Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-05-02
ECLI:NL:CRVB:2023:815
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,352 tokens
Inleiding
22/691 PW
Datum uitspraak: 2 mei 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2022, 21/4461 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Maassluis (college)
Procesverloop
Met een besluit van 18 december 2020 heeft het college de aanvraag van appellante om ontheffing van de arbeidsverplichtingen op grond van artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet (PW) afgewezen. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het college is met een besluit van 12 juli 2021 (bestreden besluit) bij de afwijzing van het verzoek om ontheffing gebleven.
Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. I. Car, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 maart 2023. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Talhaoui, advocaat. Verder was aanwezig haar echtgenoot, [naam] . Als tolk is verschenen M. Kada. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.E. Bensoussan.
Overwegingen
Samenvatting
In geschil is of het college terecht heeft geweigerd appellante ontheffing van de arbeidsverplichtingen te verlenen.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante en haar echtgenoot ontvangen vanaf 14 februari 2014 bijstand, laatstelijk ingevolge de PW, naar de norm voor gehuwden. Op 12 november 2020 heeft de gemachtigde van appellante namens haar een verzoek om ontheffing van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de PW gedaan wegens ‘beperkingen/klachten’. Bij brief van 7 december 2020 heeft een medewerker van de gemeente de gemachtigde verzocht om de aanvraag toe te lichten en te onderbouwen met bewijsstukken waarom appellante niet aan de arbeidsverplichtingen kan voldoen. Op 15 december 2020 heeft de gemachtigde laten weten dat appellante niet aan het verzoek kan voldoen, omdat de verzochte gegevens medische informatie betreffen. Ook heeft hij verzocht om een medisch specialist in te schakelen.
1.2.
Bij besluit van 18 december 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 juli 2021 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om ontheffing van de arbeidsverplichtingen afgewezen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank rust de bewijslast voor dringende redenen die aanleiding kunnen vormen voor ontheffing van de arbeidsverplichtingen op de aanvrager van de ontheffing. Het is aan de aanvrager om eerst met (een begin van) bewijs te komen waaruit blijkt dat hij beperkingen bij de arbeidsinschakeling ondervindt, voordat het aan het college is hier nader onderzoek naar te doen. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:639. Appellante heeft in haar aanvraag alleen gesteld dat zij wegens beperkingen niet aan de arbeidsverplichtingen kan voldoen. Appellante had bijvoorbeeld enig inzicht kunnen geven in wat zij, gelet op haar medische situatie, wel en niet kan. Het hoeft hierbij niet om informatie van een arts te gaan. Het enkele feit dat het college aan appellante wegens medische beperkingen in het verleden een ontheffing heeft verleend, betekent niet dat appellante haar aanvraag niet diende te onderbouwen. Haar situatie kan immers zijn gewijzigd.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft, evenals in beroep, tegen die uitspraak aangevoerd dat het college een medisch adviseur had moeten inschakelen, omdat de aanvraag medische aspecten heeft. Appellante is in het verleden ontheven van de arbeidsverplichtingen. Het college is dus bekend met de problematiek van appellante.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om afwijzing van het verzoek om vrijstelling van de arbeidsverplichtingen in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich daarom vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust.
Conclusie
4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het besluit van 12 juli 2021 in stand blijft.
5. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van N. van der Horn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2023.
(getekend) A.M. Overbeeke
(getekend) N. van der Horn
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet (PW)
In artikel 9, eerste lid, onder a, b en c, van de PW zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling en tegenprestatie opgenomen. Het tweede lid biedt het college de mogelijkheid om in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Inleiding
22/691 PW
Datum uitspraak: 2 mei 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 januari 2022, 21/4461 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Maassluis (college)
Procesverloop
Met een besluit van 18 december 2020 heeft het college de aanvraag van appellante om ontheffing van de arbeidsverplichtingen op grond van artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet (PW) afgewezen. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het college is met een besluit van 12 juli 2021 (bestreden besluit) bij de afwijzing van het verzoek om ontheffing gebleven.
Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. I. Car, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 maart 2023. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Talhaoui, advocaat. Verder was aanwezig haar echtgenoot, [naam] . Als tolk is verschenen M. Kada. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.E. Bensoussan.
Overwegingen
Samenvatting
In geschil is of het college terecht heeft geweigerd appellante ontheffing van de arbeidsverplichtingen te verlenen.
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante en haar echtgenoot ontvangen vanaf 14 februari 2014 bijstand, laatstelijk ingevolge de PW, naar de norm voor gehuwden. Op 12 november 2020 heeft de gemachtigde van appellante namens haar een verzoek om ontheffing van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9 van de PW gedaan wegens ‘beperkingen/klachten’. Bij brief van 7 december 2020 heeft een medewerker van de gemeente de gemachtigde verzocht om de aanvraag toe te lichten en te onderbouwen met bewijsstukken waarom appellante niet aan de arbeidsverplichtingen kan voldoen. Op 15 december 2020 heeft de gemachtigde laten weten dat appellante niet aan het verzoek kan voldoen, omdat de verzochte gegevens medische informatie betreffen. Ook heeft hij verzocht om een medisch specialist in te schakelen.
1.2.
Bij besluit van 18 december 2020, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 juli 2021 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om ontheffing van de arbeidsverplichtingen afgewezen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank rust de bewijslast voor dringende redenen die aanleiding kunnen vormen voor ontheffing van de arbeidsverplichtingen op de aanvrager van de ontheffing. Het is aan de aanvrager om eerst met (een begin van) bewijs te komen waaruit blijkt dat hij beperkingen bij de arbeidsinschakeling ondervindt, voordat het aan het college is hier nader onderzoek naar te doen. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:639. Appellante heeft in haar aanvraag alleen gesteld dat zij wegens beperkingen niet aan de arbeidsverplichtingen kan voldoen. Appellante had bijvoorbeeld enig inzicht kunnen geven in wat zij, gelet op haar medische situatie, wel en niet kan. Het hoeft hierbij niet om informatie van een arts te gaan. Het enkele feit dat het college aan appellante wegens medische beperkingen in het verleden een ontheffing heeft verleend, betekent niet dat appellante haar aanvraag niet diende te onderbouwen. Haar situatie kan immers zijn gewijzigd.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft, evenals in beroep, tegen die uitspraak aangevoerd dat het college een medisch adviseur had moeten inschakelen, omdat de aanvraag medische aspecten heeft. Appellante is in het verleden ontheven van de arbeidsverplichtingen. Het college is dus bekend met de problematiek van appellante.
Beoordeling
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om afwijzing van het verzoek om vrijstelling van de arbeidsverplichtingen in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich daarom vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust.
Conclusie
4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het besluit van 12 juli 2021 in stand blijft.
5. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke, in tegenwoordigheid van N. van der Horn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2023.
(getekend) A.M. Overbeeke
(getekend) N. van der Horn
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Participatiewet (PW)
In artikel 9, eerste lid, onder a, b en c, van de PW zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling en tegenprestatie opgenomen. Het tweede lid biedt het college de mogelijkheid om in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.