Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2022-04-19
ECLI:NL:GHAMS:2022:1167
Civiel recht
Hoger beroep
4,798 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.247.666/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/631363 / HA ZA 17-660
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 april 2022
inzake
1FINANCIAL PERFORMANCE HOLDINGS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR YUKOS INTERNATIONAL,
gevestigd te Amsterdam,
3. de vennootschap naar vreemd recht
YUKOS CAPITAL LIMITED,
gevestigd te Road Town, Tortola, Britse Maagdeneilanden,
appellanten,
advocaat: mr. E.R. Meerdink te Amsterdam,
tegen
de vennootschap naar vreemd recht
OOO PROMNEFTSTROY,
gevestigd te Moskou, Russische Federatie,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.S. Meijer te Amsterdam.
Appellanten worden hierna FPH, de STAK en Yukos Capital en gezamenlijk FPH c.s. genoemd. Geïntimeerde wordt Promneftstroy genoemd.
1De zaak in het kort
In 2005 heeft Yukos Oil aandelen in een dochtermaatschappij overgedragen aan de STAK . In 2006 heeft de Russische rechter Yukos Oil failliet verklaard. FPH en Yukos Capital stellen dat zij grote vorderingen op Yukos Oil hebben. In verband daarmee hebben zij in 2007 in Nederland conservatoir beslag doen leggen op de door Yukos Oil gehouden aandelen in Yukos Finance B.V. De curator in het Russische faillissement heeft handelingen verricht die strekken tot verkoop en levering van de aandelen aan Promneftstroy. Hierbij is een beding overeengekomen van de strekking, kort gezegd, dat de aandelen onder omstandigheden geacht worden niet te zijn overgedragen. In dit geding doen FPH c.s. een beroep op dat beding. Bij de uitleg van het beding speelt het begrip “onttrekking” een rol.
2Verder verloop van het geding in hoger beroep
Bij arrest van 4 februari 2020 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor aktewisseling. Daarna hebben FPH c.s. een akte en heeft Promneftstroy een antwoordakte ingediend. Vervolgens is opnieuw arrest gevraagd.
3Verdere beoordeling
3.1
FPH c.s. hebben diverse verklaringen voor recht gevorderd die betrekking hebben op de vraag of de aandelenoverdracht van 10 september 2007 aangemerkt moet worden als “an evasion of the Shares” in de zin van art. 8.4 van de koopovereenkomst (hierna: het onttrekkingsbeding). De rechtbank heeft de vorderingen van FPH c.s. afgewezen. Hiertegen hebben FPH c.s. drie grieven aangevoerd. In hoger beroep hebben zij hun vorderingen gewijzigd. Het hof zal recht doen op de gewijzigde eis.
3.2
De koopovereenkomst dient – ook waar de betekenis voor de rechtspositie van derden in het geding is – te worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. In de eerste volzin van art. 8.3 van de koopovereenkomst wordt “evasion” gelijkgesteld aan: “onttrekking aan”. Zowel FPH c.s. als Promneftstroy hebben aangevoerd dat art. 8.3 en art. 8.4 op verlangen van de betrokken notaris in de koopovereenkomst zijn opgenomen ter vermijding van het risico dat het overdragen van de aandelen gezien zou worden als het plegen van het in art. 198 lid 1 Sr omschreven misdrijf. Daarom is voor de uitleg van het onttrekkingsbeding van belang of de aandelenoverdracht voldoet aan de delictsomschrijving in die wetsbepaling.
3.3
Voor de vraag of sprake is van onttrekken in de zin van art. 198 Sr is niet relevant of de beslaglegger door de gedraging benadeeld – of bevoordeeld – is, aangezien art. 198 Sr niet beoogt de belangen van de beslaglegger te beschermen doch strekt tot eerbiediging van een daad van het openbaar gezag (zie laatstelijk: HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:593). Deze aandelenoverdracht eerbiedigt de beslagleggingen niet, in elk geval niet jegens het openbaar gezag (vertegenwoordigd door de deurwaarders die de beslagen hebben gelegd). Voor het aannemen van een gebrek aan eerbiediging als hier bedoeld is niet nodig dat het beslagen goed daadwerkelijk verdwijnt, wordt vernietigd of in waarde wordt teruggebracht. Voldoende is dat het goed in weerwil van het beslag wordt vervreemd of bezwaard. Daarom moet de aandelenoverdracht van 10 september 2007 aangemerkt worden als een onttrekking in de zin van art. 198 lid 1 Sr en daarmee als “an evasion of the Shares” in de zin van het onttrekkingsbeding. Promneftstroy heeft niet voldoende feiten gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat partijen bij de koopovereenkomst of derden het onttrekkingsbeding redelijkerwijs anders mochten of moesten begrijpen of redelijkerwijs mochten of moesten begrijpen dat relevante anderen een andere betekenis aan het beding zouden toekennen.
3.4
De omstandigheden die in art. 8.3 van de koopovereenkomst onder (i) tot en met (vii) worden genoemd, doen niet eraan af dat de aandelenoverdracht de beslagleggingen niet eerbiedigt jegens het openbaar gezag. Daarom leiden zij niet tot een ander oordeel.
3.5
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bestaat er geen tegenstrijdigheid tussen art. 474e Rv en art. 198 lid 1 Sr (ook niet als de rechtspraak van de Hoge Raad over beide wetsbepalingen in aanmerking wordt genomen). De omstandigheid dat een na het beslag tot stand gekomen vervreemding van aandelen niet aan de beslaglegger kan worden tegengeworpen, doet er niet aan af dat degene die beslagen aandelen vervreemdt of bezwaart, de beslaglegging niet eerbiedigt jegens het openbaar gezag. Een vervreemding of bezwaring van een beslagen aandeel is weliswaar (civielrechtelijk) niet absoluut nietig, maar zij levert wel onttrekken in de zin van art. 198 lid 1 Sr op en dus (als ook aan de overige bestanddelen van art. 198 lid 1 Sr is voldaan) een strafbaar feit volgens de wet. De wetsgeschiedenis van art. 474e Rv en art. 198 lid 1 Sr en de rechtsgeleerde literatuur brengen het hof niet tot een ander oordeel. In het midden kan dus ook blijven of de partijen bij de koopovereenkomst hebben gehandeld met het opzet de verhaalsmogelijkheden van de beslagleggers te beperken.
3.6
Promneftstroy heeft aangevoerd dat aan FPH c.s. geen beroep op het onttrekkingsbeding toekomt, omdat zij geen partij zijn bij de koopovereenkomst en de leveringsakte. Dit betoog faalt op grond van het volgende.
Art. 8.4 van de koopovereenkomst bepaalt dat indien aan de daar geformuleerde voorwaarde is voldaan “the Shares will not be deemed to have been transferred under the Deed of Transfer”. Deze bewoordingen wijzen erop dat eenieder die belang heeft bij de vaststelling dat de aandelen niet zijn overgedragen, een beroep kan doen op art. 8.4 van de koopovereenkomst, dus ook anderen dan partijen bij de koopovereenkomst. De bewoordingen worden herhaald in art. 8.3 van de leveringsakte. Kennelijk is beoogd daaraan (ook voor derden relevante) goederenrechtelijke werking te verbinden. Promneftstroy heeft niet voldoende feiten gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat partijen bij de koopovereenkomst of derden die een beroep willen doen op het onttrekkingsbeding, het beding redelijkerwijs anders moesten of mochten opvatten of redelijkerwijs mochten of moesten verwachten dat relevante anderen een andere betekenis aan het beding zouden toekennen. De omstandigheid dat het beding op verlangen van de notaris is opgenomen, levert geen aanwijzing op voor de slotsom dat andere derden dan de notaris geen beroep op het beding zouden kunnen doen, ook niet als zij daar belang bij hebben. Aan FPH c.s. komt daarom een beroep toe op art. 8.4 van de koopovereenkomst.
3.7
Promneftstroy heeft aangevoerd dat FPH c.s. niet onmiddellijk betrokken zijn bij de rechtsverhouding waarop de gevorderde verklaringen voor recht zien. Dit betoog faalt.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
verklaart voor recht dat de aandelenoverdracht van 10 september 2007 dient te worden aangemerkt als “an evasion of the Shares” in de zin van art. 8.4 van de koopovereenkomst en in de zin van art. 8.3 van de leveringsakte, zodat indien dit arrest in kracht van gewijsde gaat, vanaf de datum waarop dat gebeurt, de aandelen (ook op die grond) geacht zullen worden nooit te zijn overgedragen aan Promneftstroy;
veroordeelt Promneftstroy in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van FPH c.s. begroot op € 679,81 aan verschotten en € 1.086,- voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 726,- aan verschotten en € 1.671,- voor salaris en op € 163,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 85,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell, W.A.H. Melissen en G.C.C. Lewin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 april 2022.
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.247.666/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/631363 / HA ZA 17-660
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 april 2022
inzake
1FINANCIAL PERFORMANCE HOLDINGS B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR YUKOS INTERNATIONAL,
gevestigd te Amsterdam,
3. de vennootschap naar vreemd recht
YUKOS CAPITAL LIMITED,
gevestigd te Road Town, Tortola, Britse Maagdeneilanden,
appellanten,
advocaat: mr. E.R. Meerdink te Amsterdam,
tegen
de vennootschap naar vreemd recht
OOO PROMNEFTSTROY,
gevestigd te Moskou, Russische Federatie,
geïntimeerde,
advocaat: mr. R.S. Meijer te Amsterdam.
Appellanten worden hierna FPH, de STAK en Yukos Capital en gezamenlijk FPH c.s. genoemd. Geïntimeerde wordt Promneftstroy genoemd.
1De zaak in het kort
In 2005 heeft Yukos Oil aandelen in een dochtermaatschappij overgedragen aan de STAK . In 2006 heeft de Russische rechter Yukos Oil failliet verklaard. FPH en Yukos Capital stellen dat zij grote vorderingen op Yukos Oil hebben. In verband daarmee hebben zij in 2007 in Nederland conservatoir beslag doen leggen op de door Yukos Oil gehouden aandelen in Yukos Finance B.V. De curator in het Russische faillissement heeft handelingen verricht die strekken tot verkoop en levering van de aandelen aan Promneftstroy. Hierbij is een beding overeengekomen van de strekking, kort gezegd, dat de aandelen onder omstandigheden geacht worden niet te zijn overgedragen. In dit geding doen FPH c.s. een beroep op dat beding. Bij de uitleg van het beding speelt het begrip “onttrekking” een rol.
2Verder verloop van het geding in hoger beroep
Bij arrest van 4 februari 2020 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor aktewisseling. Daarna hebben FPH c.s. een akte en heeft Promneftstroy een antwoordakte ingediend. Vervolgens is opnieuw arrest gevraagd.
3Verdere beoordeling
3.1
FPH c.s. hebben diverse verklaringen voor recht gevorderd die betrekking hebben op de vraag of de aandelenoverdracht van 10 september 2007 aangemerkt moet worden als “an evasion of the Shares” in de zin van art. 8.4 van de koopovereenkomst (hierna: het onttrekkingsbeding). De rechtbank heeft de vorderingen van FPH c.s. afgewezen. Hiertegen hebben FPH c.s. drie grieven aangevoerd. In hoger beroep hebben zij hun vorderingen gewijzigd. Het hof zal recht doen op de gewijzigde eis.
3.2
De koopovereenkomst dient – ook waar de betekenis voor de rechtspositie van derden in het geding is – te worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. In de eerste volzin van art. 8.3 van de koopovereenkomst wordt “evasion” gelijkgesteld aan: “onttrekking aan”. Zowel FPH c.s. als Promneftstroy hebben aangevoerd dat art. 8.3 en art. 8.4 op verlangen van de betrokken notaris in de koopovereenkomst zijn opgenomen ter vermijding van het risico dat het overdragen van de aandelen gezien zou worden als het plegen van het in art. 198 lid 1 Sr omschreven misdrijf. Daarom is voor de uitleg van het onttrekkingsbeding van belang of de aandelenoverdracht voldoet aan de delictsomschrijving in die wetsbepaling.
3.3
Voor de vraag of sprake is van onttrekken in de zin van art. 198 Sr is niet relevant of de beslaglegger door de gedraging benadeeld – of bevoordeeld – is, aangezien art. 198 Sr niet beoogt de belangen van de beslaglegger te beschermen doch strekt tot eerbiediging van een daad van het openbaar gezag (zie laatstelijk: HR 16 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:593). Deze aandelenoverdracht eerbiedigt de beslagleggingen niet, in elk geval niet jegens het openbaar gezag (vertegenwoordigd door de deurwaarders die de beslagen hebben gelegd). Voor het aannemen van een gebrek aan eerbiediging als hier bedoeld is niet nodig dat het beslagen goed daadwerkelijk verdwijnt, wordt vernietigd of in waarde wordt teruggebracht. Voldoende is dat het goed in weerwil van het beslag wordt vervreemd of bezwaard. Daarom moet de aandelenoverdracht van 10 september 2007 aangemerkt worden als een onttrekking in de zin van art. 198 lid 1 Sr en daarmee als “an evasion of the Shares” in de zin van het onttrekkingsbeding. Promneftstroy heeft niet voldoende feiten gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat partijen bij de koopovereenkomst of derden het onttrekkingsbeding redelijkerwijs anders mochten of moesten begrijpen of redelijkerwijs mochten of moesten begrijpen dat relevante anderen een andere betekenis aan het beding zouden toekennen.
3.4
De omstandigheden die in art. 8.3 van de koopovereenkomst onder (i) tot en met (vii) worden genoemd, doen niet eraan af dat de aandelenoverdracht de beslagleggingen niet eerbiedigt jegens het openbaar gezag. Daarom leiden zij niet tot een ander oordeel.
3.5
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bestaat er geen tegenstrijdigheid tussen art. 474e Rv en art. 198 lid 1 Sr (ook niet als de rechtspraak van de Hoge Raad over beide wetsbepalingen in aanmerking wordt genomen). De omstandigheid dat een na het beslag tot stand gekomen vervreemding van aandelen niet aan de beslaglegger kan worden tegengeworpen, doet er niet aan af dat degene die beslagen aandelen vervreemdt of bezwaart, de beslaglegging niet eerbiedigt jegens het openbaar gezag. Een vervreemding of bezwaring van een beslagen aandeel is weliswaar (civielrechtelijk) niet absoluut nietig, maar zij levert wel onttrekken in de zin van art. 198 lid 1 Sr op en dus (als ook aan de overige bestanddelen van art. 198 lid 1 Sr is voldaan) een strafbaar feit volgens de wet. De wetsgeschiedenis van art. 474e Rv en art. 198 lid 1 Sr en de rechtsgeleerde literatuur brengen het hof niet tot een ander oordeel. In het midden kan dus ook blijven of de partijen bij de koopovereenkomst hebben gehandeld met het opzet de verhaalsmogelijkheden van de beslagleggers te beperken.
3.6
Promneftstroy heeft aangevoerd dat aan FPH c.s. geen beroep op het onttrekkingsbeding toekomt, omdat zij geen partij zijn bij de koopovereenkomst en de leveringsakte. Dit betoog faalt op grond van het volgende.
Art. 8.4 van de koopovereenkomst bepaalt dat indien aan de daar geformuleerde voorwaarde is voldaan “the Shares will not be deemed to have been transferred under the Deed of Transfer”. Deze bewoordingen wijzen erop dat eenieder die belang heeft bij de vaststelling dat de aandelen niet zijn overgedragen, een beroep kan doen op art. 8.4 van de koopovereenkomst, dus ook anderen dan partijen bij de koopovereenkomst. De bewoordingen worden herhaald in art. 8.3 van de leveringsakte. Kennelijk is beoogd daaraan (ook voor derden relevante) goederenrechtelijke werking te verbinden. Promneftstroy heeft niet voldoende feiten gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat partijen bij de koopovereenkomst of derden die een beroep willen doen op het onttrekkingsbeding, het beding redelijkerwijs anders moesten of mochten opvatten of redelijkerwijs mochten of moesten verwachten dat relevante anderen een andere betekenis aan het beding zouden toekennen. De omstandigheid dat het beding op verlangen van de notaris is opgenomen, levert geen aanwijzing op voor de slotsom dat andere derden dan de notaris geen beroep op het beding zouden kunnen doen, ook niet als zij daar belang bij hebben. Aan FPH c.s. komt daarom een beroep toe op art. 8.4 van de koopovereenkomst.
3.7
Promneftstroy heeft aangevoerd dat FPH c.s. niet onmiddellijk betrokken zijn bij de rechtsverhouding waarop de gevorderde verklaringen voor recht zien. Dit betoog faalt.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
verklaart voor recht dat de aandelenoverdracht van 10 september 2007 dient te worden aangemerkt als “an evasion of the Shares” in de zin van art. 8.4 van de koopovereenkomst en in de zin van art. 8.3 van de leveringsakte, zodat indien dit arrest in kracht van gewijsde gaat, vanaf de datum waarop dat gebeurt, de aandelen (ook op die grond) geacht zullen worden nooit te zijn overgedragen aan Promneftstroy;
veroordeelt Promneftstroy in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van FPH c.s. begroot op € 679,81 aan verschotten en € 1.086,- voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 726,- aan verschotten en € 1.671,- voor salaris en op € 163,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 85,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell, W.A.H. Melissen en G.C.C. Lewin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 april 2022.