Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2017-03-28
ECLI:NL:GHAMS:2017:1044
Civiel recht
Hoger beroep
2,151 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.091.387/01
zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : 1130942 / DX EXPL 10/189
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 maart 2017
inzake
VARDE INVESTMENTS (IRELAND) LIMITED,
gevestigd te Dublin, Ierland,
appellante in principaal appel,
tevens geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,
advocaat: mr. P.C.M. Ouwens te Spijkenisse,
tegen
1 [geïntimeerde 1] ,
2. [geïntimeerde 2],
wonend te [woonplaats] ,
geïntimeerden in principaal appel,
tevens appellanten in voorwaardelijk incidenteel appel,
advocaat mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,
1Verder verloop van het geding
Partijen worden hierna wederom Varde en [geïntimeerden] (afzonderlijk [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] ) genoemd.
In deze zaak heeft het hof op 9 juni 2015 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.
Ingevolge het tussenarrest heeft Varde een akte na tussenarrest met een productie genomen. [geïntimeerden] hebben een antwoordakte na tussenarrest met producties genomen.
Ten slotte hebben partijen wederom arrest gevraagd.
2Verdere beoordeling
2.1
Bij het tussenarrest van 9 juni 2015 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het arrest van het hof van 22 juli 2014 in de procedure tussen [geïntimeerde 2] en Dexia en de betekenis daarvan voor de onderhavige zaak. Het hof heeft in dat arrest het vonnis van de kantonrechter vernietigd en onder andere voor recht verklaard dat de leaseovereenkomst tussen [geïntimeerde 1] en Dexia met nummer 2949286 bij brief van 17 mei 2006 rechtsgeldig is vernietigd op grond van artikel 1:89 BW en Dexia veroordeeld tot, kort gezegd, terugbetaling van de inleg.
2.2
Varde heeft gesteld dat, ook indien het recht van [geïntimeerde 2] om de leaseovereenkomst te vernietigen nog niet zou zijn verjaard, de vorderingen van Varde jegens [geïntimeerde 1] alsnog toegewezen dienen te worden. Varde betoogt dat [geïntimeerde 1] ook na vernietiging van de leaseovereenkomst door [geïntimeerde 2] gebonden blijft aan de Overeenkomst Dexia Aanbod. Zij wijst in dat verband naar de conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2015:13) bij het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:394) en naar het arrest van Hof Den Haag van 21 april 2015 (ECLI:NL:GHDHA:2015:865). Varde voert in de akte na tussenarrest onder 3.6 verder aan dat de geldigheid van de Overeenkomst Dexia Aanbod niet afhankelijk is van de daarvóór bestaande rechtsverhouding, waarvoor Dexia en [geïntimeerde 1] een regeling beoogden te treffen. Er is immers een nieuwe rechtsverhouding ontstaan. [geïntimeerde 1] zou in het kader van de Overeenkomst Dexia Aanbod met de verruimde mogelijkheden die hem geboden werden de restschuld betalen en daartoe is daadwerkelijk een renteloze lening gesloten.
[geïntimeerden] stellen, onder verwijzing naar tien bij antwoordakte na tussenarrest overgelegde vonnissen, dat de vernietiging van de leaseovereenkomst meebrengt dat (ook) de vordering van Varde uit hoofde van de Overeenkomst Dexia Aanbod moet worden afgewezen. [geïntimeerden] verwijzen in dat verband ook naar (rov. 3.6 van) het tussenarrest van 25 september 2012.
2.3
In het tussenarrest van 25 september 2012 onder 3.6 heeft het hof als volgt overwogen en beslist: “Anders dan Varde betoogt, heeft de keuze voor een renteloze lening geen aflossingsverplichtingen doen ontstaan die los staan van het bestaan van een restschuld. Er is een lening verstrekt ter hoogte van de restschuld en als er geen restschuld blijkt te zijn, komt ook de lening te vervallen”.
Mede uit hetgeen Varde in de akte na tussenarrest naar voren brengt, volgt dat deze bindende eindbeslissing op een onjuiste juridische grondslag berust. Het enkele feit dat als gevolg van de vernietiging van de leaseovereenkomst er geen restschuld blijkt te bestaan, doet de lening niet vervallen. De vernietiging van de leaseovereenkomst heeft tot gevolg dat de restschuld ten bedrag van € 11.368,74 onverschuldigd aan Dexia is betaald en dat [geïntimeerde 2] uit hoofde van onverschuldigde betaling tot dat bedrag een vordering op Dexia heeft. De Renteloze Lening heeft Dexia verstrekt aan [geïntimeerde 1] en uit hoofde daarvan heeft Dexia een op zichzelf staande vordering op [geïntimeerde 1] en alleen die vordering kan Dexia aan Varde hebben gecedeerd. Uit hoofde van de leaseovereenkomst had Dexia immers geen vordering meer op [geïntimeerde 1] . Het hof wijst in dat verband op een ongedateerde brief (productie 7 bij conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, tevens houdende akte vermindering van eis) waarin Dexia onder meer het volgende aan [geïntimeerde 1] heeft meegedeeld: “Overeenkomstig de voorwaarden van de Overeenkomst Dexia Aanbod bevestigen wij u hierbij dat wij aan u een Renteloze Lening verstrekken. Met de Renteloze Lening wordt uw Restschuld afgelost, waarna u de Renteloze Lening in maandelijkse termijnen aflost”. In een eveneens ongedateerde brief (ook onderdeel productie 7 bij conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie, tevens houdende akte vermindering van eis) heeft Dexia, onder meer, als volgt aan [geïntimeerde 1] bericht: “Meerdere malen hebben wij u geattendeerd op een betalingsachterstand op bovengenoemde overeenkomst. Het totale openstaande bedrag is helaas nog niet on ons bezit. Hierdoor waren wij genoodzaakt uw overeenkomst, conform de contractvoorwaarden, te beëindigen. Bijgaand ontvangt u de eindafrekening van de overeenkomst. Wij verzoeken u het openstaande bedrag van € 11.504,87 (…) over te maken (...)”. De bijgevoegde eindafrekening vermeldt: ‘Product: Renteloze Lening Contractnummer: 777122550’. Varde noemt in haar brieven aan [geïntimeerde 1] ook steeds het contractnummer 777122550 van de Renteloze Lening en niet het contractnummer 29492486 van de leaseovereenkomst. Daaruit volgt dat in het tussenarrest van 25 september 2012 ten onrechte als vaststaand feit is opgenomen dat [geïntimeerde 1] de resterende schuld niet aan Dexia heeft betaald (onder 3.2(iv)) en dat Varde aan [geïntimeerde 1] heeft meegedeeld dat Dexia haar vordering tot betaling van de restschuld aan haar heeft gecedeerd (onder 3.2(v)).
2.4
Gezien het vorenstaande is het hof voornemens terug te komen op zijn bindende eindbeslissing in rov. 3.6 van het tussenarrest van 25 september 2012. Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich daarover bij akte uit te laten, eerst Varde en dan [geïntimeerden]
2.5
Het terugkomen op de bindende eindbeslissing zal tot gevolg hebben dat grief II in principaal appel (alsnog) slaagt en dat anders dan het hof in het kader van grief I in principaal appel heeft overwogen de vraag of [geïntimeerde 2] de leaseovereenkomst tijdig rechtsgeldig heeft vernietigd in de onderhavige procedure niet van doorslaggevend belang is. Dat betekent dat het hof niet behoeft in te gaan op het primaire standpunt van Varde in de akte na tussenarrest dat zij niet is gebonden aan het feitelijke bewijsoordeel van het hof in een procedure waarin zijzelf geen procespartij is geweest.
2.6
Op voorhand overweegt het hof dat [geïntimeerde 1] geen verrekenbare tegenvordering uit onverschuldigde betaling op Dexia dan wel op Varde heeft, omdat hij reeds vóór de cessie, door ondertekening van de Overeenkomst Dexia Aanbod, jegens Dexia afstand heeft gedaan van, kort gezegd, al zijn rechten en vorderingen, als gevolg waarvan het bepaalde in art.
Dictum
Het hof:
wijst de zaak naar de rol van 25 april 2017 voor akte aan de zijde van Varde tot het hiervoor in rov. 2.5 aangegeven doel;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell, M.P. van Achterberg en J.W.A. Biemans en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2017.