Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2021-07-22
ECLI:NL:CRVB:2021:1834
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,103 tokens
Inleiding
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 9 mei 2019 16/6080
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] , Marokko (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 juli 2021
Procesverloop
Bij uitspraak van 9 mei 2019, 16/6080 WAO, ECLI:NL:CRVB:2019:1585,
heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van Amsterdam van 19 augustus 2016, 16/239, bevestigd.
Verzoeker heeft bij brief van 24 juni 2019 verzocht om herziening van deze uitspraak, daarbij heeft hij stukken ingediend.
Het Uwv heeft op dat verzoek een reactie gegeven. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2021. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] .
Overwegingen
1.1.
Verzoeker heeft sinds 26 augustus 1991 recht op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hij is in 1996 geremigreerd naar Marokko met behoud van zijn WAO-uitkering. Het verzoek van verzoeker van 15 juni 2015 om een hogere WAO-uitkering heeft het Uwv bij besluit van 2 juli 2015 afgewezen. De WAO-uitkering en de toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) blijven € 708,40 bruto per maand.
1.2.
Bij zijn uitspraak van 9 mei 2019 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van
19 augustus 2016 bevestigd. Hiertoe heeft de Raad overwogen dat een hogere uitkering wegens toegenomen gezondheidsklachten niet mogelijk is, omdat verzoeker vanaf 1991 doorlopend volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. Omdat het dagloon slechts € 35,70 bedraagt heeft verzoeker recht op een relatief lage WAO-uitkering. De toeslag is in dit geval, waarin het dagloon lager is dan het minimumloon, maximaal het verschil tussen de loondervingsuitkering en het dagloon, zo volgt uit artikel 8a, eerste lid, aanhef en onder a, van de TW. Het Uwv heeft voorts verduidelijkt dat de inkomensterugval in 1993 is veroorzaakt door de beëindiging van de verlengde Ziektewet-uitkering, die maximaal twee jaar heeft geduurd. De Raad heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat deze berekening niet juist is.
2.1.
Verzoeker heeft aan zijn herzieningsverzoek ten grondslag gelegd dat hij invalide is en medische behandelingen ondergaat en dat zijn uitkering te laag is om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.
2.2.
Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het herzieningsverzoek moet worden afgewezen.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Een onherroepelijk geworden uitspraak kan alleen worden herzien als aan alle drie de hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan.
3.3.
Namens verzoeker zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht als onder 3.1 bedoeld. Het standpunt dat verzoeker invalide is en medische behandelingen ondergaat en dat zijn uitkering te laag is om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien levert geen feiten of omstandigheden op als onder 3.1 bedoeld.
4. Geconcludeerd moet worden dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in proceskosten is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2021.
(getekend) E. Dijt
(getekend). H. Spaargaren