Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-01-14
ECLI:NL:CRVB:2021:81
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
4,646 tokens
Inleiding
184277 WIA
Datum uitspraak: 14 januari 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 juni 2018, 1/4016 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. B.F. Desloover, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Desloover. Het Uwv is niet verschenen.
Overwegingen
1.1.
Appellante was laatstelijk werkzaam als intakemedewerkster bij een welzijnsstichting. Op 21 februari 2012 heeft zij zich voor die werkzaamheden ziek gemeld. Op 1 maart 2013 is haar dienstverband beëindigd, in verband waarmee zij in aanmerking is gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet. Na ommekomst van de wachttijd heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid beoordeeld en geconcludeerd dat appellante per 18 februari 2014 geen recht heeft op een WIA-uitkering. In verband daarmee is appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de WW. Vanuit die situatie heeft zij zich op 8 december 2014 ziek gemeld.
1.2.
Op 7 september 2016 heeft appellante een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellante is naar aanleiding van die aanvraag onderzocht door een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts. Deze heeft beperkingen voor appellant vastgesteld en deze neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 november 2016. Op basis van deze FML heeft een voor het Uwv werkzame arbeidsdeskundige functies voor appellante geselecteerd en aan de hand daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 44,94%. Overeenkomstig deze conclusies heeft het Uwv bij besluit van 25 januari 2017 appellante met ingang van 5 december 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 44,94%.
1.3.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 januari 2017. In verband daarmee is zij onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze heeft aanleiding gezien de FML bij te stellen en meer beperkingen op te nemen ten aanzien van, onder meer, hoofdbewegingen maken en gehurkt of geknield actief zijn. Ten aanzien van concentratie en wisselen van aandacht zijn de beperkingen vervallen. Deze aanpassing zijn verwerkt in een FML van 24 augustus 2017. Aan de hand van de aangepaste FML heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de eerder aan appellante voorgehouden functies beoordeeld en geconcludeerd dat deze nog steeds voor appellante geschikt waren. Overeenkomstig die conclusie heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 25 augustus 2017 (bestreden besluit) het bezwaar gegrond verklaard.
2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het door Uwv verrichte medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de beide verzekeringsartsen appellante hebben onderzocht en dat de informatie uit de behandelende sector bij de beoordeling is betrokken. De rechtbank heeft verder overwogen dat gemotiveerd is ingegaan op de medische informatie en dat er geen aanleiding is om verdergaande beperkingen aan te nemen. De rechtbank heeft daarbij appellante niet gevolgd in haar stelling dat de verzekeringsartsen niet over expertise beschikken die is gerelateerd aan sarcoïdose, de ziekte waaraan zij lijdt. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het tot de specifieke deskundigheid van verzekeringsartsen behoort om beperkingen aan te nemen op basis van door specialisten opgestelde medische klachten en om zich een oordeel te vormen over de medische arbeidsongeschiktheid van de betreffende persoon. Voor de rechtbank vormde dit ook reden om geen deskundige te benoemen. Dat oordeel was ingegeven doordat de diagnose die ten aanzien van appellante is gesteld, in het geheel niet ter discussie staat.
2.2.
Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank geoordeeld dat, uitgaande van de juistheid van de FML de geduide functies passend zijn en de belastbaarheid van appellante niet overschrijden. Het Uwv heeft dat naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat de rechtbank een deskundige had moeten benoemen. Zij wijst er daartoe op dat de ziekte waar zij mee kampt minder bekend is en dat daaromtrent veel onduidelijkheid bestaat. Zij stelt dat door het Uwv zwaar moet worden geleund op de bevindingen van haar specialistische behandelaar die alom bekend is als de specialist op het gebied van sarcoïdose. Daarbij heeft appellante er nog op gewezen dat haar behandelaar heeft verwoord dat appellante “enorm beperkt” is en dat “haar belastbaarheid enorm verminderd” is. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellant nog nadere medische informatie ingebracht, waaronder een brief van longarts dr. M. Veltkamp waarin deze schrijft zich voor te kunnen stellen dat “deze chronische pijnklachten een enorme extra belasting zijn tijdens werkzaamheden”. Verder wordt over de chronische vermoeidheid geschreven: “Ook deze vermoeidheidsklachten bij mevrouw Steenbeek kunnen naar mijn mening een forse extra belasting zijn voor haar werkzaamheden”.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft er daarbij op gewezen dat niet ter discussie staat dat appellante verminderd belastbaar is. In de FML zijn voor appellante immers forse beperkingen aangenomen. Het Uwv stelt dat er geen reden is voor een grotere beperking ten aanzien van de duurbelastbaarheid. Het Uwv wijst erop dat appellante een korte nachtrust heeft en dat ze overdag wel rustmomenten neemt maar niet gaat slapen. Gezien het dagverhaal ondernam appellante in 2016 duidelijke activiteiten, zoals autorijden, en zat ze in de gemeenteraad. Ook lukt het haar om zich langdurende te concentreren, zoals blijkt uit het kijken naar films.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
Partijen verschillen er niet over van mening dat appellante op de datum in geding vermoeidheids- en pijnklachten had die onder meer werden veroorzaakt door een scoliose en sarcoïdose. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of het Uwv in verband met die klachten voldoende beperkingen in de FML heeft opgenomen.
4.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben beiden appellante onderzocht. Zij hebben kennis genomen van de medische informatie die op verzoek van het Uwv en op verzoek van appellante is ingebracht. Deze informatie is kenbaar verwerkt in de rapportages en gemotiveerd is hoe met de bevindingen rekening is gehouden bij het vaststellen van de beperkingen.
4.4.
Ten aanzien van appellante zijn veel en forse beperkingen aangenomen. Ook ten aanzien van de werktijden gelden voor appellante beperkingen, in die zin dat zij niet ’s nachts kan werken, dat zij niet in wisseldiensten kan werken en dat de werktijden zijn beperkt tot acht uur per dag en veertig uur per week. Uit het dagverhaal, dat als zodanig door appellante niet wordt betwist, volgt dat zij ten tijde in geding weliswaar kort sliep, maar overdag niet ging slapen. Zij ondernam daarbij ook activiteiten en was lid van de gemeenteraad. In combinatie met de overige voor haar opgenomen beperkingen is door het Uwv overtuigend gemotiveerd dat er geen aanleiding is om ook nog een verdere beperking in het aantal uren op te nemen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van A.L.K. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2021.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) A.L.K. Dagmar
Inleiding
184277 WIA
Datum uitspraak: 14 januari 2021
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 juni 2018, 1/4016 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. B.F. Desloover, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Desloover. Het Uwv is niet verschenen.
Overwegingen
1.1.
Appellante was laatstelijk werkzaam als intakemedewerkster bij een welzijnsstichting. Op 21 februari 2012 heeft zij zich voor die werkzaamheden ziek gemeld. Op 1 maart 2013 is haar dienstverband beëindigd, in verband waarmee zij in aanmerking is gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet. Na ommekomst van de wachttijd heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid beoordeeld en geconcludeerd dat appellante per 18 februari 2014 geen recht heeft op een WIA-uitkering. In verband daarmee is appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de WW. Vanuit die situatie heeft zij zich op 8 december 2014 ziek gemeld.
1.2.
Op 7 september 2016 heeft appellante een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellante is naar aanleiding van die aanvraag onderzocht door een voor het Uwv werkzame verzekeringsarts. Deze heeft beperkingen voor appellant vastgesteld en deze neergelegd in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 november 2016. Op basis van deze FML heeft een voor het Uwv werkzame arbeidsdeskundige functies voor appellante geselecteerd en aan de hand daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 44,94%. Overeenkomstig deze conclusies heeft het Uwv bij besluit van 25 januari 2017 appellante met ingang van 5 december 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 44,94%.
1.3.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 januari 2017. In verband daarmee is zij onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze heeft aanleiding gezien de FML bij te stellen en meer beperkingen op te nemen ten aanzien van, onder meer, hoofdbewegingen maken en gehurkt of geknield actief zijn. Ten aanzien van concentratie en wisselen van aandacht zijn de beperkingen vervallen. Deze aanpassing zijn verwerkt in een FML van 24 augustus 2017. Aan de hand van de aangepaste FML heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de eerder aan appellante voorgehouden functies beoordeeld en geconcludeerd dat deze nog steeds voor appellante geschikt waren. Overeenkomstig die conclusie heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 25 augustus 2017 (bestreden besluit) het bezwaar gegrond verklaard.
2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het door Uwv verrichte medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de beide verzekeringsartsen appellante hebben onderzocht en dat de informatie uit de behandelende sector bij de beoordeling is betrokken. De rechtbank heeft verder overwogen dat gemotiveerd is ingegaan op de medische informatie en dat er geen aanleiding is om verdergaande beperkingen aan te nemen. De rechtbank heeft daarbij appellante niet gevolgd in haar stelling dat de verzekeringsartsen niet over expertise beschikken die is gerelateerd aan sarcoïdose, de ziekte waaraan zij lijdt. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het tot de specifieke deskundigheid van verzekeringsartsen behoort om beperkingen aan te nemen op basis van door specialisten opgestelde medische klachten en om zich een oordeel te vormen over de medische arbeidsongeschiktheid van de betreffende persoon. Voor de rechtbank vormde dit ook reden om geen deskundige te benoemen. Dat oordeel was ingegeven doordat de diagnose die ten aanzien van appellante is gesteld, in het geheel niet ter discussie staat.
2.2.
Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling heeft de rechtbank geoordeeld dat, uitgaande van de juistheid van de FML de geduide functies passend zijn en de belastbaarheid van appellante niet overschrijden. Het Uwv heeft dat naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat de rechtbank een deskundige had moeten benoemen. Zij wijst er daartoe op dat de ziekte waar zij mee kampt minder bekend is en dat daaromtrent veel onduidelijkheid bestaat. Zij stelt dat door het Uwv zwaar moet worden geleund op de bevindingen van haar specialistische behandelaar die alom bekend is als de specialist op het gebied van sarcoïdose. Daarbij heeft appellante er nog op gewezen dat haar behandelaar heeft verwoord dat appellante “enorm beperkt” is en dat “haar belastbaarheid enorm verminderd” is. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellant nog nadere medische informatie ingebracht, waaronder een brief van longarts dr. M. Veltkamp waarin deze schrijft zich voor te kunnen stellen dat “deze chronische pijnklachten een enorme extra belasting zijn tijdens werkzaamheden”. Verder wordt over de chronische vermoeidheid geschreven: “Ook deze vermoeidheidsklachten bij mevrouw Steenbeek kunnen naar mijn mening een forse extra belasting zijn voor haar werkzaamheden”.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft er daarbij op gewezen dat niet ter discussie staat dat appellante verminderd belastbaar is. In de FML zijn voor appellante immers forse beperkingen aangenomen. Het Uwv stelt dat er geen reden is voor een grotere beperking ten aanzien van de duurbelastbaarheid. Het Uwv wijst erop dat appellante een korte nachtrust heeft en dat ze overdag wel rustmomenten neemt maar niet gaat slapen. Gezien het dagverhaal ondernam appellante in 2016 duidelijke activiteiten, zoals autorijden, en zat ze in de gemeenteraad. Ook lukt het haar om zich langdurende te concentreren, zoals blijkt uit het kijken naar films.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
Partijen verschillen er niet over van mening dat appellante op de datum in geding vermoeidheids- en pijnklachten had die onder meer werden veroorzaakt door een scoliose en sarcoïdose. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of het Uwv in verband met die klachten voldoende beperkingen in de FML heeft opgenomen.
4.3.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben beiden appellante onderzocht. Zij hebben kennis genomen van de medische informatie die op verzoek van het Uwv en op verzoek van appellante is ingebracht. Deze informatie is kenbaar verwerkt in de rapportages en gemotiveerd is hoe met de bevindingen rekening is gehouden bij het vaststellen van de beperkingen.
4.4.
Ten aanzien van appellante zijn veel en forse beperkingen aangenomen. Ook ten aanzien van de werktijden gelden voor appellante beperkingen, in die zin dat zij niet ’s nachts kan werken, dat zij niet in wisseldiensten kan werken en dat de werktijden zijn beperkt tot acht uur per dag en veertig uur per week. Uit het dagverhaal, dat als zodanig door appellante niet wordt betwist, volgt dat zij ten tijde in geding weliswaar kort sliep, maar overdag niet ging slapen. Zij ondernam daarbij ook activiteiten en was lid van de gemeenteraad. In combinatie met de overige voor haar opgenomen beperkingen is door het Uwv overtuigend gemotiveerd dat er geen aanleiding is om ook nog een verdere beperking in het aantal uren op te nemen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van A.L.K. Dagmar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2021.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) A.L.K. Dagmar