Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2019-11-07
ECLI:NL:GHAMS:2019:5030
Strafrecht
Hoger beroep
2,184 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-004158-18
datum uitspraak: 7 november 2019
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 november 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-208963-18 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 1981,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 oktober 2019.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 oktober 2018 te 03:30 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 172 en/of 177 van de Gemeentewet en/of 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, door of namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven - om zich uit het overlastgebied Centrum, althans uit een door de burgemeester aangewezen gebied, te verwijderen en zich daar gedurende 1 maand niet meer te bevinden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
Overweging ten aanzien van het aanwezigheidsrecht van de verdachte bij de behandeling in eerste aanleg
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het aanwezigheidsrecht van de verdachte bij de behandeling in eerste aanleg is geschonden en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte was niet op de hoogte van de zitting. Uit de akte van uitreiking blijkt dat de verdachte de dagvaarding voor de zaak in eerste aanleg niet heeft aangenomen. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat het op de weg van justitie had gelegen om de verdachte op andere wijze te informeren over de tijd en plaats van de zitting, en na te gaan of de verdachte de volle betekenis van de dagvaarding begreep.
Het hof overweegt daartoe het volgende.
Op 23 oktober 2018 is de verdachte in verzekering gesteld. Tijdens de inverzekeringstelling is een medewerker van de politie naar de verdachte gegaan om de dagvaarding aan hem uit te reiken. Op de akte van uitreiking heeft de verbalisant het vakje aangekruist dat de dagvaarding niet is uitgereikt en op de akte is handmatig de aantekening gemaakt: “verdachte weigert de brief aan te nemen en te ondertekenen”. In het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] van 24 oktober 2018 wordt op pagina 2 gemeld dat op 23 oktober 2018 in opdracht van officier van justitie Refos de dagvaarding aan de verdachte in persoon is uitgereikt. De verdachte heeft de akte van uitreiking niet ondertekend. De verdachte verklaarde de inhoud en de strekking van de dagvaarding begrepen te hebben. Anders dan de raadsvrouw concludeert het hof dat hieruit moet worden afgeleid dat de dagvaarding wel is uitgereikt, maar dat de verdachte weigerde de brief in ontvangst te nemen en weigerde voor de ontvangst te tekenen.
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2011:BO5251) volgt dat het ontbreken van een op de akte gestelde handtekening voor ontvangst niet in de weg behoeft te staan aan de rechtsgeldigheid van de uitreiking overeenkomstig art. 588, eerste lid Sv, wanneer die uitreiking in persoon is geschied.
Het hof concludeert dat de dagvaarding is uitgereikt conform de daaraan door de wet gestelde eisen.
Ten overvloede merkt het hof nog op dat de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep niet uitdrukkelijk heeft verzocht om terugwijzing van de zaak voor opnieuw een behandeling in eerste aanleg.
Bewijsoverweging
Ten aanzien van het ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw van de verdachte ter terechtzitting primair betoogd dat het verblijfsverbod niet opgelegd had mogen worden, omdat de verdachte op 1 september 2018 een waarschuwing heeft gekregen van de politie en nadien zich niet opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een overtreding. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de burgemeester heeft nagelaten deugdelijk te motiveren waarom ondanks deze waarschuwing toch een verblijfsverbod aan de verdachte mocht worden opgelegd, waardoor geen sprake kan zijn van een wettig gegeven bevel.
Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat uit de stukken onvoldoende is gebleken dat de verdachte voldoende is geïnformeerd over de strekking van het verwijderingsbevel, waardoor het vereiste opzet in de zin van artikel 184 Sr niet kan worden bewezen.
Het hof overweegt daartoe het volgende.
Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat de waarschuwing gegeven op 1 september 2018 in de weg staat aan de rechtmatigheid van het bevel, vindt deze stelling geen steun in het recht. Hoewel het hof begrijpt dat de waarschuwing op 1 september 2018 verwarrend kan hebben gewerkt, blijkt uit de overige feiten en omstandigheden zoals weergegeven in het dossier dat sprake is van een wettig afgegeven bevel krachtens artikel 2.9A van de APV 2008. Dit bevel is ook deugdelijk gemotiveerd. Het verweer wordt verworpen.
Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat de waarschuwing van 1 september 2018 aan het vereiste opzet in de weg staat, verwerpt het hof dat verweer eveneens. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op 23 oktober 2018 om 00:55 uur een verwijderingsbevel voor de duur van één maand heeft uitgereikt gekregen met daarbij de mededeling dat hij zich binnen een half uur niet meer in het aangegeven gebied mocht bevinden. Op de vraag van de verbalisant of hij dat begrepen had, antwoordde de verdachte dat hij toch niet weg zou gaan en dat de verbalisant hem dan maar moest aanhouden. Hieruit volgt dat de verdachte de strekking van het bevel begrepen heeft. Om 03.30 uur werd de verdachte vervolgens in het gebied waarvoor het verbod gold aangetroffen. Gelet op het voorgaande acht het hof het vereiste opzet van de verdachte op het overtreden van het gebiedsverbod aanwezig.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 23 oktober 2018 te 03:30 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 door de burgemeester van Amsterdam gegeven bevel om zich uit het overlastgebied Centrum te verwijderen en zich daar gedurende 1 maand niet meer te bevinden.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Bepaalt dat ter zake van het bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. M.L. Leenaers en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van mr. L. Pothast, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 november 2019.
Mr. H.A. van Eijk en mr. B.A.A. Postma zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[…]