Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2024-11-13
ECLI:NL:CRVB:2024:2158
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Herziening
1,291 tokens
Inleiding
23/2481 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 9 mei 2019, 16/6080
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] , Marokko (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 13 november 2024
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om een verzoek om terug te komen van een eerdere uitspraak van de Raad. Verzoeker heeft het verzoek niet tijdig ingediend en daarom wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.
Procesverloop
Namens verzoeker heeft [naam] , administratief hulpverlener, verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 9 mei 2019, 16/6080 WAO en stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2024. Partijen zijn niet verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.1.
Bij de uitspraak van 9 mei 2019 heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 19 augustus 2016 bevestigd. Daartoe heeft de Raad overwogen dat een hogere uitkering wegens toegenomen gezondheidsklachten niet mogelijk is, omdat verzoeker vanaf 1991 doorlopend volledig arbeidsongeschikt wordt geacht. Omdat het dagloon slechts € 35,70 bedraagt heeft verzoeker recht op een relatief lage WAO-uitkering. De toeslag is in dit geval, waarin het dagloon lager is dan het minimumloon, maximaal het verschil tussen de loondervingsuitkering en het dagloon, zo volgt uit artikel 8a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Toeslagenwet. Het Uwv heeft voorts verduidelijkt dat de inkomensterugval in 1993 is veroorzaakt door de beëindiging van de verlengde Ziektewetuitkering, die maximaal twee jaar duurde. De Raad heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de berekening van de WAO-uitkering en de toeslag niet juist is.
1.2.
Verzoeker heeft bij brief van 24 juni 2019 herziening van de uitspraak van 9 mei 2019 gevraagd. Dat verzoek heeft de Raad bij de uitspraak van 22 juli 2021 afgewezen. De Raad heeft daartoe overwogen dat wat verzoeker heeft aangevoerd geen feiten of omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waardoor niet is voldaan aan de voorwaarden voor herziening.
1.3.
Bij brief van 8 september 2021 heeft verzoeker nogmaals om herziening verzocht van de uitspraak van 9 mei 2019. Dat verzoek heeft de Raad bij de uitspraak van 21 juni 2023 afgewezen omdat verzoeker geen feiten als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb heeft aangevoerd.
Het standpunt van verzoeker
2.1.
Bij brief van 17 juli 2023 heeft verzoeker opnieuw verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 9 mei 2019. Verzoeker heeft erop gewezen dat hij sinds 26 augustus 1991 een WAO-uitkering krijgt volledige arbeidsongeschiktheid. Voor zijn uitval verdiende verzoeker ongeveer f. 2.608,30 per maand exclusief vakantiegeld. Verzoeker heeft recht op een hogere WAO-uitkering en verzoekt om herziening van de berekening daarvan. Ter ondersteuning heeft verzoeker een jaarloonrapport 1989/1990 en jaaropgaves over 1992 en 1993 ingezonden.
Het standpunt van het Uwv
2.2.
Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen, omdat het een herhaling is van de eerdere verzoeken om herziening en geen feiten of omstandigheden bevat als bedoeld in artikel 8:119 van de Awb.
Beoordeling
3. Op 17 juli 2023 heeft verzoeker opnieuw een verzoek om herziening ingediend. Dit verzoek wordt, gelet op de inhoud daarvan, aangemerkt als een herhaald verzoek om herziening van de uitspraak van 9 mei 2019. De Raad overweegt dat nu in het verzoek van 17 juli 2023 geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gesteld als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, en dit verzoek is ingediend ruim vier jaar na de uitspraak van 9 mei 2019 waarvan herziening is verzocht, het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend.
Conclusie
4. Het verzoek om herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de uitspraak van 9 mei 2019 in stand blijft.
5. Verzoeker krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van D. Schaap als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2024.
(getekend) E. Dijt
(getekend) D. Schaap
CRvB 9 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1585.
CRvB 22 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1834.
CRvB 21 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1127.