Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2026-08-18
ECLI:NL:CRVB:2026:1092
Judiciële lus. Intrekking van bijstand. Niet overleggen van bankafschriften. Goede procesorde. Appellant heeft op de zitting van de Raad bankafschriften van Triodos Bank overgelegd. De Raad acht het pas op de zitting overleggen van deze bankafschriften in strijd met de goede procesorde. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat het college vóór het bestreden besluit al drie keer om die afschriften heeft gevraagd en appellant dus al lange tijd op de hoogte was dat hij deze moest verstrekken. Appellant heeft geen reden gegeven waarom hij de bankafschriften, die volgens de datum op de prints al op 25 november 2025 zijn uitgeprint, niet eerder dan op de zitting van de Raad heeft kunnen overleggen. Het college had zich met een brief van 29 juni 2026 al afgemeld voor de zitting, waardoor hij niet inhoudelijk heeft kunnen reageren op de bankafschriften. 25/1415 PW Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 5 februari 2025 (bestreden besluit) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college) Datum uitspraak: 18 augustus 2026 SAMENVATTING Deze zaak gaat over de vraag of het college op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan een eerdere uitspraak van de Raad. In die uitspraak heeft de Raad onder meer geoordeeld dat het college de grondslag van de intrekking van de bijstand niet mocht wijzingen naar artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de Participatiewet (PW) zonder appellant in de gelegenheid te stellen bankafschriften van Triodos Bank over te leggen. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het college een nieuw besluit genomen, waarbij de intrekking is gehandhaafd omdat appellant de gevraagde bankafschriften van Triodos Bank niet heeft overgelegd. De Raad oordeelt dat het college daarmee op een juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de eerdere uitspraak van de Raad. De op de zitting overgelegde bankafschriften worden wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten. Appellant krijgt dus geen gelijk. PROCESVERLOOP Appellant heeft beroep ingesteld en stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 7 juli 2026. Appellant is verschenen en heeft nadere stukken ingediend. Het college is niet verschenen. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 5 november 2024. Hij volstaat nu met het volgende. 1.1. Met een besluit van 1 april 2021, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 5 oktober 2021, heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de PW ingetrokken met ingang van 5 maart 2021. Hieraan ligt, samengevat weergegeven, ten grondslag dat appellant de eerder gevraagde bankafschriften van alle betaal- en spaarrekeningen over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 niet heeft overgelegd en dat hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt. 1.2. Met een uitspraak van 21 maart 2022 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2021 ongegrond verklaard. 1.3. In de uitspraak van 5 november 2024 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 21 maart 2022 vernietigd, het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2021 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Hiertoe heeft de Raad overwogen dat het college op de zitting van de Raad het standpunt heeft ingenomen dat de intrekking ten onrechte is gebaseerd op artikel 54, vierde lid, van de PW, maar dat de intrekking kan worden gehandhaafd op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW, omdat appellant zijn bankrekening bij de Triodos Bank niet heeft gemeld. Door de grondslag van de intrekking eerst ter zitting van de Raad te wijzigen, heeft het college appellant de mogelijkheid ontnomen om nog in hoger beroep de bankafschriften van de Triodos Bank over te leggen om het recht op bijstand alsnog te kunnen vaststellen. Hierdoor kon op dat moment niet worden gezegd dat ook als het motiveringsgebrek er niet was geweest een besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. Het college moest appellant alsnog de gelegenheid bieden om de afschriften van de bankrekening bij de Triodos Bank over de te beoordelen periode over te leggen. De Raad heeft het college daarom opdragen om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 april 2021. Daarbij heeft de Raad bepaald dat tegen de nieuwe te nemen beslissing op bezwaar rechtstreeks beroep open staat bij de Raad. 1.4. Namens het college is appellant met een e-mail van 21 november 2024 gevraagd om de afschriften over te leggen van zijn bankrekening bij de Triodos Bank over de periode van 5 maart 2021 tot en met 1 april 2021. Hierop heeft appellant niet gereageerd. Met een e-mail van 9 december 2024 is namens het college het verzoek herhaald om voornoemde bankafschriften over te leggen. Appellant heeft diezelfde dag per e-mail gereageerd dat hij de bankrekening op 13 februari 2020 in gebruik heeft genomen, maar hij heeft de gevraagde bankafschriften daarbij niet overgelegd. Met een e-mail van 10 december 2024 is namens het college voor een laatste keer het verzoek gedaan om voornoemde bankafschriften te verstrekken. Hierop heeft appellant niet gereageerd. Het bestreden besluit 2. Met een besluit van 5 februari 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 april 2021 ongegrond verklaard. Ondanks drie daartoe strekkende verzoeken heeft appellant de gevraagde afschriften van zijn bankrekening bij de Triodos Bank over de periode van 5 maart 2021 tot 1 april 2021 niet overgelegd. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand vanaf 5 maart 2021 niet worden vastgesteld. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met het bestreden besluit niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken. Het oordeel van de Raad 4. De Raad beoordeelt of het college op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 5 november 2024. Hij doet dat aan de hand van wat appellant in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 4.1. Appellant heeft op de zitting van de Raad bankafschriften van Triodos Bank overgelegd. De Raad acht het pas op de zitting overleggen van deze bankafschriften – nog daargelaten of dit de afschriften zijn waar het college om heeft gevraagd – in dit geval in strijd met de goede procesorde. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat het college vóór het bestreden besluit al drie keer om die afschriften heeft gevraagd en appellant dus al lange tijd op de hoogte was dat hij deze moest verstrekken. Appellant heeft geen reden gegeven waarom hij de bankafschriften, die volgens de datum op de prints al op 25 november 2025 zijn uitgeprint, niet eerder dan op de zitting van de Raad heeft kunnen overleggen. Het college had zich met een brief van 29 juni 2026 al afgemeld voor de zitting, waardoor hij niet inhoudelijk heeft kunnen reageren op de bankafschriften. 4.2. Verder heeft appellant in zijn beroepschrift en ook op zitting niet duidelijk gemaakt waarom het bestreden besluit onjuist is. Daarnaast hebben de (eerder) in hoger beroep overgelegde stukken, zoals bijvoorbeeld de aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2019, geen relatie met het bestreden besluit. Conclusie en gevolgen 5. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het beroep niet slaagt. Dit betekent dat de intrekking van bijstand met ingang van 5 maart 2021 in stand blijft. 6. Omdat het beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep tegen het besluit van 5 maart 2025 ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2026.