Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-05-20
ECLI:NL:CRVB:2026:621
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
8,062 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:621 text/xml public 2026-05-21T15:16:28 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-20 24/2742 WMO15 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:621 text/html public 2026-05-20T08:30:04 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:621 Centrale Raad van Beroep , 20-05-2026 / 24/2742 WMO15 Afwijzing aanvraag voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015, bestaande uit de aanschaf en de opleiding van haar hond tot hulphond. Er doen zich geen zeer uitzonderlijke omstandigheden voor, waarin sprake is van zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of de participatie, en waarin vaststaat dat een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie. 24/2742 WMO15, 25/468 WMO15 Datum uitspraak: 20 mei 2026 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 oktober 2024, 22/3752 (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Geertruidenberg (college) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) SAMENVATTING In deze zaak gaat het om de aanvraag van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015, bestaande uit de vergoeding van de kosten voor de aanschaf en de opleiding van een hond tot hulphond. De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn uitspraken van 22 februari 2024 en 19 juli 2024. Aan deze uitspraken voegt de Raad toe dat in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin sprake is van zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of de participatie, en waarin vaststaat dat een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie, het college niet alleen bevoegd maar ook gehouden is om de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken. Deze omstandigheden doen zich hier niet voor. De rechtbank heeft ten onrechte zelf in de zaak voorzien en bepaald dat het college de gevraagde voorziening moet verstrekken. PROCESVERLOOP Het college heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. drs. R. Imkamp, advocaat, een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij verzocht om (aanvullende) schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2025. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H. Mentink en A.H.E. de Koning. Betrokkene is via beeldbellen verschenen, bijgestaan door mr. Imkamp. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Betrokkene, geboren in 1992, is bekend met psychische en lichamelijke klachten en ondervindt daardoor beperkingen bij haar zelfredzaamheid en participatie. Zij heeft in september 2018 een aanvraag ingediend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een vergoeding voor de kosten van de aanschaf en opleiding van een hulphond om haar te ondersteunen bij hypo’s en haar posttraumatische stressstoornis (PTSS). 1.2. Met een besluit van 1 november 2018, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 14 mei 2019, heeft het college de aanvraag van betrokkene om een hulp-/assistentiehond afgewezen. 1.3. Met een uitspraak van 11 maart 2021 heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 1 november 2018 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van het college niet voldoet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden, zoals uiteengezet in de uitspraak van de Raad van 21 maart 2018. Volgens de rechtbank ontbreekt een totaalbeeld van betrokkenes ondersteuningsbehoefte en is daardoor onvoldoende inzichtelijk of een hulphond toegevoegde waarde heeft in de vergroting van de zelfredzaamheid en participatiemogelijkheden van betrokkene en of deze wellicht de meest passende voorziening is. Daardoor is ook onvoldoende onderbouwd dat de verstrekte ambulante begeleiding en vervoersvoorziening voor betrokkene passend en voldoende compenserend zijn. 1.4. Met een besluit van 14 juni 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van betrokkene opnieuw ongegrond verklaard. Hierbij heeft het college zich gebaseerd op een advies van een indicatieadviseur van Argonaut van 7 december 2021 en een advies van een arts indicatie & advies van Oreon van 22 december 2021. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft overwogen dat het onderzoek door het college zorgvuldig is geweest. Volgens de rechtbank volgt uit de adviezen van 7 en 22 december 2021 echter niet dat de huidige ambulante begeleiding die betrokkene ontvangt voldoende is ter compensatie van haar beperkingen in zelfredzaamheid en participatie. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom van deze adviezen is afgeweken. Verder heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraken van 22 februari 2024 en 19 juli 2024 , overwogen dat het college weliswaar niet gehouden is om een maatwerkvoorziening te verstrekken, maar dat het college in het geval van betrokkene aanleiding had moeten zien de hardheidsclausule toe te passen. Aannemelijk is dat een hulphond de meest passende oplossing kan bieden voor de beperkingen die betrokkene ondervindt in de participatie en zelfredzaamheid. Omdat dit type hulphond niet wordt vergoed onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) leidt dit tot het onbillijke gevolg dat betrokkene al jaren verstoken blijft van adequate hulp. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien om het besluit van 1 november 2018 te herroepen en te bepalen dat het college aan betrokkene een maatwerkvoorziening verstrekt in de vorm van vergoeding voor de aanschaf- en opleidingskosten voor een hulphond. Tenslotte heeft de rechtbank het college en de Staat veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het standpunt van het college 3.1. Het college is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het college heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit heeft vernietigd en heeft overwogen dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen. Hierbij heeft de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak voorzien. Volgens het college is in het geval van betrokkene niet gebleken dat een hulphond de enige of best passende voorziening is. De al ingezette en aangeboden ondersteuning is voldoende om de doelen voor zelfredzaamheid en participatie te bereiken, mits betrokkene deze voorzieningen ook benut. Het standpunt van betrokkene 3.2. Betrokkene is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft aangevoerd dat de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 22 februari 2024 en 19 juli 2024, ten onrechte heeft overwogen dat het college niet is gehouden een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulphond te verstrekken. Volgens betrokkene moet de lijn uit die uitspraken worden herzien. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt de aangevallen uitspraak aan de hand van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van het college slaagt. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene slaagt niet. Hoger beroep van het college 4.1.
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:621 text/xml public 2026-05-21T15:16:28 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-20 24/2742 WMO15 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:621 text/html public 2026-05-20T08:30:04 2026-05-21 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:621 Centrale Raad van Beroep , 20-05-2026 / 24/2742 WMO15 Afwijzing aanvraag voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015, bestaande uit de aanschaf en de opleiding van haar hond tot hulphond. Er doen zich geen zeer uitzonderlijke omstandigheden voor, waarin sprake is van zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of de participatie, en waarin vaststaat dat een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie. 24/2742 WMO15, 25/468 WMO15 Datum uitspraak: 20 mei 2026 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 oktober 2024, 22/3752 (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Geertruidenberg (college) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) SAMENVATTING In deze zaak gaat het om de aanvraag van een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015, bestaande uit de vergoeding van de kosten voor de aanschaf en de opleiding van een hond tot hulphond. De Raad ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan in zijn uitspraken van 22 februari 2024 en 19 juli 2024. Aan deze uitspraken voegt de Raad toe dat in zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin sprake is van zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of de participatie, en waarin vaststaat dat een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie, het college niet alleen bevoegd maar ook gehouden is om de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken. Deze omstandigheden doen zich hier niet voor. De rechtbank heeft ten onrechte zelf in de zaak voorzien en bepaald dat het college de gevraagde voorziening moet verstrekken. PROCESVERLOOP Het college heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. drs. R. Imkamp, advocaat, een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij verzocht om (aanvullende) schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2025. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H. Mentink en A.H.E. de Koning. Betrokkene is via beeldbellen verschenen, bijgestaan door mr. Imkamp. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Betrokkene, geboren in 1992, is bekend met psychische en lichamelijke klachten en ondervindt daardoor beperkingen bij haar zelfredzaamheid en participatie. Zij heeft in september 2018 een aanvraag ingediend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een vergoeding voor de kosten van de aanschaf en opleiding van een hulphond om haar te ondersteunen bij hypo’s en haar posttraumatische stressstoornis (PTSS). 1.2. Met een besluit van 1 november 2018, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 14 mei 2019, heeft het college de aanvraag van betrokkene om een hulp-/assistentiehond afgewezen. 1.3. Met een uitspraak van 11 maart 2021 heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 1 november 2018 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van het college niet voldoet aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden, zoals uiteengezet in de uitspraak van de Raad van 21 maart 2018. Volgens de rechtbank ontbreekt een totaalbeeld van betrokkenes ondersteuningsbehoefte en is daardoor onvoldoende inzichtelijk of een hulphond toegevoegde waarde heeft in de vergroting van de zelfredzaamheid en participatiemogelijkheden van betrokkene en of deze wellicht de meest passende voorziening is. Daardoor is ook onvoldoende onderbouwd dat de verstrekte ambulante begeleiding en vervoersvoorziening voor betrokkene passend en voldoende compenserend zijn. 1.4. Met een besluit van 14 juni 2022 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van betrokkene opnieuw ongegrond verklaard. Hierbij heeft het college zich gebaseerd op een advies van een indicatieadviseur van Argonaut van 7 december 2021 en een advies van een arts indicatie & advies van Oreon van 22 december 2021. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft overwogen dat het onderzoek door het college zorgvuldig is geweest. Volgens de rechtbank volgt uit de adviezen van 7 en 22 december 2021 echter niet dat de huidige ambulante begeleiding die betrokkene ontvangt voldoende is ter compensatie van haar beperkingen in zelfredzaamheid en participatie. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom van deze adviezen is afgeweken. Verder heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraken van 22 februari 2024 en 19 juli 2024 , overwogen dat het college weliswaar niet gehouden is om een maatwerkvoorziening te verstrekken, maar dat het college in het geval van betrokkene aanleiding had moeten zien de hardheidsclausule toe te passen. Aannemelijk is dat een hulphond de meest passende oplossing kan bieden voor de beperkingen die betrokkene ondervindt in de participatie en zelfredzaamheid. Omdat dit type hulphond niet wordt vergoed onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) leidt dit tot het onbillijke gevolg dat betrokkene al jaren verstoken blijft van adequate hulp. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien om het besluit van 1 november 2018 te herroepen en te bepalen dat het college aan betrokkene een maatwerkvoorziening verstrekt in de vorm van vergoeding voor de aanschaf- en opleidingskosten voor een hulphond. Tenslotte heeft de rechtbank het college en de Staat veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het standpunt van het college 3.1. Het college is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Het college heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit heeft vernietigd en heeft overwogen dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen. Hierbij heeft de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak voorzien. Volgens het college is in het geval van betrokkene niet gebleken dat een hulphond de enige of best passende voorziening is. De al ingezette en aangeboden ondersteuning is voldoende om de doelen voor zelfredzaamheid en participatie te bereiken, mits betrokkene deze voorzieningen ook benut. Het standpunt van betrokkene 3.2. Betrokkene is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft aangevoerd dat de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 22 februari 2024 en 19 juli 2024, ten onrechte heeft overwogen dat het college niet is gehouden een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulphond te verstrekken. Volgens betrokkene moet de lijn uit die uitspraken worden herzien. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt de aangevallen uitspraak aan de hand van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van het college slaagt. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene slaagt niet. Hoger beroep van het college 4.1.
Volledig
De Raad heeft in zijn uitspraken van 22 februari 2024 en 19 juli 2024 geoordeeld dat in de Zvw een bewuste keuze is gemaakt om bepaalde typen hulphonden niet te vergoeden en dat het college op grond van ‘eigen kracht’ niet gehouden is de maatwerkvoorziening te verstrekken. Het staat het college wel vrij om een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 te verstrekken als dat als het meest aangewezen wordt ervaren. In zijn uitspraak van heden heeft de Raad, kort samengevat, verduidelijkt dat is aangesloten bij de rechtspraak over het begrip ‘eigen kracht’ omdat de door de wetgever beoogde afbakening tussen de Wmo 2015 en de Zvw zou worden doorkruist als een beroep op de Wmo 2015 zou kunnen worden gedaan voor kosten waarvan onder de Zvw een bewuste keuze is gemaakt om deze niet te vergoeden. Omdat ook voor hulphonden als door betrokkene verzocht vaststaat dat de wetgever deze bewuste keuze heeft gemaakt, geldt ook in dit geval dat de door de wetgever beoogde afbakening tussen de Wmo 2015 en de Zvw zou worden doorkruist als voor de vergoeding van de kosten van de niet onder de Zvw vallende honden een beroep zou kunnen worden gedaan op de Wmo 2015. 4.2. Verder heeft de Raad in de onder 4.1 genoemde uitspraak van heden overwogen dat de omstandigheid dat het college niet gehouden was om de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken niet wegneemt dat het college ervoor had kunnen kiezen om dat wel te doen. In zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin sprake is van zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of de participatie, en waarin vaststaat dat een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie, is het college niet alleen bevoegd maar ook gehouden om de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken. 4.3. Uit het advies van Argonaut van 7 december 2021 volgt dat betrokkene op dat moment feitelijk gebruikmaakte van vier uur per week aan ambulante begeleiding en dat de indicatieadviseur een hulphond als aanvulling op die vier uur per week aan begeleiding als passende oplossing zag. Uit dit advies volgt echter ook dat de indicatieadviseur een ophoging van het aantal uren aan begeleiding tot tien uur per week, zonder hulphond, eveneens passend achtte. Het college heeft benadrukt dat betrokkene op grond van de aan haar verstrekte maatwerkvoorziening al tot tien uur per week begeleiding kan inzetten. Daarmee is het college, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet afgeweken van het advies van Argonaut. Betrokkene heeft herhaaldelijk laten weten dat zij meer begeleiding dan vier uur per week niet als optie ziet en dat zij andere oplossingen pas wil overwegen als zij duidelijkheid heeft over een hulphond. Betrokkene heeft echter niet met stukken onderbouwd dat het, gelet op haar situatie, niet mogelijk is om gebruik te maken van meer begeleiding. De Raad kan begrijpen dat een hulphond voor betrokkene meer flexibiliteit met zich meebrengt omdat de hond altijd aanwezig is, maar dit betekent niet dat de verstrekte maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding reeds om die reden geen passende bijdrage levert. Dit betekent dat in het geval van betrokkene niet is gebleken dat de hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie. De rechtbank is daarom ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen en heeft ten onrechte bepaald dat het college de gevraagde voorziening moet verstrekken. Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene 4.4. Betrokkene is het niet eens met het oordeel van de Raad over de ‘eigen kracht’ uit de uitspraken van 22 februari 2024 en 19 juli 2024 en vindt dat de rechtbank ten onrechte deze uitspraken heeft gevolgd. Wat betrokkene hierover heeft aangevoerd is reeds besproken in de onder 4.1 genoemde uitspraak van heden. De Raad volstaat daarom met een verwijzing naar wat in die uitspraak is overwogen. Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn 5.1. Over het verzoek om (aanvullende) schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, overweegt de Raad het volgende. 5.2. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als de procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. 5.3. Als een vernietiging door de rechtbank van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en eventueel een herhaalde behandeling door de rechter, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. Als echter in de eerste en/of tweede rechterlijke ronde sprake is van een te lange behandelingsduur bij een rechterlijke instantie of in de rechterlijke fase als geheel, komt de periode waarmee de behandelingsduur is overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan maar voor rekening van de Staat. 5.4. Als tijdens de tweede rechtbankprocedure een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is gedaan, moet de rechtbank uitgaan van een redelijke termijn van twee jaar voor de procedure als geheel. Als tegen de tweede uitspraak van de rechtbank hoger beroep wordt ingesteld, moet de Raad beoordelen of de rechtbank hierover een juiste beslissing heeft gegeven. Vervolgens zal de Raad de overschrijding van de redelijke termijn op het moment van zijn eigen uitspraak moeten beoordelen. Als sinds de uitspraak van de rechtbank niet meer dan twee jaar zijn verstreken, kan deze beoordeling niet tot een ander resultaat leiden, zodat aanvullende schadevergoeding ten laste van de Staat dan niet aan de orde is. 5.5. Voor deze zaak betekent dit het volgende. Het bezwaarschrift van betrokkene is op 11 december 2018 door het college ontvangen. Op het moment van de aangevallen uitspraak van 29 oktober 2024 waren vijf jaar en bijna elf maanden verstreken. Uit wat in 5.4 is overwogen volgt dat ten tijde van de aangevallen uitspraak een termijn van twee jaar nog als redelijk is aan te merken. In de zaak zelf noch in de opstelling van betrokkene zijn aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de lengte van de procedure vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot aan de aangevallen uitspraak meer dan twee jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn was dus op het moment van de aangevallen uitspraak met drie jaar en tien maanden overschreden (in totaal 46 maanden). Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 4.000,- op de datum van de aangevallen uitspraak. 5.6. De eerste behandeling door de rechtbank vanaf de ontvangst van het eerste beroepschrift tot aan de uitspraak op 11 maart 2021 heeft een jaar en elf maanden, dus meer dan anderhalf jaar geduurd. Dit betekent dat in deze fase de behandelingsduur van anderhalf jaar met vijf maanden is overschreden. De tweede behandeling door de rechtbank heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift tot aan de aangevallen uitspraak op 29 oktober 2024 twee jaar en drie maanden geduurd. Dit betekent dat in deze fase de behandelingsduur van anderhalf jaar met negen maanden is overschreden. Het aandeel van de overschrijdingen in de rechterlijke fase bedraagt dus in totaal 14 maanden. Evenals de rechtbank komt de Raad op grond hiervan tot de conclusie dat van het totale bedrag aan schadevergoeding € 2.783,- voor rekening komt van het college en € 1.217,- voor rekening van de Staat. 5.7. Vanaf de datum van de aangevallen uitspraak tot de datum van deze uitspraak zijn nog geen twee jaar verstreken.
Volledig
De Raad heeft in zijn uitspraken van 22 februari 2024 en 19 juli 2024 geoordeeld dat in de Zvw een bewuste keuze is gemaakt om bepaalde typen hulphonden niet te vergoeden en dat het college op grond van ‘eigen kracht’ niet gehouden is de maatwerkvoorziening te verstrekken. Het staat het college wel vrij om een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 te verstrekken als dat als het meest aangewezen wordt ervaren. In zijn uitspraak van heden heeft de Raad, kort samengevat, verduidelijkt dat is aangesloten bij de rechtspraak over het begrip ‘eigen kracht’ omdat de door de wetgever beoogde afbakening tussen de Wmo 2015 en de Zvw zou worden doorkruist als een beroep op de Wmo 2015 zou kunnen worden gedaan voor kosten waarvan onder de Zvw een bewuste keuze is gemaakt om deze niet te vergoeden. Omdat ook voor hulphonden als door betrokkene verzocht vaststaat dat de wetgever deze bewuste keuze heeft gemaakt, geldt ook in dit geval dat de door de wetgever beoogde afbakening tussen de Wmo 2015 en de Zvw zou worden doorkruist als voor de vergoeding van de kosten van de niet onder de Zvw vallende honden een beroep zou kunnen worden gedaan op de Wmo 2015. 4.2. Verder heeft de Raad in de onder 4.1 genoemde uitspraak van heden overwogen dat de omstandigheid dat het college niet gehouden was om de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken niet wegneemt dat het college ervoor had kunnen kiezen om dat wel te doen. In zeer uitzonderlijke omstandigheden, waarin sprake is van zeer ernstige beperkingen in de zelfredzaamheid en/of de participatie, en waarin vaststaat dat een hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie, is het college niet alleen bevoegd maar ook gehouden om de gevraagde maatwerkvoorziening te verstrekken. 4.3. Uit het advies van Argonaut van 7 december 2021 volgt dat betrokkene op dat moment feitelijk gebruikmaakte van vier uur per week aan ambulante begeleiding en dat de indicatieadviseur een hulphond als aanvulling op die vier uur per week aan begeleiding als passende oplossing zag. Uit dit advies volgt echter ook dat de indicatieadviseur een ophoging van het aantal uren aan begeleiding tot tien uur per week, zonder hulphond, eveneens passend achtte. Het college heeft benadrukt dat betrokkene op grond van de aan haar verstrekte maatwerkvoorziening al tot tien uur per week begeleiding kan inzetten. Daarmee is het college, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet afgeweken van het advies van Argonaut. Betrokkene heeft herhaaldelijk laten weten dat zij meer begeleiding dan vier uur per week niet als optie ziet en dat zij andere oplossingen pas wil overwegen als zij duidelijkheid heeft over een hulphond. Betrokkene heeft echter niet met stukken onderbouwd dat het, gelet op haar situatie, niet mogelijk is om gebruik te maken van meer begeleiding. De Raad kan begrijpen dat een hulphond voor betrokkene meer flexibiliteit met zich meebrengt omdat de hond altijd aanwezig is, maar dit betekent niet dat de verstrekte maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding reeds om die reden geen passende bijdrage levert. Dit betekent dat in het geval van betrokkene niet is gebleken dat de hulphond de enige nog overgebleven mogelijkheid is waarmee een passende bijdrage zou kunnen worden geleverd aan de zelfredzaamheid en de participatie. De rechtbank is daarom ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen en heeft ten onrechte bepaald dat het college de gevraagde voorziening moet verstrekken. Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene 4.4. Betrokkene is het niet eens met het oordeel van de Raad over de ‘eigen kracht’ uit de uitspraken van 22 februari 2024 en 19 juli 2024 en vindt dat de rechtbank ten onrechte deze uitspraken heeft gevolgd. Wat betrokkene hierover heeft aangevoerd is reeds besproken in de onder 4.1 genoemde uitspraak van heden. De Raad volstaat daarom met een verwijzing naar wat in die uitspraak is overwogen. Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn 5.1. Over het verzoek om (aanvullende) schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, overweegt de Raad het volgende. 5.2. De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als de procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. 5.3. Als een vernietiging door de rechtbank van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en eventueel een herhaalde behandeling door de rechter, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend. Als echter in de eerste en/of tweede rechterlijke ronde sprake is van een te lange behandelingsduur bij een rechterlijke instantie of in de rechterlijke fase als geheel, komt de periode waarmee de behandelingsduur is overschreden niet voor rekening van het bestuursorgaan maar voor rekening van de Staat. 5.4. Als tijdens de tweede rechtbankprocedure een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is gedaan, moet de rechtbank uitgaan van een redelijke termijn van twee jaar voor de procedure als geheel. Als tegen de tweede uitspraak van de rechtbank hoger beroep wordt ingesteld, moet de Raad beoordelen of de rechtbank hierover een juiste beslissing heeft gegeven. Vervolgens zal de Raad de overschrijding van de redelijke termijn op het moment van zijn eigen uitspraak moeten beoordelen. Als sinds de uitspraak van de rechtbank niet meer dan twee jaar zijn verstreken, kan deze beoordeling niet tot een ander resultaat leiden, zodat aanvullende schadevergoeding ten laste van de Staat dan niet aan de orde is. 5.5. Voor deze zaak betekent dit het volgende. Het bezwaarschrift van betrokkene is op 11 december 2018 door het college ontvangen. Op het moment van de aangevallen uitspraak van 29 oktober 2024 waren vijf jaar en bijna elf maanden verstreken. Uit wat in 5.4 is overwogen volgt dat ten tijde van de aangevallen uitspraak een termijn van twee jaar nog als redelijk is aan te merken. In de zaak zelf noch in de opstelling van betrokkene zijn aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat de lengte van de procedure vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift tot aan de aangevallen uitspraak meer dan twee jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn was dus op het moment van de aangevallen uitspraak met drie jaar en tien maanden overschreden (in totaal 46 maanden). Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 4.000,- op de datum van de aangevallen uitspraak. 5.6. De eerste behandeling door de rechtbank vanaf de ontvangst van het eerste beroepschrift tot aan de uitspraak op 11 maart 2021 heeft een jaar en elf maanden, dus meer dan anderhalf jaar geduurd. Dit betekent dat in deze fase de behandelingsduur van anderhalf jaar met vijf maanden is overschreden. De tweede behandeling door de rechtbank heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift tot aan de aangevallen uitspraak op 29 oktober 2024 twee jaar en drie maanden geduurd. Dit betekent dat in deze fase de behandelingsduur van anderhalf jaar met negen maanden is overschreden. Het aandeel van de overschrijdingen in de rechterlijke fase bedraagt dus in totaal 14 maanden. Evenals de rechtbank komt de Raad op grond hiervan tot de conclusie dat van het totale bedrag aan schadevergoeding € 2.783,- voor rekening komt van het college en € 1.217,- voor rekening van de Staat. 5.7. Vanaf de datum van de aangevallen uitspraak tot de datum van deze uitspraak zijn nog geen twee jaar verstreken.