Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2022-01-20
ECLI:NL:RBROT:2022:302
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,216 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/4461
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2022 in de zaak tussen
[naam eiseres], te [woonplaats eiseres], eiseres,
gemachtigde: mr. I. Car,
en
het college van burgemeester en wethouders van Maassluis, verweerder,
gemachtigde: mr. N.E. Bensoussan.
Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om ontheffing van de arbeidsverplichtingen op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.
Bij besluit van 12 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft aanvullende stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiseres ontvangt een bijstandsuitkering op grond van de Pw. Op 12 november 2020 heeft zij een verzoek om ontheffing van de arbeidsverplichtingen ingediend. Verweerder heeft eiseres daarop verzocht het verzoek te onderbouwen met bewijsstukken waaruit blijkt dat zij niet aan die verplichtingen kan voldoen. Eiseres heeft op 15 december 2020 aan verweerder te kennen gegeven dat zij die bewijsstukken niet wil inleveren omdat het gaat om medische stukken. Zij heeft verweerder verzocht een medisch specialist in te schakelen.
2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres haar verzoek om ontheffing van de arbeidsverplichtingen niet heeft onderbouwd en daarom niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan zij van de verplichtingen dient te worden ontheven.
3. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Zij heeft namelijk al jaren medische klachten, die bij verweerder bekend zijn. Eiseres heeft daarbij aangevoerd dat zij niet heeft geweigerd om de aanvraag te onderbouwen maar dat zij haar medische informatie alleen wil inleveren bij een medisch specialist.
4.1.
In artikel 9, eerste lid, van de Pw zijn de verplichtingen tot arbeidsinschakeling opgenomen.
Artikel 9, tweede lid, van de Pw biedt verweerder de mogelijkheid om in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen bedoeld in het eerste lid, onder a en onder c, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
4.2.
De bewijslast van dringende redenen die aanleiding kunnen vormen voor ontheffing van de arbeidsverplichtingen, rust op de aanvrager van de ontheffing. Het is aan de aanvrager om eerst met (een begin van) bewijs te komen waaruit blijkt dat hij beperkingen bij de arbeidsinschakeling ondervindt, voordat het aan verweerder is hier nader onderzoek naar te doen (vgl. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:639).
4.3.
Eiseres heeft in haar aanvraag vermeld dat zij wegens beperkingen niet aan de arbeidsverplichtingen kan voldoen. Op basis daarvan was verweerder nog niet gehouden een medisch onderzoek te laten verrichten. Eiseres had daarvoor met (een begin van) bewijs moeten komen, bijvoorbeeld door enig inzicht te geven in wat zij, gelet op haar medische situatie, wel en niet kan. Het hoeft hierbij niet om informatie van een arts te gaan. Het enkele feit dat verweerder aan eiseres wegens medische beperkingen in het verleden een ontheffing heeft verleend, betekent niet dat eiseres haar aanvraag niet diende te onderbouwen. Haar medische situatie kan immers zijn gewijzigd. Verweerder heeft de aanvraag dan ook, bij gebrek aan onderbouwing, terecht afgewezen.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J. Flikweert, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 20 januari 2022.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.