Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2021-09-21
ECLI:NL:GHAMS:2021:2968
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,997 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Zaaknummer: 200.295.710/01
Zaaknummer rechtbank: C/15/314502 / JU RK 21-523
Beschikking van de meervoudige kamer van 21 september 2021 inzake
[de moeder]
,
wonende op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.J.C. Engels te Heerhugowaard,
en
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam (hierna te noemen: de GI);
- de minderjarige [kind 1] (hierna te noemen: [kind 1] );
- de minderjarige [kind 2] (hierna te noemen: [kind 2] ).
1Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter), van 6 april 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1
De moeder is op 16 juni 2021 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 6 april 2021.
2.2
De raad heeft op 2 augustus 2021 een verweerschrift ingediend.
2.3
Bij het hof is voorts het volgende stuk ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de moeder van 20 juli 2021, met een bijlage, ingekomen op 30 juli 2021.
2.4
Het hof heeft [kind 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 13 augustus 2021 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw D.M. van Dijk;
- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager en een collega.
Feiten
3.1
Uit de (inmiddels verbroken) relatie van de moeder en [X] (hierna te noemen: [X] ) is [kind 1] geboren, [in] 2009 te [geboorteplaats] . De moeder oefent alleen het gezag uit over [kind 1] . [X] heeft [kind 1] erkend.
De moeder is daarnaast moeder van [kind 2] , geboren [in] 2016 te [geboorteplaats] . De moeder oefent alleen het gezag uit over [kind 2] . [Y] (hierna verder te noemen: [Y] ) heeft [kind 2] erkend.
[kind 1] en [kind 2] (hierna samen ook: de kinderen) wonen bij de moeder.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking zijn [kind 1] en [kind 2] , overeenkomstig het verzoek van de raad, onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twaalf maanden, met ingang van 6 april 2021 tot 6 april 2022.
4.2
De moeder verzoekt primair de bestreden beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek van de raad af te wijzen. Subsidiair verzoekt de moeder te bepalen dat de ondertoezichtstelling wordt opgelegd voor een maximale duur van zes maanden, meer specifiek van 6 april 2021 tot 6 oktober 2021.
4.3
De raad verzoekt het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Motivering
5.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.2
De moeder betoogt dat de ondertoezichtstelling ongefundeerd, ongegrond en in strijd met de wet is uitgesproken en voert daartoe het volgende aan.
De legitimatie voor de oplegging van de ondertoezichtstelling ontbreekt, omdat de moeder bereid en beschikbaar is om aan alle hulpverlening haar medewerking te verlenen. De wettelijk geformuleerde gronden tot oplegging van de ondertoezichtstelling zijn niet aanwezig, althans niet in die mate dat de oplegging van een jeugdbeschermingsmaatregel noodzakelijk is. Het betreft een discretionaire bevoegdheid van de kinderrechter om een ondertoezichtstelling op te leggen. Lichtere maatregelen zijn toereikend. De moeder zal haar medewerking aan de hulpverlening continueren, ook in de toekomst en ook wanneer de bestreden beschikking wordt bekrachtigd. De ondertoezichtstelling kan voor ongewenste rechtsgevolgen zorgen. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder aanvullend verklaard dat de Opvoedpoli alleen heeft ingezet op ondersteuning voor haarzelf en niet voor haar kinderen. Als gevolg van de verkrachting waaruit [kind 2] is ontstaan, is de moeder getraumatiseerd. Zij heeft traumatherapie en start binnenkort met weerbaarheidstraining. Er is sprake van een goede gehechtheidsrelatie met [kind 1] en [kind 2] . De zorgen omtrent [kind 1] en [kind 2] kwamen voort uit de relatie tussen de moeder en haar ex-partner. Deze relatie is inmiddels verbroken. Door het handelen van de GI, waarbij zij haar woning twee-en-een-halve week moest verlaten samen met [kind 1] en [kind 2] , is de verstandhouding met de GI verstoord, aldus de moeder.
5.3
De raad meent dat de ondertoezichtstelling terecht is uitgesproken. Hoewel de moeder bereid is hulpverlening te accepteren, is de mate waarin zij de geboden hulpverlening benut en continueert onvoldoende. In 2019 is het gezin verwezen naar het wijkteam voor hulpverlening in het drangkader. Het wijkteam geeft aan dat moeder ambivalent is in het voortzetten van de hulpverlening. Er is een patroon zichtbaar waarbij de moeder hulpverlening accepteert als de druk wordt opgevoerd om daarna de zorgen te bagatelliseren. Bovendien blijkt uit de gespreksverslagen van het wijkteam en de Opvoedpoli Hoorn dat de moeder aangeeft dat haar hulpverleningsdoel het stoppen van de bemoeienis van de raad en/of Veilig Thuis is. Dit getuigt niet van probleembesef en intrinsieke motivatie. De zorgen over [kind 1] en [kind 2] zijn niet alleen gerelateerd aan instabiliteit in de thuissituatie vanwege conflicten tussen de moeder en de stiefvader. Dat die relatie onlangs is verbroken maakt dus niet dat er geen zorgen meer zijn. Daarnaast staat de omstandigheid dat de moeder zich bereid heeft verklaard de hulpverlening te accepteren niet in de weg aan een ondertoezichtstelling van de kinderen. Ter zitting in hoger beroep heeft de raad aanvullend verklaard dat het van belang is eerst een stabiele thuissituatie te creëren. Daarna wordt onderzocht welke hulpverlening noodzakelijk is. Daarnaast is het van belang dat bij de moeder inzicht ontstaat dat een ondertoezichtstelling steun en structuur kan bieden en niet als straf is bedoeld, aldus de raad.
5.4
De GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat gewerkt dient te worden aan rust, stabiliteit en veiligheid voor de kinderen. Daarnaast is van belang dat de moeder inzicht krijgt in de schadelijke effecten van bepaalde handelingen voor de kinderen. Zo is zij onlangs nog in het bijzijn van de kinderen gesignaleerd met haar ex-partner waarbij deze zich agressief opstelde, waarna is besloten dat de moeder en de kinderen enige tijd niet in de eigen woning konden verblijven. De moeder moet het belang van de kinderen voorop gaan stellen. Als deze basis is gelegd, kan worden gewerkt aan de gehechtheidsrelatie van de moeder en de kinderen omdat de kinderen diverse (mannelijke) opvoeders hebben gekend in hun leven. Deze hulpverlening is nog niet eerder van de grond gekomen wegens de aanhoudende onrust bij de moeder thuis. De sturing vanuit het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling heeft de moeder nodig om de hulpverlening te accepteren. Dat de kinderen veel hebben meegemaakt waarvoor hulpverlening nodig is, blijkt uit hun gedrag en uitlatingen. [kind 1] geeft stellig aan geen mannen meer in huis te willen en lijkt soms meer te willen vertellen dan zij doet. [kind 2] heeft moeite met haar emotieregulatie, aldus de GI.
5.5
Het hof overweegt als volgt.
Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [kind 1] en [kind 2] zijn opgegroeid in een onstabiele thuissituatie waarin huiselijk geweld plaatsvond tussen de moeder en haar ex-partner ( [Z] ). In het verleden zijn diverse meldingen bij Veilig Thuis en de politie gedaan, waarbij de ex-partner van de moeder een negatieve rol speelde in verband met onder andere middelengebruik. Van november 2018 tot maart 2019 heeft de raad eerder onderzoek gedaan naar de opvoedsituatie van de kinderen. De raad heeft toen geen kinderbeschermingsmaatregel verzocht en het gezin is verwezen naar het wijkteam voor hulpverlening binnen het drangkader. Sinds november 2019 is de Opvoedpoli betrokken, in eerste instantie om de gehechtheid, intelligentie en eventuele aandachts- en concentratieproblemen bij [kind 1] , passend bij ADHD, in kaart te brengen. Medio 2020 is er opnieuw onrust in de thuissituatie ontstaan en zijn nieuwe meldingen gedaan bij Veilig Thuis. Wegens te veel stressfactoren, voortkomend uit de aanhoudende onrust in de thuissituatie, is de Opvoedpoli niet gestart met het onderzoek bij [kind 1] . Uit het raadsonderzoek dat op 1 december 2020 is gestart, is gebleken dat de moeder niet altijd transparant is over de status van de relatie met haar ex-partner, dat er zorgen bestaan over de seksuele ontwikkeling van [kind 1] (die aangeeft te zijn geconfronteerd met grensoverschrijdend seksueel gedrag vanuit een neef) en de informatie die [kind 2] heeft over haar ontstaansgeschiedenis en dat de ex-partner van de moeder gedurende hun relatie een ambivalente houding had tegenover de betrokken hulpverlening. Verder wordt bij de moeder een patroon gezien waarbij zij wel open staat voor hulpverlening, maar steeds kort na het opstarten hiervan de hulpverlening niet meer nodig acht. De relatie tussen de moeder en haar ex-partner is, volgens de moeder, in maart 2021 beëindigd. Ter zitting in hoger beroep is evenwel gebleken dat de moeder en de kinderen onlangs gedurende twee-en-een-halve week niet in hun woning mochten verblijven wegens nieuwe meldingen over de aanwezigheid van de ex-partner van de moeder, waarbij hij zich onder andere jegens de politie verbaal agressief zou hebben opgesteld in bijzijn van de kinderen. Dit laatste wordt door de moeder ontkend. Tot slot is gebleken dat de Opvoedpoli nog altijd betrokken is bij het gezin. De moeder ontvangt traumatherapie en gaat weerbaarheidstraining volgen. Verdere hulpverlening wordt nodig geacht, maar is nog niet van start kunnen gaan vanwege de aanhoudende onrust in de thuissituatie.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M van Baardewijk, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van mr. S.G. Risseeuw als griffier, en is op 21 september 2021 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.