Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-01-05
ECLI:NL:CRVB:2021:7
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,692 tokens
Inleiding
20 386 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 5 januari 2021
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 december 2019, 19/1068 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. S. Karkache, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2020. Namens appellanten is mr. Karkache verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A.C. Kooij.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten ontvangen sinds 1997 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor gehuwden.
1.2.
Appellanten hebben in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek bankafschriften overgelegd over de periode van 1 april 2017 tot en met 31 maart 2018. Op die bankafschriften zijn, voor zover hier nog van belang, met regelmaat bijschrijvingen van de meerderjarige zoon van appellanten (zoon) zichtbaar.
1.3.
Bij besluiten van 18 juli 2018 en 10 december 2018, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 januari 2019 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellanten over de periode van 1 mei 2017 tot en met 31 maart 2018 herzien en een bedrag van € 4.093,- van appellanten teruggevorderd. Het college heeft de bijschrijvingen van de zoon op de bankrekening van appellanten als inkomen van appellanten aangemerkt en op de bijstand in mindering gebracht.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is uitsluitend in geschil of het college de bijschrijvingen van de zoon vanaf november 2017 terecht als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW heeft aangemerkt.
4.2.
Appellanten hebben aangevoerd dat deze bijschrijvingen leningen van hun zoon betreffen. Die heeft op zijn beurt bij de Dienst Uitvoering Onderwijs geleend om appellanten in staat te stellen schulden op hun creditcards af te lossen. De bijschrijvingen waren alleen bedoeld om deze schulden af te lossen. Appellanten stellen dat zij er daarom per saldo niet op zijn vooruitgegaan.
4.3.1.
Deze grond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij beperkt waren in hun beschikkingsmacht over de door hun zoon bijgeschreven bedragen. De Raad wijst er in dit verband ook op dat de maandelijkse bijschrijvingen door de zoon van doorgaans € 650,- veel hoger zijn dan de aflossingen die maandelijks op de twee creditcards zijn gedaan. Daar komt bij dat de creditcards in de periode in geding ook nog werden gebruikt voor uitgaven die betrekking hebben op algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Dat de bijschrijvingen enkel en alleen bedoeld waren om schulden af te lossen, mist gelet hierop feitelijke grondslag.
4.3.2.
Als de betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. Dat is hier het geval. De stelling van appellanten dat sprake is van geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt in dit geval niet tot een ander oordeel. Allereerst is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers – ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt – naar vaste rechtspraak als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt (uitspraken van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138, en van 23 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1106).
4.4.
Uit 4.3.1 en 4.3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2021.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) J.B. Beerens
Inleiding
20 386 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 5 januari 2021
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 december 2019, 19/1068 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. S. Karkache, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2020. Namens appellanten is mr. Karkache verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A.C. Kooij.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten ontvangen sinds 1997 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor gehuwden.
1.2.
Appellanten hebben in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek bankafschriften overgelegd over de periode van 1 april 2017 tot en met 31 maart 2018. Op die bankafschriften zijn, voor zover hier nog van belang, met regelmaat bijschrijvingen van de meerderjarige zoon van appellanten (zoon) zichtbaar.
1.3.
Bij besluiten van 18 juli 2018 en 10 december 2018, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 januari 2019 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellanten over de periode van 1 mei 2017 tot en met 31 maart 2018 herzien en een bedrag van € 4.093,- van appellanten teruggevorderd. Het college heeft de bijschrijvingen van de zoon op de bankrekening van appellanten als inkomen van appellanten aangemerkt en op de bijstand in mindering gebracht.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Tussen partijen is uitsluitend in geschil of het college de bijschrijvingen van de zoon vanaf november 2017 terecht als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW heeft aangemerkt.
4.2.
Appellanten hebben aangevoerd dat deze bijschrijvingen leningen van hun zoon betreffen. Die heeft op zijn beurt bij de Dienst Uitvoering Onderwijs geleend om appellanten in staat te stellen schulden op hun creditcards af te lossen. De bijschrijvingen waren alleen bedoeld om deze schulden af te lossen. Appellanten stellen dat zij er daarom per saldo niet op zijn vooruitgegaan.
4.3.1.
Deze grond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW beschouwd. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij beperkt waren in hun beschikkingsmacht over de door hun zoon bijgeschreven bedragen. De Raad wijst er in dit verband ook op dat de maandelijkse bijschrijvingen door de zoon van doorgaans € 650,- veel hoger zijn dan de aflossingen die maandelijks op de twee creditcards zijn gedaan. Daar komt bij dat de creditcards in de periode in geding ook nog werden gebruikt voor uitgaven die betrekking hebben op algemeen noodzakelijke bestaanskosten. Dat de bijschrijvingen enkel en alleen bedoeld waren om schulden af te lossen, mist gelet hierop feitelijke grondslag.
4.3.2.
Als de betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. Dat is hier het geval. De stelling van appellanten dat sprake is van geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt in dit geval niet tot een ander oordeel. Allereerst is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers – ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt – naar vaste rechtspraak als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt (uitspraken van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138, en van 23 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1106).
4.4.
Uit 4.3.1 en 4.3.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2021.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) J.B. Beerens