Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-07-21
ECLI:NL:CRVB:2022:1629
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,395 tokens
Inleiding
20 3181 ZW
Datum uitspraak: 21 juli 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 11 augustus 2020, 19/2846 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. L.M.E. Embregts, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Mr. J.I.T. Sopacua, advocaat, heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, door middel van videobellen, plaatsgevonden op 22 juni 2022. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Sopacua. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W.C. Jacobs.
Overwegingen
1.1.
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als interieurverzorgster voor gemiddeld 14,79 uur per week. Op 21 februari 2018 heeft zij zich ziek gemeld met psychische en lichamelijke klachten. Het Uwv heeft appellante bij besluit van 23 mei 2018 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2.
In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 januari 2019. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is zijn eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante 98,16% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 20 februari 2019 de ZW-uitkering van appellante met ingang van 21 maart 2019 beëindigd, omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. In bezwaar heeft een arts bezwaar en beroep de FML op een aantal aspecten aangescherpt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft twee functies laten vervallen en appellante op basis van de resterende drie functies nog steeds in staat geacht om meer dan 65% van het maatmanloon te verdienen. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 februari 2019 heeft het Uwv bij besluit van 2 oktober 2019 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is. De door appellante aangevoerde gronden bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de beperkingen van appellante te licht zijn gewaardeerd. Uit de door appellante overgelegde afsprakenlijsten en het medicatieoverzicht kan niet worden afgeleid dat het Uwv met de gezondheidsklachten van appellante onvoldoende rekening heeft gehouden. De voor appellante geselecteerde functies acht de rechtbank geschikt.
3.1.
In hoger beroep heeft appellante betwist dat zij meer kan verdienen dan 65% van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Appellante stelt dat haar medische situatie niet is verbeterd, maar enkel is verslechterd. Volgens appellante heeft zij meer beperkingen dan de verzekeringsarts heeft aangenomen. Wat betreft haar psychische klachten voert appellante aan dat zij ten tijde in geding nog onder behandeling van haar psychiater stond. De verzekeringsarts heeft nagelaten om bij deze behandelaar informatie in te winnen. Appellante stelt ook fysieke beperkingen te hebben onder meer als gevolg van een menopauze preacox, astma, polyartrose en soms radiculaire pijn in haar rechterbeen. Appellante acht de voor haar geselecteerde functies niet geschikt en stelt daarbij onder meer dat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).
4.2.
De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het onderzoek zorgvuldig is. De primaire verzekeringsarts heeft appellante gezien op een spreekuur en de arts bezwaar en beroep heeft informatie van de huisarts bij zijn beoordeling betrokken. In die informatie van de huisarts zijn de fysieke en psychische klachten van appellante, de door de behandelend specialisten gestelde diagnoses en voorgeschreven medicatie, alsmede het beloop van de klachten beschreven. Tevens heeft de arts bezwaar en beroep in aansluiting op de hoorzitting een eigen psychisch en lichamelijk onderzoek verricht. Voor het oordeel dat aanvullend informatie had moeten worden opgevraagd bij de behandelend psychiater wordt geen aanleiding gezien. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 20 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4863) mag een verzekeringsarts in beginsel varen op zijn eigen oordeel. Raadpleging van de behandelend sector is echter geboden als de behandelend sector een beredeneerd afwijkend idee heeft over de medische beperkingen. Die situatie doet zich hier niet voor. Niet valt in te zien dat de arts bezwaar en beroep, gelet op de informatie van de behandelaars waarover hij reeds beschikte en gelet op de bevindingen tijdens het eigen psychisch onderzoek, over onvoldoende informatie beschikte om de beperkingen van appellante vast te kunnen stellen.
4.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de arts bezwaar en beroep. Er is rekening gehouden met de angst- en depressieve klachten van appellante en niet gebleken is dat de hieruit voortvloeiende beperkingen zijn onderschat. Zoals de arts bezwaar en beroep te kennen heeft gegeven in zijn reactie van 23 maart 2022 bevat de brief van (onder meer ) de behandelend psychiater van 9 september 2020 geen nieuwe medische informatie. Er worden door de psychiater geen nieuwe diagnoses genoemd en ook overigens bevat deze brief geen ander beeld ten aanzien van de medische situatie van appellante ten tijde in geding. Ook de stellingen van appellante over de frequentie van de behandelingen van de psychiater en de duur ervan leiden er niet toe dat de belastbaarheid van appellante onjuist is vastgesteld. Met het medicijngebruik van appellante heeft de arts bezwaar en beroep rekening gehouden door een beperking aan te nemen op het aspect ‘persoonlijk risico’. De stelling van appellante dat zij vanwege haar medicatie ook bijwerkingen heeft op het gebied van (onder meer) concentratie en reactievermogen heeft zij onvoldoende onderbouwd. Verder blijkt uit de door appellante overgelegde medicatieoverzichten niet dat de arts bezwaar en beroep voor wat betreft de datum in geding is uitgegaan van onjuiste en/of onvolledige gegevens.
4.4.
Ook wat betreft de fysieke aandoeningen, zoals astma en eczeem en pijnklachten aan het bewegingsapparaat, heeft de arts bezwaar en beroep inzichtelijk toegelicht waarom volstaan kan worden met de in de FML van 26 augustus 2019 vastgelegde beperkingen. Dat de arts bezwaar en beroep de pijnklachten aanvankelijk beschreef als aspecifieke klachten en dat nu in de verwijsbrief van de huisarts van 11 september 2020 melding wordt gemaakt van polyartrose leidt niet tot een ander oordeel.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2022.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) A.M.M. Chevalier