Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2018-06-26
ECLI:NL:CRVB:2018:1872
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,393 tokens
Inleiding
165958 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
2 augustus 2016, 16/184 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)
Datum uitspraak: 26 juni 2018
Procesverloop
Namens appellanten heeft mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
M. van Rosmalen heeft zich als opvolgende gemachtigde gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2018. Appellant is verschenen, bijgestaan door Van Rosmalen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.P. Servais. Als getuige is gehoord [naam] .
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten ontvangen vanaf 1 juli 2012 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Appellanten hebben op enig moment in het kader van een bezwaarprocedure met betrekking tot de bijstand aan een medewerker van de afdeling juridische zaken van de gemeente Arnhem laten weten dat zij maandelijks van de moeder van appellant (moeder) geld krijgen om de ziektekostenverzekering te betalen. Deze medewerker heeft naar aanleiding daarvan bij e-mailbericht van 22 november 2013 de afdeling handhaving verzocht te onderzoeken hoe het zit met deze giften. Een consulent inkomen heeft dit onderzoek uitgevoerd en heeft in dat kader op 17 december 2014 een gesprek met appellanten gevoerd en bankafschriften bij appellanten opgevraagd. Uit de ontvangen bankafschriften is naar voren gekomen dat de moeder in de periode van augustus 2012 tot en met juni 2015 vrijwel iedere maand geldbedragen naar de bankrekeningen van appellanten heeft overgemaakt, soms meerdere malen per maand. Deze bedragen varieerden per maand van € 50,- (juni 2015) tot
€ 950,- (juli 2013 en december 2013) en bedroegen in het totaal € 12.172,-. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 14 september 2015.
1.3.
In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien bij besluit van 17 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 november 2015
(bestreden besluit 1), de bijstand van appellanten over de periode van 1 augustus 2012
tot en met 30 juni 2015 (periode in geding) te herzien en de kosten van bijstand over de maanden waarin gelden van de moeder zijn ontvangen terug te vorderen van appellanten
tot een bedrag van in totaal € 15.481,60. Aan bestreden besluit 1 heeft het college, kort weergegeven en onder verwijzing naar een uitspraak van 31 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1000, het volgende ten grondslag gelegd. De bedragen die appellanten van de moeder ontvingen moeten als middelen bij de bijstandsverlening in aanmerking worden genomen. Ingevolge artikel 17 van de Wet werk en bijstand en de PW waren appellanten verplicht om elke bijschrijving van de moeder aan het college te melden. Door dit na te laten, hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.
1.4.
Bij afzonderlijk besluit van 17 september 2015 heeft het college appellanten wegens schending van de inlichtingenverplichting een boete opgelegd van € 1.250,-. Bij afzonderlijk besluit van 27 november 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen dat besluit 17 september 2015 gegrond verklaard voor zover het de hoogte van de boete betreft en de boete vastgesteld op € 1.150,-.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden, omdat het om geleende bedragen ging die niet tot de middelen van appellanten behoren en omdat het college al jarenlang op de hoogte was van de bijschrijvingen van de moeder.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ontvankelijkheid
4.1.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens termijnoverschrijding. Daartoe heeft het college erop gewezen dat het hoger beroepschrift pas op 15 september 2016 bij de Raad is ingekomen, terwijl de termijn voor het instellen van hoger beroep eindigde op 13 september 2016.
4.2.
Op grond van artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende. De termijn voor het indienen van een hoger beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.3.
Vaststaat dat de aangevallen uitspraak op 2 augustus 2016 is toegezonden aan de toenmalige gemachtigde van appellanten. De beroepstermijn is in dit geval gaan lopen op 3 augustus 2016 en is zes weken nadien, op 13 september 2016, geëindigd. De Raad heeft het hoger beroepschrift, gedateerd op 13 september 2016, op 15 september 2016 ontvangen. Aannemelijk is dat het hoger beroepschrift (ook) per post is verstuurd. De envelop waarin het hoger beroepschrift is verzonden, is echter bij de Raad in het ongerede geraakt. Deze omstandigheid, die tot gevolg heeft dat niet meer valt na te gaan of het hoger beroepschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mag niet voor rekening en risico van appellanten komen. In dit geval zal de Raad er dan ook van uitgaan dat het hoger beroepschrift op de dag van datering, dus vóór het einde van de termijn voor het instellen van hoger beroep, ter post is bezorgd. Aangezien de Raad het hoger beroepschrift heeft ontvangen binnen één week na afloop van die termijn, is het hoger beroep tijdig ingediend. Het betoog van het college dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens termijnoverschrijding, treft daarom geen doel.
Intrekking en terugvordering
4.4.
Vaststaat dat in de periode in geding op de bankrekeningen van appellanten zeer frequent bedragen door de moeder zijn bijgeschreven.
4.5.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB. De stelling dat sprake is van geleende bedragen die moeten worden terugbetaald, leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de WWB niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Voorts worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - naar vaste rechtspraak als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt (uitspraken van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138, en van
23 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1106). Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast van betrokkene toeneemt, is - in gevallen als hier waarin geen sprake is van een als vermogen aan te merken middel - niet van belang. Hetzelfde geldt voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden.
Conclusie
4.11.
Uit 4.4 tot en met 4.10 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en W.F. Claessens en M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2018.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) S.A. de Graaff
LO