Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2023-09-21
ECLI:NL:RBROT:2023:8758
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,677 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 23/380 en ROT 23/711
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 september 2023 in de zaken tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
(gemachtigde: mr. J.M. Tang).
Inleiding
Met twee besluiten van 27 september 2022 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen en het verstrekte voorschot teruggevorderd.
Met het besluit van 19 oktober 2022 heeft verweerder eiser met ingang van 1 oktober 2022 een uitkering op grond van de Pw toegekend, onder oplegging van een maatregel van 100% gedurende één maand.
Met de besluiten van 18 januari 2023 (bestreden besluit 1) en 31 januari 2023 (bestreden besluit 2) heeft verweerder eisers bezwaren ongegrond verklaard. Tegen deze besluiten heeft eiser beroep ingesteld.
Verweerder heeft in beide zaaknummers een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op 25 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
De afwijzing van de aanvraag om een bijstandsuitkering en de terugvordering van het verstrekte voorschot (ROT 23/380)
1. Eiser heeft op 27 augustus 2022 een bijstandsuitkering op grond van de Pw aangevraagd. Verweerder heeft naar aanleiding van deze aanvraag bij eiser bankafschriften opgevraagd en om informatie verzocht over eisers gokactiviteiten en zijn ontslag. Tijdens de aanvraagprocedure heeft verweerder eiser een voorschot toegekend van € 566,65. Verweerder heeft de aanvraag vervolgens afgewezen omdat eiser niet alle voor de beoordeling van het recht op bijstand noodzakelijke informatie heeft verstrekt. Omdat eiser geen recht had op bijstand heeft verweerder het verstrekte voorschot teruggevorderd.
2. Met bestreden besluit 1 heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag en de terugvordering van het voorschot gehandhaafd, onder aanpassing van de motivering. Verweerder heeft aan bestreden besluit 1 ten grondslag gelegd dat eiser in de te beoordelen periode van 27 augustus 2022 tot 27 september 2022 beschikte over inkomsten die hoger waren dan de voor hem geldende bijstandsnorm en dat hij beschikte over een vermogen dat hoger was dan de grens van het vrij te laten vermogen. De inkomsten bestaan uit een geldbedrag van € 2.975,- dat eiser heeft ontvangen van zijn voormalig werkgever ( [naam voormalig werkgever] ) en bijschrijvingen ter hoogte van € 1.415,- die eiser van zijn moeder en [persoon A] heeft ontvangen. Het vermogen bestaat volgens verweerder uit het tegoed op een Turkse bankrekening, zijnde € 7.708,13, en een auto met een dagwaarde van € 3.000,-.
3. Eiser voert aan dat hij sinds 27 augustus 2022 geen inkomsten meer heeft. Hij heeft een schuldenlast van meer dan € 10.000,- en kan zijn rekeningen niet betalen. De geldbedragen die hij van zijn moeder en [persoon A] heeft ontvangen, waren leningen die hij moet terugbetalen.
4. Artikel 11, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.
Artikel 19, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat het gezin recht heeft op algemene bijstand als het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm en er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
Artikel 31, eerste lid, van de Participatiewet bepaalt dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend worden waarover het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet (Pw) bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder het vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.
Op grond van het tweede lid van dit artikel, aanhef en onder b, wordt niet als vermogen in aanmerking genomen het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens. De voor eiser geldende vermogensgrens bedroeg in de te beoordelen periode op grond van artikel 34, derde lid, aanhef en onder c, van de Pw, € 6.505,- .
5. In de te beoordelen periode stond op de Turkse bankrekening van eiser een bedrag van (omgerekend) ongeveer € 7.708,13. De rechtbank overweegt in dit verband dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) het gegeven dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat de vooronderstelling rechtvaardigt dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1868). Eiser is hierin niet geslaagd. Eiser heeft gesteld dat het geld op de bankrekening van zijn moeder is, terwijl hij deze stelling niet met objectiveerbaar bewijs heeft onderbouwd. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij tijdens zijn vakantie in Turkije gebruik heeft gemaakt van het geld op deze rekening, waarmee vaststaat dat eiser over het geld kon beschikken en hierover ook feitelijk heeft beschikt.
6. De voor eiser geldende vermogensvrijlating bedroeg in de beoordelingsperiode
€ 6.505,-. Dit betekent dat eiser met het saldo op zijn Turkse bankrekening al over te veel vermogen beschikte om voor een bijstandsuitkering in aanmerking te komen.
7. Eiser beschikte naast een te hoog vermogen, ook over inkomsten die hoger waren dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Deze inkomsten bestonden uit betalingen van [naam voormalig werkgever] en bijschrijvingen door eisers moeder en [persoon A] . Uit vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2580) volgt dat kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw worden beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw.
7.1.
Eisers stelling dat de door hem ontvangen geldbedragen leningen betreffen die moeten worden terugbetaald, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Uit vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138) volgt namelijk dat een betrokkene in beginsel geen recht heeft op bijstand indien en voor zover hij zich periodieke middelen tot levensonderhoud verschaft door leningen aan te gaan. Dit kan anders zijn (vergelijk de uitspraak van 17 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2953) indien die betrokkene in een periode waarin hij geen bijstand of ander inkomen ontvangt ter voorziening in zijn levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van leningen. Daartoe dient de betrokkene aannemelijk te maken dat hij geen ander inkomen heeft en dat het gaat om leningen die zijn verstrekt voor levensonderhoud. De betrokkene moet over die leningen aannemelijk maken van wie, wanneer, op welke wijze en tot welk bedrag hij de lening heeft ontvangen. Ook moet de betrokkene aannemelijk maken dat bij de betaling, en niet later, de afspraak is gemaakt dat het een lening betreft en dat die dus terugbetaald moet worden en dat die lening voor levensonderhoud bedoeld is. Een bankoverschrijving met de vermelding ‘lening voor levensonderhoud’ zal daartoe in beginsel volstaan.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat deze uitzonderingssituatie zich in het geval van eiser niet voordoet. Eiser ontving ten tijde van de bijschrijvingen weliswaar nog geen bijstandsuitkering, maar hij ontving wel betalingen van [naam voormalig werkgever] . Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van leningen, waarmee hij in zijn levensonderhoud moest voorzien. Zo heeft eiser geen leenovereenkomsten overgelegd en blijkt ook uit de bankafschriften niet dat sprake is van leningen die zijn verstrekt voor eisers levensonderhoud.
8. Uit het voorgaande volgt dat eiser beschikte over te veel vermogen en te hoge inkomsten om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering. Verweerder heeft de aanvraag om bijstand daarom terecht afgewezen.
9. Tegen de terugvordering van het voorschot heeft eiser geen beroepsgronden aangevoerd, zodat deze terugvordering geen bespreking behoeft.
De opgelegde maatregel (ROT 23/711)
10. Op 19 oktober 2022 heeft verweerder eiser een bijstandsuitkering op grond van de Pw toegekend per 1 oktober 2022.
Conclusie
14. De beroepen zijn ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van
mr. E. Grondman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.