert aan dat de bepaling dat na uitvoering van de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst kwijting wordt verleend voor de in de vaststellingsovereenkomst geregelde onderwerpen, betekent dat in de vaststellingsovereenkomst (slechts) een voorwaardelijke kwijting wordt verleend aan [geïntimeerden] Dit brengt volgens hem mee dat hij [geïntimeerden] dus nog steeds kan aanspreken uit hoofde van de oorspronkelijke rechtsverhoudingen zolang de voorwaarde niet is vervuld, dat wil zeggen zolang [bedrijf 1] de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen. Bij deze uitleg van artikel 7 kan de vaststellingsovereenkomst als het ware worden genegeerd zolang deze nog niet is nagekomen. Die gedachte houdt in wezen in dat de vaststellingsovereenkomst niet bindend is en ligt alleen al daarom niet voor de hand.
4.9.
Voor zover [appellant] bedoelt dat er op grond van de vaststellingsovereenkomst in eerste instantie een betalingsverplichting op [bedrijf 1] rust, maar dat hij bij het niet nakomen daarvan kan terugvallen op de oorspronkelijk tussen (alle) partijen bestaande rechtsverhoudingen, zou dit betekenen dat het niet nakomen een ontbindende voorwaarde is. Voor een dergelijke uitleg is in ieder geval geen steun te vinden in de bewoordingen van de overeenkomst.
4.10.
Niet gesteld of gebleken is dat bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst tussen partijen is gesproken over de precieze bewoordingen van artikel 7 en dat zij daarmee de uitleg bedoeld hebben die [appellant] in deze procedure daaraan nu wil geven, of dat [geïntimeerden] die uitleg hadden moeten begrijpen.
Conclusie
4.26.
De slotsom is dat het hoger beroep geen succes heeft. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Omdat [appellant] ongelijk krijgt, zal het hof [appellant] veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op vandaag aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 1.756 aan verschotten en € 5.640 voor salaris en op € 173 voor nasalaris, te vermeerderen met € 90 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, J.M. van den Berg en
Y. Steeg-Tijms en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.303.213/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/311969 / HA ZA 21-24
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 juli 2023
in de zaak van
[appellant]
,
wonende in [woonplaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. W. de Vis te Alkmaar,
tegen
[geïntimeerde 1]
,
[geïntimeerde 2]
,
beiden wonende in [woonplaats 2] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. M.A. le Belle te Alkmaar.
Partijen worden hierna [appellant] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] genoemd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] worden gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd.
1De zaak in het kort
[geïntimeerden] zijn (indirect) bestuurders van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). In 2017 zijn [bedrijf 1] , [appellant] en [geïntimeerden] verwikkeld geraakt in een procedure over een aantal koopovereenkomsten die [bedrijf 1] en [appellant] in 2014 en 2015 hebben gesloten. In de loop van die procedure hebben [bedrijf 1] , [appellant] en [geïntimeerden] een vaststellingsovereenkomst gesloten. [bedrijf 1] is haar verplichtingen onder de vaststellingsovereenkomst niet nagekomen. In deze procedure spreekt [appellant] [geïntimeerden] aan omdat zij volgens [appellant] als (indirect) bestuurders van [bedrijf 1] persoonlijk aansprakelijk jegens hem zijn. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. In dit hoger beroep beoordeelt het hof de vorderingen van [appellant] opnieuw en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.
Procesverloop
[appellant] is bij dagvaarding van 16 november 2021 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 18 augustus 2021, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie en verweerder in reconventie, en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie en eisers in reconventie (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord.
Partijen hebben de zaak op de mondelinge behandeling van 10 mei 2023 laten toelichten, [appellant] door mr. M.J.G. Stork, advocaat in Alkmaar en kantoorgenoot van zijn hiervoor genoemde advocaat, die gebruik heeft gemaakt van spreekaantekeningen waarvan exemplaren zijn overgelegd, en [geïntimeerden] door hun hiervoor genoemde advocaat. [appellant] heeft nog een productie in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog zijn vorderingen zal toewijzen en de reconventionele vorderingen van [geïntimeerden] afwijzen, met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties, met rente.
[geïntimeerden] hebben geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten.
[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.
Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 3. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen daarom ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
[appellant] belegt in onroerend goed.
3.2.
[bedrijf 1] is een onderneming die bemiddelt bij de handel, huur en verhuur van onroerend goed. [bedrijf 2] B.V. is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] . [geïntimeerde 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] B.V. en is daarmee indirect bestuurder van [bedrijf 1] . [geïntimeerde 2] is per 1 januari 2011 geen bestuurder meer van [bedrijf 2] B.V. Dit laatste is op 2 januari 2018 ingeschreven in het handelsregister.
3.3.
Partijen zijn in 2017 verwikkeld geraakt in een procedure over een aantal koopovereenkomsten die [bedrijf 1] en [appellant] in 2014 en 2015 hebben gesloten. In die procedure was [appellant] de eisende partij (in conventie). De gedaagde partijen waren [bedrijf 1] , [bedrijf 2] B.V. en [geïntimeerden] In die procedure heeft [appellant] de koopovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [appellant] met betrekking tot een perceel in [plaats] (hierna: de koopovereenkomst) ontbonden per de datum van de dagvaarding. In de procedure was onder andere de vraag aan de orde of [geïntimeerden] als (indirect) bestuurders van [bedrijf 1] aansprakelijk zijn jegens [appellant] voor het niet nakomen van de koopovereenkomst door [bedrijf 1] .
3.4.
Tijdens de mondelinge behandeling van die procedure op 27 maart 2018 hebben alle partijen een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst) gesloten. In de vaststellingsovereenkomst is – onder andere en voor zover hier relevant – het volgende bepaald:
"Tussen partijen is de navolgende vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen.
1. [bedrijf 1] B.V. zal aan [appellant] een bedrag betalen van € 204.175,-. Dit bedrag zal worden voldaan in zestig opeenvolgende maandelijkse termijnen van € 3.402,92, waarvan de eerste termijn betaald zal worden uiterlijk op 1 mei 2018. De daaropvolgende termijnen zullen telkens uiterlijk op de eerste dag van de maand worden voldaan. [bedrijf 1] B.V. mag per jaar maximaal tweemaal te laat betalen, waarbij de termijn met slechts één maand mag worden overschreden.
2. Indien [bedrijf 1] B.V. niet aan het bepaalde onder 1. voldoet, dan wordt het op dat moment nog openstaande bedrag terstond, zonder nadere kennisgeving, opeisbaar. (…)
(…)
7. Partijen verlenen elkaar na uitvoering van het bovenstaande finale kwijting ter zake van alle onderwerpen van dit geschil. (…)"
3.5.
[bedrijf 1] heeft zeven van de zestig termijnen aan [appellant] betaald, waarvan vijf termijnen (mei, juli, september, oktober en november 2018) te laat. In totaal heeft [bedrijf 1] € 23.820,44 betaald.
3.6.
[bedrijf 1] heeft het openstaande bedrag van € 180.354,56 onbetaald gelaten.
Beoordeling
4.1.
In deze procedure gaat het om de vraag of [geïntimeerden] persoonlijk aansprakelijk zijn jegens [appellant] voor de schade die hij stelt te hebben geleden, bestaande uit het bedrag dat [bedrijf 1] onbetaald heeft gelaten. [appellant] heeft een verklaring voor recht en schadevergoeding gevorderd omdat [geïntimeerden] als (indirect) bestuurders van [bedrijf 1] onrechtmatig jegens hem zouden hebben gehandeld. Ten eerste verwijt [appellant] [geïntimeerden] dat zij wisten of redelijkerwijs hadden behoren te begrijpen dat de door hen bewerkstelligde of toegelaten werkwijze tot gevolg zou hebben dat [bedrijf 1] haar verplichtingen uit de koopovereenkomst niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de daardoor veroorzaakte schade. Het tweede verwijt van [appellant] is dat [geïntimeerden] namens [bedrijf 1] de vaststellingsovereenkomst zijn aangegaan terwijl zij wisten of redelijkerwijs behoorden te weten dat [bedrijf 1] de vaststellingsovereenkomst niet kon nakomen en voor de daardoor ontstane schade geen verhaal zou bieden.
4.2.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Ten aanzien van het eerste verwijt heeft de rechtbank geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst aan beoordeling daarvan in de weg staat. De rechtbank heeft – samengevat – het volgende overwogen. Vast staat dat [geïntimeerden] in de eerdere procedure werden aangesproken uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid voor het handelen van [bedrijf 1] . De vaststellingsovereenkomst bevat uitsluitend verplichtingen voor [bedrijf 1] . De vaststellingsovereenkomst moet zo worden uitgelegd dat partijen daarin hebben afgesproken dat [appellant] aan [geïntimeerden] finale kwijting heeft verleend zonder dat daarvoor vereist was dat eerst [bedrijf 1] aan haar verplichtingen jegens [appellant] zou hebben voldaan. Daarmee heeft [appellant] afstand gedaan van zijn recht [geïntimeerden] in rechte aan te spreken voor feiten die zijn begrepen onder de finale kwijting. Daaronder vallen de vorderingen van [appellant] waarin hij [geïntimeerden] als indirect bestuurder van [bedrijf 1] aansprakelijk stelt voor de schade die hij lijdt door de tekortkomingen van [bedrijf 1] in de nakoming van de koopovereenkomst. Ten aanzien van het tweede verwijt heeft de rechtbank – kort gezegd – geoordeeld dat [geïntimeerden] geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt waardoor zij schadeplichtig zijn jegens [appellant] .
4.3.
Tegen de beslissing van de rechtbank en de motivering die daaraan ten grondslag ligt, komt [appellant] met vijf grieven op.
[appellant] kan [geïntimeerden] niet aanspreken voor niet nakomen koopovereenkomst
4.4.
Grieven I tot en met III richten zich tegen het oordeel van de rechtbank over (de uitleg van) de vaststellingsovereenkomst. [appellant] heeft zijn grieven als volgt toegelicht. Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat zij pas jegens elkaar zijn gekweten zodra [bedrijf 1] en [geïntimeerden] aan hun verplichtingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst zouden hebben voldaan. In zoverre is sprake van een voorwaardelijke vaststellingsovereenkomst, aangezien de finale kwijting pas wordt verleend na uitvoering van de in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen verplichtingen. Op grond van de vaststellingsovereenkomst rust in eerste instantie alleen op [bedrijf 1] een betalingsverplichting jegens [appellant] , maar als [bedrijf 1] deze betalingsverplichting niet nakomt, dan kan [appellant] zich (weer) op [geïntimeerden] verhalen. De grieven falen. Het hof legt hierna uit waarom.
4.5.
Het hof stelt voorop dat de vraag wat partijen hebben precies afgesproken in de vaststellingsovereenkomst en (dus) hoe de vaststellingsovereenkomst moet worden uitgelegd, afhangt van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex)). Daarbij moet de aard en de strekking van de overeenkomst in aanmerking worden genomen.
4.6.
Een vaststellingsovereenkomst is naar haar aard en strekking bedoeld om tussen partijen nieuw vast te stellen welke rechten en verplichtingen tussen hen zullen bestaan met betrekking tot de in die vaststellingsovereenkomst genoemde onderwerpen, waarbij die nieuw vastgestelde rechten en verplichtingen in de plaats komen van wat eerder tussen partijen (mogelijk) gold met betrekking tot diezelfde onderwerpen. Vanwege deze aard en strekking is over het algemeen gebruikelijk dat een vaststellingsovereenkomst een kwijtingsbepaling bevat die wil verduidelijken dat nakoming van die vaststellingsovereenkomst meebrengt dat partijen verder niets meer van elkaar te vorderen hebben met betrekking tot de onderwerpen die in die vaststellingsovereenkomst zijn genoemd. Kwijting bij nakoming van een vaststellingsovereenkomst betekent dus algehele, finale kwijting voor alle onderwerpen die in die vaststellingsovereenkomst zijn genoemd.
4.7.
Het ligt daarom voor de hand om de kwijtingsbepaling in artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst in diezelfde zin uit te leggen. Een dergelijke uitleg is ook in overeenstemming met de bewoordingen van deze bepaling. Bij die uitleg heeft [appellant] op grond van de vaststellingsovereenkomst nog slechts een vordering op [bedrijf 1] tot nakoming daarvan, en zijn bij nakoming door [bedrijf 1] zowel [bedrijf 1] als [geïntimeerden] definitief jegens [appellant] gekweten voor alle onderwerpen die in de vaststellingsovereenkomst zijn genoemd. Zolang [bedrijf 1] , na het opeisbaar worden van het overeengekomen bedrag, de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen, kan [appellant] tegen [bedrijf 1] een vordering tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst instellen, maar kan hij er bijvoorbeeld ook voor kiezen de vaststellingsovereenkomst te ontbinden. In dat laatste geval herleven de oorspronkelijke rechten en verplichtingen en kan [appellant] ook weer [geïntimeerden] aanspreken. Dat laatste kan hij niet zolang de vaststellingsovereenkomst van kracht is.
4.8.
[appellant] wil artikel 7 van de vaststellingsovereenkomst echter anders uitleggen. Hij voert aan dat de bepaling dat na uitvoering van de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst kwijting wordt verleend voor de in de vaststellingsovereenkomst geregelde onderwerpen, betekent dat in de vaststellingsovereenkomst (slechts) een voorwaardelijke kwijting wordt verleend aan [geïntimeerden] Dit brengt volgens hem mee dat hij [geïntimeerden] dus nog steeds kan aanspreken uit hoofde van de oorspronkelijke rechtsverhoudingen zolang de voorwaarde niet is vervuld, dat wil zeggen zolang [bedrijf 1] de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen. Bij deze uitleg van artikel 7 kan de vaststellingsovereenkomst als het ware worden genegeerd zolang deze nog niet is nagekomen. Die gedachte houdt in wezen in dat de vaststellingsovereenkomst niet bindend is en ligt alleen al daarom niet voor de hand.
4.9.
Voor zover [appellant] bedoelt dat er op grond van de vaststellingsovereenkomst in eerste instantie een betalingsverplichting op [bedrijf 1] rust, maar dat hij bij het niet nakomen daarvan kan terugvallen op de oorspronkelijk tussen (alle) partijen bestaande rechtsverhoudingen, zou dit betekenen dat het niet nakomen een ontbindende voorwaarde is. Voor een dergelijke uitleg is in ieder geval geen steun te vinden in de bewoordingen van de overeenkomst.
4.10.
Niet gesteld of gebleken is dat bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst tussen partijen is gesproken over de precieze bewoordingen van artikel 7 en dat zij daarmee de uitleg bedoeld hebben die [appellant] in deze procedure daaraan nu wil geven, of dat [geïntimeerden] die uitleg hadden moeten begrijpen.
Conclusie
4.26.
De slotsom is dat het hoger beroep geen succes heeft. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. Omdat [appellant] ongelijk krijgt, zal het hof [appellant] veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op vandaag aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 1.756 aan verschotten en € 5.640 voor salaris en op € 173 voor nasalaris, te vermeerderen met € 90 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, J.M. van den Berg en
Y. Steeg-Tijms en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.
Beoordeling
Die uitleg kan daarom niet worden aanvaard.
4.11.
De conclusie luidt dat [appellant] [geïntimeerden] niet in rechte kan aanspreken voor het niet nakomen door [bedrijf 1] van de koopovereenkomst omdat de vaststellingsovereenkomst daaraan in de weg staat. De grieven kunnen dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.
Geen bestuurdersaansprakelijkheid voor aangaan vaststellingsovereenkomst
4.12.
Met grieven IV en V komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerden] geen persoonlijk ernstig verwijt valt te maken van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst namens [bedrijf 1] en dat zij dus niet onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld. Deze grieven falen op grond van het volgende.
4.13.
Het hof stelt voorop dat uitgangspunt is dat als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Daarvoor is vereist dat die bestuurder van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval (HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470).
4.14.
Als de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen als deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt (HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel)). Als een schuldeiser op de hoogte is van de financiële situatie van de vennootschap en de slechte vooruitzichten op nakoming en verhaal, is dat een relevante omstandigheid bij de beoordeling (vgl. HR 5 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3362). In dat geval zal een schuldeiser niet snel met succes een dergelijke vordering tegen een bestuurder kunnen instellen (zie ook ECLI:NL:PHR:2021:819, gevolgd door HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:82 (artikel 81 RO)).
4.15.
[appellant] heeft gesteld dat [geïntimeerde 1] – [geïntimeerde 2] was geen bestuurder meer – met de vaststellingsovereenkomst verplichtingen namens [bedrijf 1] is aangegaan waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze niet konden worden nagekomen en [bedrijf 1] ook geen verhaal zou bieden. [bedrijf 1] zou namelijk niets meer verdienen aan – kort gezegd – de verkoop van het perceel in [plaats] , waar in de vaststellingsovereenkomst vanuit werd gegaan. [bedrijf 1] had de bemiddelingsvergoeding voor dat perceel immers al ontvangen. Ook had [bedrijf 1] in 2018 verschillende schulden, zonder dat er een mogelijke inkomstenbron in de pijplijn zat. Daarnaast blijkt uit de financiële stukken dat [bedrijf 1] in 2018 een zeer lage brutowinst had en een negatief eigen vermogen van € 139.019, aldus – nog steeds – [appellant] .
4.16.
Het hof is van oordeel dat deze omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat [geïntimeerde 1] persoonlijk aansprakelijk is jegens [appellant] . Allereerst is daarbij van belang dat [appellant] wist van de financiële situatie van [bedrijf 1] en de slechte vooruitzichten op nakoming en verhaal. Vast staat namelijk dat [geïntimeerde 1] [appellant] voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft verteld dat [bedrijf 1] geen gronden in eigendom had en ook geen andere (financiële) middelen beschikbaar had, en dat betaling door middel van een betalingsregeling zou moeten geschieden, zodat de termijnen uit de toekomstige exploitatie konden worden betaald. [appellant] wist dus vóór het sluiten van de vaststellingsovereenkomst dat betaling door [bedrijf 1] afhankelijk was van de toekomstige exploitatie en daarmee per definitie onzeker. Desondanks heeft [appellant] ervoor gekozen de vaststellingsovereenkomst aan te gaan.
4.17.
Bovendien is niet komen vast te staan dat die toekomstige exploitatie van [bedrijf 1] zodanig onzeker was dat [geïntimeerde 1] ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst wist of behoorde te weten dat de exploitatie onvoldoende zou zijn voor [bedrijf 1] om haar betalingsverplichtingen onder de vaststellingsovereenkomst na te komen. Dit wordt onderstreept door het feit dat [bedrijf 1] na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zeven maandtermijnen wél heeft betaald en ook nog een overeenkomst heeft gesloten voor de verkoop van een perceel grond. Verder is onweersproken dat in maart 2018 niet was te voorzien dat [bedrijf 1] vanaf februari 2019 geen transacties meer kon doen en de exploitatie vanaf dat moment dus geheel stilviel.
4.18.
De conclusie luidt dan ook dat [geïntimeerde 1] als (indirect) bestuurder van [bedrijf 1] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] door het aangaan van de vaststellingsovereenkomst namens [bedrijf 1] . Grieven IV en V falen.
Geen bestuurdersaansprakelijkheid voor tekortschieten koopovereenkomst door [bedrijf 1]
4.19.
Het hof ziet aanleiding voor een overweging ten overvloede.
4.20.
Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, is de vaststellingsovereenkomst in de plaats gekomen van de onderlinge rechtsverhoudingen tussen partijen zoals die daarvóór bestonden. Dat betekent dat zolang de vaststellingsovereenkomst van kracht is, [appellant] niet [geïntimeerden] kan aanspreken voor de daarin genoemde onderwerpen, en dus ook niet [geïntimeerden] als bestuurders van [bedrijf 1] aansprakelijk kan houden voor het feit dat [bedrijf 1] haar verplichten uit hoofde van de eerdere (ontbonden) koopovereenkomst niet is nagekomen. Zelfs als [appellant] dat wel zou kunnen (bijvoorbeeld na een eventuele ontbinding van de vaststellingsovereenkomst), zou zijn vordering op [geïntimeerden] echter niet toewijsbaar zijn. Het hof is namelijk van oordeel dat [geïntimeerden] niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellant] en licht dit als volgt toe.
4.21.
Volgens [appellant] ziet de onrechtmatigheid van de handelingen van [geïntimeerden] op het laten verdwijnen van de bedragen die [appellant] onder de koopovereenkomst aan [bedrijf 1] heeft betaald. [appellant] en [bedrijf 1] zijn uitdrukkelijk overeengekomen dat de betalingen door [appellant] alleen mogen worden aangewend voor de aankoop van de grond en dus niet mogen worden gebruikt voor de bedrijfsvoering. Omdat [geïntimeerden] de betalingen door [appellant] daarvoor wél hebben gebruikt, hebben zij als bestuurders het verhaal door [appellant] op [bedrijf 1] onmogelijk gemaakt, aldus steeds [appellant] .
4.22.
[geïntimeerden] hebben dit betwist. Tijdens de mondelinge behandeling hebben zij de volgende (nadere) toelichting gegeven. Het geld dat [appellant] aan [bedrijf 1] heeft betaald, is inderdaad niet apart gezet. Dat hoefde ook niet. Het geld dat binnenkwam op de zakelijke rekening van [bedrijf 1] werd gebruikt voor meerdere doeleinden. Als [appellant] de laatste termijn van de koopprijs op de derdengeldenrekening van de notaris had gestort, zou [bedrijf 1] te allen tijde de financiële middelen hebben gehad de gronden aan te kopen en deze te leveren aan [appellant] . Desnoods zou [geïntimeerde 1] vanuit privé wat bijstorten. In elk geval zou [bedrijf 1] de koopovereenkomst hebben kunnen nakomen.
Beoordeling
Die uitleg kan daarom niet worden aanvaard.
4.11.
De conclusie luidt dat [appellant] [geïntimeerden] niet in rechte kan aanspreken voor het niet nakomen door [bedrijf 1] van de koopovereenkomst omdat de vaststellingsovereenkomst daaraan in de weg staat. De grieven kunnen dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.
Geen bestuurdersaansprakelijkheid voor aangaan vaststellingsovereenkomst
4.12.
Met grieven IV en V komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerden] geen persoonlijk ernstig verwijt valt te maken van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst namens [bedrijf 1] en dat zij dus niet onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld. Deze grieven falen op grond van het volgende.
4.13.
Het hof stelt voorop dat uitgangspunt is dat als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Daarvoor is vereist dat die bestuurder van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval (HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470).
4.14.
Als de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen als deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt (HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel)). Als een schuldeiser op de hoogte is van de financiële situatie van de vennootschap en de slechte vooruitzichten op nakoming en verhaal, is dat een relevante omstandigheid bij de beoordeling (vgl. HR 5 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3362). In dat geval zal een schuldeiser niet snel met succes een dergelijke vordering tegen een bestuurder kunnen instellen (zie ook ECLI:NL:PHR:2021:819, gevolgd door HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:82 (artikel 81 RO)).
4.15.
[appellant] heeft gesteld dat [geïntimeerde 1] – [geïntimeerde 2] was geen bestuurder meer – met de vaststellingsovereenkomst verplichtingen namens [bedrijf 1] is aangegaan waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze niet konden worden nagekomen en [bedrijf 1] ook geen verhaal zou bieden. [bedrijf 1] zou namelijk niets meer verdienen aan – kort gezegd – de verkoop van het perceel in [plaats] , waar in de vaststellingsovereenkomst vanuit werd gegaan. [bedrijf 1] had de bemiddelingsvergoeding voor dat perceel immers al ontvangen. Ook had [bedrijf 1] in 2018 verschillende schulden, zonder dat er een mogelijke inkomstenbron in de pijplijn zat. Daarnaast blijkt uit de financiële stukken dat [bedrijf 1] in 2018 een zeer lage brutowinst had en een negatief eigen vermogen van € 139.019, aldus – nog steeds – [appellant] .
4.16.
Het hof is van oordeel dat deze omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat [geïntimeerde 1] persoonlijk aansprakelijk is jegens [appellant] . Allereerst is daarbij van belang dat [appellant] wist van de financiële situatie van [bedrijf 1] en de slechte vooruitzichten op nakoming en verhaal. Vast staat namelijk dat [geïntimeerde 1] [appellant] voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft verteld dat [bedrijf 1] geen gronden in eigendom had en ook geen andere (financiële) middelen beschikbaar had, en dat betaling door middel van een betalingsregeling zou moeten geschieden, zodat de termijnen uit de toekomstige exploitatie konden worden betaald. [appellant] wist dus vóór het sluiten van de vaststellingsovereenkomst dat betaling door [bedrijf 1] afhankelijk was van de toekomstige exploitatie en daarmee per definitie onzeker. Desondanks heeft [appellant] ervoor gekozen de vaststellingsovereenkomst aan te gaan.
4.17.
Bovendien is niet komen vast te staan dat die toekomstige exploitatie van [bedrijf 1] zodanig onzeker was dat [geïntimeerde 1] ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst wist of behoorde te weten dat de exploitatie onvoldoende zou zijn voor [bedrijf 1] om haar betalingsverplichtingen onder de vaststellingsovereenkomst na te komen. Dit wordt onderstreept door het feit dat [bedrijf 1] na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zeven maandtermijnen wél heeft betaald en ook nog een overeenkomst heeft gesloten voor de verkoop van een perceel grond. Verder is onweersproken dat in maart 2018 niet was te voorzien dat [bedrijf 1] vanaf februari 2019 geen transacties meer kon doen en de exploitatie vanaf dat moment dus geheel stilviel.
4.18.
De conclusie luidt dan ook dat [geïntimeerde 1] als (indirect) bestuurder van [bedrijf 1] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] door het aangaan van de vaststellingsovereenkomst namens [bedrijf 1] . Grieven IV en V falen.
Geen bestuurdersaansprakelijkheid voor tekortschieten koopovereenkomst door [bedrijf 1]
4.19.
Het hof ziet aanleiding voor een overweging ten overvloede.
4.20.
Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, is de vaststellingsovereenkomst in de plaats gekomen van de onderlinge rechtsverhoudingen tussen partijen zoals die daarvóór bestonden. Dat betekent dat zolang de vaststellingsovereenkomst van kracht is, [appellant] niet [geïntimeerden] kan aanspreken voor de daarin genoemde onderwerpen, en dus ook niet [geïntimeerden] als bestuurders van [bedrijf 1] aansprakelijk kan houden voor het feit dat [bedrijf 1] haar verplichten uit hoofde van de eerdere (ontbonden) koopovereenkomst niet is nagekomen. Zelfs als [appellant] dat wel zou kunnen (bijvoorbeeld na een eventuele ontbinding van de vaststellingsovereenkomst), zou zijn vordering op [geïntimeerden] echter niet toewijsbaar zijn. Het hof is namelijk van oordeel dat [geïntimeerden] niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellant] en licht dit als volgt toe.
4.21.
Volgens [appellant] ziet de onrechtmatigheid van de handelingen van [geïntimeerden] op het laten verdwijnen van de bedragen die [appellant] onder de koopovereenkomst aan [bedrijf 1] heeft betaald. [appellant] en [bedrijf 1] zijn uitdrukkelijk overeengekomen dat de betalingen door [appellant] alleen mogen worden aangewend voor de aankoop van de grond en dus niet mogen worden gebruikt voor de bedrijfsvoering. Omdat [geïntimeerden] de betalingen door [appellant] daarvoor wél hebben gebruikt, hebben zij als bestuurders het verhaal door [appellant] op [bedrijf 1] onmogelijk gemaakt, aldus steeds [appellant] .
4.22.
[geïntimeerden] hebben dit betwist. Tijdens de mondelinge behandeling hebben zij de volgende (nadere) toelichting gegeven. Het geld dat [appellant] aan [bedrijf 1] heeft betaald, is inderdaad niet apart gezet. Dat hoefde ook niet. Het geld dat binnenkwam op de zakelijke rekening van [bedrijf 1] werd gebruikt voor meerdere doeleinden. Als [appellant] de laatste termijn van de koopprijs op de derdengeldenrekening van de notaris had gestort, zou [bedrijf 1] te allen tijde de financiële middelen hebben gehad de gronden aan te kopen en deze te leveren aan [appellant] . Desnoods zou [geïntimeerde 1] vanuit privé wat bijstorten. In elk geval zou [bedrijf 1] de koopovereenkomst hebben kunnen nakomen.
Beoordeling
Die uitleg kan daarom niet worden aanvaard.
4.11.
De conclusie luidt dat [appellant] [geïntimeerden] niet in rechte kan aanspreken voor het niet nakomen door [bedrijf 1] van de koopovereenkomst omdat de vaststellingsovereenkomst daaraan in de weg staat. De grieven kunnen dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.
Geen bestuurdersaansprakelijkheid voor aangaan vaststellingsovereenkomst
4.12.
Met grieven IV en V komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerden] geen persoonlijk ernstig verwijt valt te maken van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst namens [bedrijf 1] en dat zij dus niet onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld. Deze grieven falen op grond van het volgende.
4.13.
Het hof stelt voorop dat uitgangspunt is dat als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Daarvoor is vereist dat die bestuurder van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval (HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470).
4.14.
Als de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen als deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt (HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521 (Beklamel)). Als een schuldeiser op de hoogte is van de financiële situatie van de vennootschap en de slechte vooruitzichten op nakoming en verhaal, is dat een relevante omstandigheid bij de beoordeling (vgl. HR 5 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3362). In dat geval zal een schuldeiser niet snel met succes een dergelijke vordering tegen een bestuurder kunnen instellen (zie ook ECLI:NL:PHR:2021:819, gevolgd door HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:82 (artikel 81 RO)).
4.15.
[appellant] heeft gesteld dat [geïntimeerde 1] – [geïntimeerde 2] was geen bestuurder meer – met de vaststellingsovereenkomst verplichtingen namens [bedrijf 1] is aangegaan waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze niet konden worden nagekomen en [bedrijf 1] ook geen verhaal zou bieden. [bedrijf 1] zou namelijk niets meer verdienen aan – kort gezegd – de verkoop van het perceel in [plaats] , waar in de vaststellingsovereenkomst vanuit werd gegaan. [bedrijf 1] had de bemiddelingsvergoeding voor dat perceel immers al ontvangen. Ook had [bedrijf 1] in 2018 verschillende schulden, zonder dat er een mogelijke inkomstenbron in de pijplijn zat. Daarnaast blijkt uit de financiële stukken dat [bedrijf 1] in 2018 een zeer lage brutowinst had en een negatief eigen vermogen van € 139.019, aldus – nog steeds – [appellant] .
4.16.
Het hof is van oordeel dat deze omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat [geïntimeerde 1] persoonlijk aansprakelijk is jegens [appellant] . Allereerst is daarbij van belang dat [appellant] wist van de financiële situatie van [bedrijf 1] en de slechte vooruitzichten op nakoming en verhaal. Vast staat namelijk dat [geïntimeerde 1] [appellant] voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft verteld dat [bedrijf 1] geen gronden in eigendom had en ook geen andere (financiële) middelen beschikbaar had, en dat betaling door middel van een betalingsregeling zou moeten geschieden, zodat de termijnen uit de toekomstige exploitatie konden worden betaald. [appellant] wist dus vóór het sluiten van de vaststellingsovereenkomst dat betaling door [bedrijf 1] afhankelijk was van de toekomstige exploitatie en daarmee per definitie onzeker. Desondanks heeft [appellant] ervoor gekozen de vaststellingsovereenkomst aan te gaan.
4.17.
Bovendien is niet komen vast te staan dat die toekomstige exploitatie van [bedrijf 1] zodanig onzeker was dat [geïntimeerde 1] ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst wist of behoorde te weten dat de exploitatie onvoldoende zou zijn voor [bedrijf 1] om haar betalingsverplichtingen onder de vaststellingsovereenkomst na te komen. Dit wordt onderstreept door het feit dat [bedrijf 1] na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst zeven maandtermijnen wél heeft betaald en ook nog een overeenkomst heeft gesloten voor de verkoop van een perceel grond. Verder is onweersproken dat in maart 2018 niet was te voorzien dat [bedrijf 1] vanaf februari 2019 geen transacties meer kon doen en de exploitatie vanaf dat moment dus geheel stilviel.
4.18.
De conclusie luidt dan ook dat [geïntimeerde 1] als (indirect) bestuurder van [bedrijf 1] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] door het aangaan van de vaststellingsovereenkomst namens [bedrijf 1] . Grieven IV en V falen.
Geen bestuurdersaansprakelijkheid voor tekortschieten koopovereenkomst door [bedrijf 1]
4.19.
Het hof ziet aanleiding voor een overweging ten overvloede.
4.20.
Zoals het hof hiervoor heeft overwogen, is de vaststellingsovereenkomst in de plaats gekomen van de onderlinge rechtsverhoudingen tussen partijen zoals die daarvóór bestonden. Dat betekent dat zolang de vaststellingsovereenkomst van kracht is, [appellant] niet [geïntimeerden] kan aanspreken voor de daarin genoemde onderwerpen, en dus ook niet [geïntimeerden] als bestuurders van [bedrijf 1] aansprakelijk kan houden voor het feit dat [bedrijf 1] haar verplichten uit hoofde van de eerdere (ontbonden) koopovereenkomst niet is nagekomen. Zelfs als [appellant] dat wel zou kunnen (bijvoorbeeld na een eventuele ontbinding van de vaststellingsovereenkomst), zou zijn vordering op [geïntimeerden] echter niet toewijsbaar zijn. Het hof is namelijk van oordeel dat [geïntimeerden] niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens [appellant] en licht dit als volgt toe.
4.21.
Volgens [appellant] ziet de onrechtmatigheid van de handelingen van [geïntimeerden] op het laten verdwijnen van de bedragen die [appellant] onder de koopovereenkomst aan [bedrijf 1] heeft betaald. [appellant] en [bedrijf 1] zijn uitdrukkelijk overeengekomen dat de betalingen door [appellant] alleen mogen worden aangewend voor de aankoop van de grond en dus niet mogen worden gebruikt voor de bedrijfsvoering. Omdat [geïntimeerden] de betalingen door [appellant] daarvoor wél hebben gebruikt, hebben zij als bestuurders het verhaal door [appellant] op [bedrijf 1] onmogelijk gemaakt, aldus steeds [appellant] .
4.22.
[geïntimeerden] hebben dit betwist. Tijdens de mondelinge behandeling hebben zij de volgende (nadere) toelichting gegeven. Het geld dat [appellant] aan [bedrijf 1] heeft betaald, is inderdaad niet apart gezet. Dat hoefde ook niet. Het geld dat binnenkwam op de zakelijke rekening van [bedrijf 1] werd gebruikt voor meerdere doeleinden. Als [appellant] de laatste termijn van de koopprijs op de derdengeldenrekening van de notaris had gestort, zou [bedrijf 1] te allen tijde de financiële middelen hebben gehad de gronden aan te kopen en deze te leveren aan [appellant] . Desnoods zou [geïntimeerde 1] vanuit privé wat bijstorten. In elk geval zou [bedrijf 1] de koopovereenkomst hebben kunnen nakomen.