Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-06-21
ECLI:NL:CRVB:2022:1436
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,536 tokens
Inleiding
203751 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn van 29 september 2020 en op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn (college)
Datum uitspraak: 21 juni 2022
Procesverloop
Bij uitspraak van 30 juni 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:1404) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 september 2017 (16/6710) vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
Op 29 september 2020 heeft het college een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit).
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om schadevergoeding ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2022. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Kikkert.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 30 juni 2020. Hij volstaat nu met het volgende.
1.2.
Het college heeft ter uitvoering van de uitspraak bij het bestreden besluit het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 mei 2016 gegrond verklaard en aan appellant bijstand op grond van de Participatiewet (PW) toegekend over de periode van 9 maart 2016 tot (lees: tot en met) 12 september 2016 met toepassing van de kostendelersnorm. Het college heeft daarbij overwogen dat een huur van € 100,- per maand geen commerciële huurprijs is, dat in de huurovereenkomst geen indexering van de huurprijs is opgenomen en dat appellant over de gehele te beoordelen periode geen huur heeft betaald. Op de bijstand heeft het college kasstortingen, bijschrijvingen en inkomsten uit arbeid in mindering gebracht. Het college heeft aan appellant een bedrag van € 105,14 aan wettelijke rente vergoed.
2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit, kort weergegeven, aangevoerd dat de kostendelersnorm niet van toepassing is omdat hij een commerciële huurrelatie heeft met de hoofdbewoner, dat de leningen die hij heeft ontvangen ten onrechte als inkomen zijn aangemerkt en dat zijn inkomsten uit arbeid deels vrijgelaten hadden moeten worden. Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de door het college toegekende wettelijke rente onvoldoende is om zijn werkelijke schade te vergoeden.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
De omvang van het geding is, zoals ter zitting is besproken, beperkt tot de vraag of het college op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad van 30 juni 2020. Zoals ter zitting is besproken loopt de te beoordelen periode van 9 maart 2016 tot en met 12 september 2016. Voor zover de beroepsgronden van appellant niet zien op de toekenning van de bijstand over de te beoordelen periode en op de hoogte van de toegekende wettelijke rente, treffen deze dan ook geen doel.
Kostendelersnorm
3.2.
De Raad is van oordeel dat het college in de te beoordelen periode terecht de kostendelersnorm heeft toegepast.
3.2.1.
Ingevolge artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 21 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft en niet op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van de belanghebbende, in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft.
3.2.2.
In artikel 19a, tweede lid, van de PW is bepaald dat de belanghebbende voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen b en c, op verzoek van het college de schriftelijke overeenkomst overlegt en de betaling van de commerciële prijs aantoont door het overleggen van de bewijzen van betaling.
3.2.3.
Het college heeft zich, onder verwijzing naar de zogenaamde huurprijscheck, terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een commerciële huurprijs. De overeengekomen huurprijs (€ 100,- per maand) ligt ruim onder het resultaat van de huurprijscheck (€ 227,10 per maand). Weliswaar komt appellant in de huurprijscheck die hij heeft gedaan tot een veel lagere maximale huurprijs, maar appellant is uitgegaan van het gebruik van een woonkamer van 1 m2 terwijl hij volgens de huurovereenkomst de gehele woonkamer van 24 m2 tot zijn beschikking heeft. Verder is van belang dat in de huurovereenkomst geen indexering van de huurprijs is opgenomen en dat appellant, zoals hij ter zitting heeft bevestigd, in de te beoordelen periode geen huur heeft betaald.
3.3.
Appellant heeft aangevoerd dat zijn feitelijke woonsituatie in de te beoordelen periode niet verschilt van de woonsituatie zoals die was per 4 juni 2019 en 7 april 2020 terwijl toen wel bijstand naar de norm voor een alleenstaande is toegekend.
3.4.
Deze grond slaagt niet. Zoals de gemachtigde van het college ter zitting heeft verklaard, en door appellant ook verder niet wordt bestreden, woonde appellant ten tijde van de besluiten van 4 juni 2019 en 7 april 2020 niet meer op het adres waar hij woonde ten tijde van de periode hier in geding. Zijn woon- en leefsituatie is daarom, anders dan appellant stelt, niet te vergelijken met die ten tijde van de te beoordelen periode.
3.5.
Appellant heeft naar voren gebracht dat het college verschillende toezeggingen niet is nagekomen en dat het college ook daarom gehouden was bijstand naar de norm voor een alleenstaande toe te kennen. Ook deze grond slaagt niet. Bij de beoordeling van de vraag of de kostendelersnorm terecht is toegepast, is de feitelijke situatie doorslaggevend. Uit 3.2.3 volgt dat het college terecht de kostendelersnorm heeft toegepast.
Inkomsten
3.6.
Appellant voert aan dat het college de bedragen die hij van X heeft ontvangen niet als inkomsten kunnen worden aangemerkt omdat het gaat om leningen. Hij heeft geld geleend om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Deze grond slaagt niet.
3.7.
Een betrokkene heeft in beginsel geen recht op bijstand indien en voor zover hij/zij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138). Dit kan anders zijn indien die betrokkene in een periode waarin geen of ontoereikende inkomsten aanwezig zijn voor de voorziening in het levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen. Daartoe dient de betrokkene in ieder geval aannemelijk te maken dat hij geen ander toereikend inkomen heeft en dat het gaat om leningen die zijn verstrekt voor levensonderhoud. De betrokkene moet over die leningen aannemelijk maken van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij de lening heeft ontvangen. Ook moet de betrokkene aannemelijk maken dat bij de betaling, en niet later, de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft en dat die dus moet worden terugbetaald, en dat die lening is bedoeld voor levensonderhoud. Een bankoverschrijving met de vermelding ‘lening voor levensonderhoud’, waarbij de identiteit van de crediteur vaststaat, zal daartoe in beginsel volstaan. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3188).
3.8.
Die situatie doet zich hier niet voor. Appellant heeft weliswaar leenovereenkomsten van 1 maart 2016 en 1 april 2016 overgelegd waarin X verklaart dat hij appellant tweemaal een bedrag van € 500,- heeft geleend, maar hierin zijn geen concrete terugbetalingsverplichtingen opgenomen. Bepaald is dat appellant de lening terugbetaalt, zodra appellant over inkomen beschikt. Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij, ondanks dat hij over inkomen beschikt, niets aan X heeft terugbetaald. Voor wat betreft de bijschrijvingen van X in de maanden mei 2016 tot en met juli 2016 heeft appellant geen gegevens overgelegd waaruit blijkt met welk doel de bijschrijvingen zijn verricht, zodat niet gezegd kan worden dat hier sprake is van, kort gezegd, leningen die bedoeld waren om te voorzien in het levensonderhoud van appellant in een periode dat hij niet over een ander inkomen beschikte.
Conclusie
3.13.
Uit 3.1 tot en met 3.12 volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door K.M.P. Jacobs, in tegenwoordigheid van B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2022.
(getekend) K.M.P. Jacobs
(getekend) B. Beerens