Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-05-20
ECLI:NL:CRVB:2026:620
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
7,486 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:620 text/xml public 2026-05-21T15:17:27 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-20 24/2765 WMO15 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:620 text/html public 2026-05-20T08:35:44 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:620 Centrale Raad van Beroep , 20-05-2026 / 24/2765 WMO15 Er kan niet meer worden beoordeeld of een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie. De Raad voorziet daarom zelf in de zaak en verstrekt appellante alsnog een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 voor de kosten van de opleiding van haar hond tot hulphond. 24/2765 WMO15 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 november 2024, 23/2160 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk (college) Datum uitspraak: 20 mei 2026 SAMENVATTING In deze zaak gaat het om de aanvraag van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015, bestaande uit de vergoeding van de kosten van de opleiding van een hond tot hulphond. De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn uitspraken van 22 februari 2024 en 19 juli 2024. Aan deze uitspraken voegt de Raad toe dat in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin sprake is van zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of de participatie, en waarin vaststaat dat een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie, het college niet alleen bevoegd maar ook gehouden is om de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken. In dit geval heeft het college volgens de rechtbank niet onderzocht en gemotiveerd welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van appellante naast behandeling. Een nieuw onderzoek naar de situatie in de te beoordelen periode is volgens het college niet mogelijk. Dit heeft ook tot gevolg dat niet kan worden beoordeeld of een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie. Appellante mag hiervan niet de dupe worden. De rechtbank heeft ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten. De Raad voorziet zelf in de zaak en verstrekt appellante alsnog een maatwerkvoorziening voor de kosten van de opleiding van haar hond [naam hond] . PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr.drs. R. Imkamp, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 oktober 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr.drs. Imkamp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.C. van Aken en M. van den Bos. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren in 2000, is bekend met psychische klachten en ondervindt daardoor beperkingen bij haar zelfredzaamheid en participatie. Zij heeft op 8 december 2021 een aanvraag ingediend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een vergoeding voor de kosten van de opleiding van haar hond [naam hond] tot hulphond. 1.2. Aan appellante is in oktober 2022 een indicatie voor beschermd wonen verstrekt. Hiervoor is appellante op de wachtlijst geplaatst. 1.3. Met een besluit van 9 februari 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 16 februari 2023 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Het college heeft zich hierbij gebaseerd op de medische adviezen van de verzekeringsarts van stichting SAP van 15 juni 2022, 16 september 2022 en 25 januari 2023. Volgens het college is onvoldoende aangetoond dat de inzet van een hulphond een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van appellante. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek van het college zich heeft gericht op de vraag of een hulphond leidt tot verbetering van de beperkingen die appellante ondervindt in de zelfredzaamheid en participatie. Het college heeft geconcludeerd dat de hulphond niet de meest passende voorziening is, maar het college heeft niet onderzocht en ook niet gemotiveerd welke ondersteuning naar aard en omvang naast behandeling nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van appellante. De rechtbank heeft aanleiding gezien om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, omdat appellante in beroep heeft aangegeven dat haar situatie inmiddels zodanig is verbeterd dat er geen behoefte is aan verdere ondersteuning zoals beschermd wonen en dagbesteding. Bovendien heeft de Raad in de uitspraken van 22 februari 2024 en 19 juli 2024 geoordeeld dat het college niet gehouden is de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken omdat in de Zorgverzekeringswet (Zvw) een bewuste keuze is gemaakt om de kosten van het type hulphond zoals door appellante is ingezet, niet te vergoeden. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 22 februari 2024 en 19 juli 2024, ten onrechte heeft overwogen dat het college niet gehouden is de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken. Volgens appellante moet de lijn uit die uitspraken worden herzien. Verder heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de veranderde situatie als reden heeft genoemd om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Gelet op de kosten die appellante heeft gemaakt voor de opleiding van haar hond tot hulphond is ook de situatie op het moment van de aanvraag van belang. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. 4.1. De Raad heeft in zijn uitspraken van 22 februari 2024 en 19 juli 2024 geoordeeld dat in de Zvw een bewuste keuze is gemaakt om bepaalde typen hulphonden niet te vergoeden en dat het college op grond van ‘eigen kracht’ niet gehouden is de maatwerkvoorziening te verstrekken. Het staat het college wel vrij om een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 te verstrekken als dat als het meest aangewezen wordt ervaren. 4.2. Appellante is het niet eens met het oordeel van de Raad over de ‘eigen kracht’ in die uitspraken en vindt dat de rechtbank deze ten onrechte heeft gevolgd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Wat appellante hierover heeft aangevoerd heeft de Raad besproken in zijn uitspraak van heden. De Raad verwijst daarom in de eerste plaats naar wat in die uitspraak is overwogen. Hierin heeft de Raad, kort samengevat, verduidelijkt dat is aangesloten bij de rechtspraak over het begrip ‘eigen kracht’ omdat de door de wetgever beoogde afbakening tussen de Wmo 2015 en de Zvw zou worden doorkruist als een beroep op de Wmo 2015 zou kunnen worden gedaan voor kosten waarvan onder de Zvw een bewuste keuze is gemaakt om deze niet te vergoeden.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:620 text/xml public 2026-05-21T15:17:27 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-20 24/2765 WMO15 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:620 text/html public 2026-05-20T08:35:44 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:620 Centrale Raad van Beroep , 20-05-2026 / 24/2765 WMO15 Er kan niet meer worden beoordeeld of een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie. De Raad voorziet daarom zelf in de zaak en verstrekt appellante alsnog een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 voor de kosten van de opleiding van haar hond tot hulphond. 24/2765 WMO15 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 november 2024, 23/2160 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk (college) Datum uitspraak: 20 mei 2026 SAMENVATTING In deze zaak gaat het om de aanvraag van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015, bestaande uit de vergoeding van de kosten van de opleiding van een hond tot hulphond. De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn uitspraken van 22 februari 2024 en 19 juli 2024. Aan deze uitspraken voegt de Raad toe dat in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin sprake is van zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of de participatie, en waarin vaststaat dat een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie, het college niet alleen bevoegd maar ook gehouden is om de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken. In dit geval heeft het college volgens de rechtbank niet onderzocht en gemotiveerd welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van appellante naast behandeling. Een nieuw onderzoek naar de situatie in de te beoordelen periode is volgens het college niet mogelijk. Dit heeft ook tot gevolg dat niet kan worden beoordeeld of een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie. Appellante mag hiervan niet de dupe worden. De rechtbank heeft ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten. De Raad voorziet zelf in de zaak en verstrekt appellante alsnog een maatwerkvoorziening voor de kosten van de opleiding van haar hond [naam hond] . PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr.drs. R. Imkamp, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 oktober 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr.drs. Imkamp. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.C. van Aken en M. van den Bos. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante, geboren in 2000, is bekend met psychische klachten en ondervindt daardoor beperkingen bij haar zelfredzaamheid en participatie. Zij heeft op 8 december 2021 een aanvraag ingediend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een vergoeding voor de kosten van de opleiding van haar hond [naam hond] tot hulphond. 1.2. Aan appellante is in oktober 2022 een indicatie voor beschermd wonen verstrekt. Hiervoor is appellante op de wachtlijst geplaatst. 1.3. Met een besluit van 9 februari 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 16 februari 2023 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellante afgewezen. Het college heeft zich hierbij gebaseerd op de medische adviezen van de verzekeringsarts van stichting SAP van 15 juni 2022, 16 september 2022 en 25 januari 2023. Volgens het college is onvoldoende aangetoond dat de inzet van een hulphond een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van appellante. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek van het college zich heeft gericht op de vraag of een hulphond leidt tot verbetering van de beperkingen die appellante ondervindt in de zelfredzaamheid en participatie. Het college heeft geconcludeerd dat de hulphond niet de meest passende voorziening is, maar het college heeft niet onderzocht en ook niet gemotiveerd welke ondersteuning naar aard en omvang naast behandeling nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van appellante. De rechtbank heeft aanleiding gezien om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, omdat appellante in beroep heeft aangegeven dat haar situatie inmiddels zodanig is verbeterd dat er geen behoefte is aan verdere ondersteuning zoals beschermd wonen en dagbesteding. Bovendien heeft de Raad in de uitspraken van 22 februari 2024 en 19 juli 2024 geoordeeld dat het college niet gehouden is de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken omdat in de Zorgverzekeringswet (Zvw) een bewuste keuze is gemaakt om de kosten van het type hulphond zoals door appellante is ingezet, niet te vergoeden. Het standpunt van appellante 3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 22 februari 2024 en 19 juli 2024, ten onrechte heeft overwogen dat het college niet gehouden is de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken. Volgens appellante moet de lijn uit die uitspraken worden herzien. Verder heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de veranderde situatie als reden heeft genoemd om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Gelet op de kosten die appellante heeft gemaakt voor de opleiding van haar hond tot hulphond is ook de situatie op het moment van de aanvraag van belang. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. 4.1. De Raad heeft in zijn uitspraken van 22 februari 2024 en 19 juli 2024 geoordeeld dat in de Zvw een bewuste keuze is gemaakt om bepaalde typen hulphonden niet te vergoeden en dat het college op grond van ‘eigen kracht’ niet gehouden is de maatwerkvoorziening te verstrekken. Het staat het college wel vrij om een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 te verstrekken als dat als het meest aangewezen wordt ervaren. 4.2. Appellante is het niet eens met het oordeel van de Raad over de ‘eigen kracht’ in die uitspraken en vindt dat de rechtbank deze ten onrechte heeft gevolgd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Wat appellante hierover heeft aangevoerd heeft de Raad besproken in zijn uitspraak van heden. De Raad verwijst daarom in de eerste plaats naar wat in die uitspraak is overwogen. Hierin heeft de Raad, kort samengevat, verduidelijkt dat is aangesloten bij de rechtspraak over het begrip ‘eigen kracht’ omdat de door de wetgever beoogde afbakening tussen de Wmo 2015 en de Zvw zou worden doorkruist als een beroep op de Wmo 2015 zou kunnen worden gedaan voor kosten waarvan onder de Zvw een bewuste keuze is gemaakt om deze niet te vergoeden.
Volledig
Omdat ook voor hulphonden als door appellante verzocht vaststaat dat de wetgever deze bewuste keuze heeft gemaakt, geldt ook in dit geval dat de door de wetgever beoogde afbakening tussen de Wmo 2015 en de Zvw zou worden doorkruist als voor de vergoeding van de kosten van de niet onder de Zvw vallende honden een beroep zou kunnen worden gedaan op de Wmo 2015. 4.3. Verder heeft de Raad in de onder 4.1 genoemde uitspraak van heden overwogen dat de omstandigheid dat het college niet gehouden was om de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken niet wegneemt dat het college ervoor had kunnen kiezen om dat wel te doen. In zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin sprake is van zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of de participatie, en waarin vaststaat dat een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie, is het college niet alleen bevoegd maar ook gehouden om de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken. 4.4. Niet in geschil is dat het college in het geval van appellante ten onrechte niet heeft onderzocht en gemotiveerd welke ondersteuning naast de te volgen behandeling naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en de participatie. De te beoordelen periode loopt in dit geval van 8 december 2021 (het moment van de aanvraag) tot 16 februari 2023 (het moment van het bestreden besluit). De omstandigheid dat appellante bijna twee en een half jaar na het bestreden besluit heeft verklaard dat het mede dankzij haar hond inmiddels zo goed met haar gaat dat er geen behoefte meer is aan beschermd wonen en dagbesteding, maakt niet dat in de te beoordelen periode geen behoefte bestond aan ondersteuning. De rechtbank heeft zich er niet van vergewist of het college nog mogelijkheden zag voor nader onderzoek naar de situatie in de te beoordelen periode. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten vanwege de veranderde situatie van appellante. 4.5. Aansluitend moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. Het college heeft in hoger beroep aangegeven geen mogelijkheden te zien voor een nieuw onderzoek naar de situatie in de te beoordelen periode en alleen nog de huidige (medische) situatie te kunnen beoordelen. Dit heeft tot gevolg dat niet kan worden beoordeeld of een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie. Naar het oordeel van de Raad mag appellante er niet de dupe van worden dat het college niet het benodigde onderzoek heeft verricht en dat een onderzoek naar de situatie in de te beoordelen periode vanwege tijdsverloop thans niet meer mogelijk is. De Raad zal daarom alsnog aan appellante een maatwerkvoorziening verstrekken voor de kosten van de opleiding van haar hond [naam hond] tot hulphond. Het college heeft terecht aangegeven dat de hoogte van de door appellante genoemde kosten niet is onderbouwd. Appellante zal deze onderbouwing alsnog moeten geven, opdat het college tot betaling van de kosten aan appellante kan overgaan. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn 5.1. Ambtshalve overweegt de Raad het volgende. Appellante heeft recht op een behandeling van haar zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. 5.2. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd . De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. 5.3. Vanaf de datum van ontvangst door het college van het bezwaarschrift op 21 maart 2022 tot de datum van uitspraak op het hoger beroep heeft de procedure vier jaar en twee maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met twee maanden overschreden. Dit komt neer op een schadevergoeding van in totaal € 500,-. 5.4. De overschrijding van de redelijke termijn is veroorzaakt door de te lange behandeling van het bezwaar. Deze overschrijding komt voor rekening van het college. Conclusie en gevolgen 5.5. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit van 16 februari 2023 in stand heeft gelaten. De Raad zal zelf voorzien in de zaak zoals overwogen in 4.5 en zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Ook ontvangt appellante een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. 6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-). Ook moet het college het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- aan appellante vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit van 16 februari 2023 in stand heeft gelaten; voorziet zelf in de zaak zoals overwogen in 4.5 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; veroordeelt het college tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-; veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.868,-; bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026. (getekend) C.W.C.A. Bruggeman De griffier is verhinderd te ondertekenen ECLI:NL:CRVB:2024:376. ECLI:NL:CRVB:2024:1465 en ECLI:NL:CRVB:2024:1467. ECLI:NL:CRVB:2026:618. Zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
Volledig
Omdat ook voor hulphonden als door appellante verzocht vaststaat dat de wetgever deze bewuste keuze heeft gemaakt, geldt ook in dit geval dat de door de wetgever beoogde afbakening tussen de Wmo 2015 en de Zvw zou worden doorkruist als voor de vergoeding van de kosten van de niet onder de Zvw vallende honden een beroep zou kunnen worden gedaan op de Wmo 2015. 4.3. Verder heeft de Raad in de onder 4.1 genoemde uitspraak van heden overwogen dat de omstandigheid dat het college niet gehouden was om de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken niet wegneemt dat het college ervoor had kunnen kiezen om dat wel te doen. In zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin sprake is van zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of de participatie, en waarin vaststaat dat een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie, is het college niet alleen bevoegd maar ook gehouden om de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken. 4.4. Niet in geschil is dat het college in het geval van appellante ten onrechte niet heeft onderzocht en gemotiveerd welke ondersteuning naast de te volgen behandeling naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en de participatie. De te beoordelen periode loopt in dit geval van 8 december 2021 (het moment van de aanvraag) tot 16 februari 2023 (het moment van het bestreden besluit). De omstandigheid dat appellante bijna twee en een half jaar na het bestreden besluit heeft verklaard dat het mede dankzij haar hond inmiddels zo goed met haar gaat dat er geen behoefte meer is aan beschermd wonen en dagbesteding, maakt niet dat in de te beoordelen periode geen behoefte bestond aan ondersteuning. De rechtbank heeft zich er niet van vergewist of het college nog mogelijkheden zag voor nader onderzoek naar de situatie in de te beoordelen periode. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten vanwege de veranderde situatie van appellante. 4.5. Aansluitend moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. Het college heeft in hoger beroep aangegeven geen mogelijkheden te zien voor een nieuw onderzoek naar de situatie in de te beoordelen periode en alleen nog de huidige (medische) situatie te kunnen beoordelen. Dit heeft tot gevolg dat niet kan worden beoordeeld of een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie. Naar het oordeel van de Raad mag appellante er niet de dupe van worden dat het college niet het benodigde onderzoek heeft verricht en dat een onderzoek naar de situatie in de te beoordelen periode vanwege tijdsverloop thans niet meer mogelijk is. De Raad zal daarom alsnog aan appellante een maatwerkvoorziening verstrekken voor de kosten van de opleiding van haar hond [naam hond] tot hulphond. Het college heeft terecht aangegeven dat de hoogte van de door appellante genoemde kosten niet is onderbouwd. Appellante zal deze onderbouwing alsnog moeten geven, opdat het college tot betaling van de kosten aan appellante kan overgaan. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn 5.1. Ambtshalve overweegt de Raad het volgende. Appellante heeft recht op een behandeling van haar zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. 5.2. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd . De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. 5.3. Vanaf de datum van ontvangst door het college van het bezwaarschrift op 21 maart 2022 tot de datum van uitspraak op het hoger beroep heeft de procedure vier jaar en twee maanden geduurd. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met twee maanden overschreden. Dit komt neer op een schadevergoeding van in totaal € 500,-. 5.4. De overschrijding van de redelijke termijn is veroorzaakt door de te lange behandeling van het bezwaar. Deze overschrijding komt voor rekening van het college. Conclusie en gevolgen 5.5. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit van 16 februari 2023 in stand heeft gelaten. De Raad zal zelf voorzien in de zaak zoals overwogen in 4.5 en zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Ook ontvangt appellante een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. 6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-). Ook moet het college het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- aan appellante vergoeden. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit van 16 februari 2023 in stand heeft gelaten; voorziet zelf in de zaak zoals overwogen in 4.5 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; veroordeelt het college tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-; veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.868,-; bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van N. El Khabazi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026. (getekend) C.W.C.A. Bruggeman De griffier is verhinderd te ondertekenen ECLI:NL:CRVB:2024:376. ECLI:NL:CRVB:2024:1465 en ECLI:NL:CRVB:2024:1467. ECLI:NL:CRVB:2026:618. Zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.