Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-09-30
ECLI:NL:CRVB:2022:2155
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
1,604 tokens
Inleiding
212623 AW
Datum uitspraak: 30 september 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 22 december 2016, 15/6187 AW
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
het college van burgemeester en wethouders van Katwijk (college)
Procesverloop
Verzoekster heeft bij brief van 11 juli 2021 een verzoek om herziening ingediend.
Namens het college heeft mr. J. van Zanten, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2022. Verzoekster is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Zanten.
Overwegingen
1.1.
Bij uitspraak van 22 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5020, heeft de Raad het bij besluit van 31 maart 2015 ongegrond verklaarde bezwaar tegen het besluit van 25 november 2014, waarbij verzoekster wegens plichtsverzuim met ingang van 1 december 2014 de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag is opgelegd, in stand gelaten.
1.2.
Bij uitspraak van 18 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:152, heeft de Raad een verzoek om herziening van de uitspraak van 22 december 2016 afgewezen.
1.3.
Bij uitspraak van 10 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3235, heeft de Raad een tweede verzoek om herziening van de uitspraak van 22 december 2016 afgewezen.
1.4.
Bij uitspraak van 14 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:123, heeft de Raad een derde verzoek om herziening van de uitspraak van 22 december 2016 afgewezen.
1.5.
Verzoekster heeft aan het nu ingediende verzoek om herziening ten grondslag gelegd dat op de brief van 21 januari 2015 van haar gemachtigde aan het college een stempel is aangebracht door de administratie van de gemeente.
2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
2.1.
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2.2.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om herziening nietontvankelijk moet worden verklaard omdat het onredelijk laat is ingediend. De Raad volgt dit niet. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraken van 20 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1055 en 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1702) geldt dat een verzoek om herziening als hier aan de orde in de regel geacht wordt onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan een jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten en omstandigheden dan wel, indien geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn gesteld, na de openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. Verzoekster heeft onbetwist gesteld eind juli 2021 bekend te zijn geworden met de door haar overgelegde versie van de brief met stempel toen zij in een andere procedure stukken van de rechtbank ontving. Bij de ontslagprocedure zat er een versie in het dossier zonder die stempel. Nu verzoekster haar verzoek binnen de in de rechtspraak genoemde termijn van een jaar heeft ingediend, bestaat er geen aanleiding om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat het onredelijk laat is ingediend.
2.3.
Het is vaste rechtspraak dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om een hernieuwde discussie over een zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen.
2.4.
Verzoekster heeft ter zitting toegelicht dat het feit dat de gemeente op de brief een stempel van ontvangst en een barcode heeft aangebracht, bewijst dat alle andere stukken die ten grondslag liggen aan het ontslagbesluit, en waarop de uitspraak van de Raad was gebaseerd, niet afkomstig zijn uit de administratie van de gemeente en dus niet echt zijn, omdat op die stukken in het namens het college overgelegde dossier geen stempel is aangebracht. Verzoekster wordt hierin niet gevolgd. Aan het enkele feit dat op de gronden van het bezwaar een stempel is geplaatst met de datum van ontvangst en een barcode, kan niet de conclusie worden verbonden dat de stukken, waarop niet een dergelijke stempel is vermeld, niet echt zijn. Dit betekent dat als de stempel eerder bij de Raad bekend was geweest, dit niet tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden. Al hierom wordt niet aan de in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb gestelde eisen voldaan. Het verzoek om herziening moet daarom worden afgewezen.
3. Het college heeft verzocht om verzoekster te veroordelen in de proceskosten. Gelet op het bepaalde in artikel 8:75, derde volzin, van de Awb kan een natuurlijk persoon alleen in de proceskosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. De Raad ziet voor een dergelijke veroordeling onvoldoende aanleiding. Weliswaar heeft verzoekster ook bij dit verzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die tot herziening zouden kunnen leiden, maar anders dan het college heeft gesteld, is dit verzoek niet een volledige herhaling van de eerder door verzoekster ingediende verzoeken. Reeds hierom kan niet worden gezegd dat het verzoekster redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat haar verzoek volstrekt kansloos was.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2022.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) L.C. van Bentum