Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-03-10
ECLI:NL:CRVB:2020:606
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
3,495 tokens
Inleiding
19 2925 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 10 maart 2020
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2019, 19/669 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M.M. Dezfouli, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van
artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 3 december 2012 bijstand op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Appellant heeft op 27 juli 2018 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van tandheelkundige zorg, waaronder het plaatsen van meerdere implantaten en kronen. In het kader van de aanvraag heeft appellant een offerte met een totaalbedrag van € 6.895,19 van een tandarts van 12 december 2016 overgelegd.
1.3.
Het college heeft de aanvraag bij besluit van 30 augustus 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 januari 2019 (bestreden besluit), afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant bij zijn zorgverzekeraar een vergoeding kan aanvragen. Voor de kosten van tandheelkundige zorg dient de zorgverzekering als een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening te worden aangemerkt. Er is geen sprake van zeer dringende redenen om in afwijking daarvan toch bijzondere bijstand te verlenen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De beroepsgrond van appellant laat zich zo samenvatten dat de zorgverzekeraar voor de kosten van zijn tandheelkundige behandeling niet een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening biedt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:882) is voor kosten van een tandheelkundige behandeling de Zorgverzekeringswet (Zvw) in beginsel een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de PW. Aanvullende bijzondere bijstandsverlening voor die kosten is daarom in beginsel niet mogelijk. Vergelijk de uitspraak van 17 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2162. Ook in het geval van appellant is dat zo. Dit betekent dat artikel 15, eerste lid, van de PW in de weg staat aan de verlening van bijzondere bijstand voor de tandheelkundige kosten aan appellant.
4.2.
De offerte van de tandarts die appellant heeft overgelegd leidt niet tot een ander oordeel. In de Zvw is een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van kosten van tandheelkundige behandelingen. Nu de kosten waarvoor appellant bijstand heeft gevraagd in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt is bijstandverlening daarvoor ingevolge de tweede volzin van artikel 15, eerste lid, van de PW niet mogelijk. Dat appellant (een deel van) de kosten zelf moet betalen doet aan het voorgaande niet af.
4.3.
Appellant heeft geen zeer dringende redenen aangevoerd waarom in afwijking van het voorafgaande toch bijzondere bijstand verleend zou moeten worden.
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2020.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend). A.A.H. Ibrahim
Inleiding
19 2925 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 10 maart 2020
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2019, 19/669 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M.M. Dezfouli, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van
artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 3 december 2012 bijstand op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Appellant heeft op 27 juli 2018 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van tandheelkundige zorg, waaronder het plaatsen van meerdere implantaten en kronen. In het kader van de aanvraag heeft appellant een offerte met een totaalbedrag van € 6.895,19 van een tandarts van 12 december 2016 overgelegd.
1.3.
Het college heeft de aanvraag bij besluit van 30 augustus 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 januari 2019 (bestreden besluit), afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant bij zijn zorgverzekeraar een vergoeding kan aanvragen. Voor de kosten van tandheelkundige zorg dient de zorgverzekering als een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening te worden aangemerkt. Er is geen sprake van zeer dringende redenen om in afwijking daarvan toch bijzondere bijstand te verlenen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De beroepsgrond van appellant laat zich zo samenvatten dat de zorgverzekeraar voor de kosten van zijn tandheelkundige behandeling niet een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening biedt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:882) is voor kosten van een tandheelkundige behandeling de Zorgverzekeringswet (Zvw) in beginsel een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de PW. Aanvullende bijzondere bijstandsverlening voor die kosten is daarom in beginsel niet mogelijk. Vergelijk de uitspraak van 17 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2162. Ook in het geval van appellant is dat zo. Dit betekent dat artikel 15, eerste lid, van de PW in de weg staat aan de verlening van bijzondere bijstand voor de tandheelkundige kosten aan appellant.
4.2.
De offerte van de tandarts die appellant heeft overgelegd leidt niet tot een ander oordeel. In de Zvw is een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van kosten van tandheelkundige behandelingen. Nu de kosten waarvoor appellant bijstand heeft gevraagd in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt is bijstandverlening daarvoor ingevolge de tweede volzin van artikel 15, eerste lid, van de PW niet mogelijk. Dat appellant (een deel van) de kosten zelf moet betalen doet aan het voorgaande niet af.
4.3.
Appellant heeft geen zeer dringende redenen aangevoerd waarom in afwijking van het voorafgaande toch bijzondere bijstand verleend zou moeten worden.
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2020.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend). A.A.H. Ibrahim
Inleiding
19 2925 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 10 maart 2020
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juli 2019, 19/669 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M.M. Dezfouli, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van
artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 3 december 2012 bijstand op grond van de Participatiewet (PW).
1.2.
Appellant heeft op 27 juli 2018 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van tandheelkundige zorg, waaronder het plaatsen van meerdere implantaten en kronen. In het kader van de aanvraag heeft appellant een offerte met een totaalbedrag van € 6.895,19 van een tandarts van 12 december 2016 overgelegd.
1.3.
Het college heeft de aanvraag bij besluit van 30 augustus 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 januari 2019 (bestreden besluit), afgewezen. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant bij zijn zorgverzekeraar een vergoeding kan aanvragen. Voor de kosten van tandheelkundige zorg dient de zorgverzekering als een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening te worden aangemerkt. Er is geen sprake van zeer dringende redenen om in afwijking daarvan toch bijzondere bijstand te verlenen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De beroepsgrond van appellant laat zich zo samenvatten dat de zorgverzekeraar voor de kosten van zijn tandheelkundige behandeling niet een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening biedt. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 8 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:882) is voor kosten van een tandheelkundige behandeling de Zorgverzekeringswet (Zvw) in beginsel een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de PW. Aanvullende bijzondere bijstandsverlening voor die kosten is daarom in beginsel niet mogelijk. Vergelijk de uitspraak van 17 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2162. Ook in het geval van appellant is dat zo. Dit betekent dat artikel 15, eerste lid, van de PW in de weg staat aan de verlening van bijzondere bijstand voor de tandheelkundige kosten aan appellant.
4.2.
De offerte van de tandarts die appellant heeft overgelegd leidt niet tot een ander oordeel. In de Zvw is een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van kosten van tandheelkundige behandelingen. Nu de kosten waarvoor appellant bijstand heeft gevraagd in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt is bijstandverlening daarvoor ingevolge de tweede volzin van artikel 15, eerste lid, van de PW niet mogelijk. Dat appellant (een deel van) de kosten zelf moet betalen doet aan het voorgaande niet af.
4.3.
Appellant heeft geen zeer dringende redenen aangevoerd waarom in afwijking van het voorafgaande toch bijzondere bijstand verleend zou moeten worden.
4.4.
Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2020.
(getekend) G.M.G. Hink
(getekend). A.A.H. Ibrahim