Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-12-16
ECLI:NL:CRVB:2020:3167
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,191 tokens
Inleiding
194895 WW
Datum uitspraak: 16 december 2020
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 11 november 2019, 17/2963 WW, 19/4083 WW-VV
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Verzoeker heeft verzocht om herziening van de hiervoor vermelde uitspraak van de Raad van 11 november 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3670).
Het Uwv heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een inhoudelijke reactie te geven op het verzoek.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 11 november 2020. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.J. van Steenwijk.
Overwegingen
1.1.
Verzoeker heeft bij brief van 9 maart 2015 het Uwv verzocht om een schadevergoeding
vanwege door het Uwv genomen onrechtmatige besluiten.
1.2.
Op 27 mei 2016 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om schadevergoeding van 9 maart 2015. Daarbij heeft verzoeker verzocht het Uwv een dwangsom op te leggen.
1.3.
Bij uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 6 april 2017, 16/2652, heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om schadevergoeding van 9 maart 2015 gegrond verklaard en aan het Uwv opdracht gegeven om binnen twaalf weken na verzending van de uitspraak een beslissing te nemen op dit verzoek. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat het Uwv geen dwangsom verschuldigd is omdat het Uwv nog niet over de bij verzoeker opgevraagde gegevens beschikte. Van overschrijding van de beslistermijn is daarom geen sprake.
1.4.
Bij de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland bevestigd en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Hiertoe heeft de Raad overwogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv geen dwangsom verschuldigd is. Ook heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor een veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker.
2. Verzoeker heeft in zijn verzoek om herziening gesteld dat de Raad ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 11 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1308) dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te redresseren.
3.3.
Wat verzoeker schriftelijk heeft aangevoerd komt erop neer dat hij vindt dat een hoger beroepsgrond ten onrechte onbesproken is gebleven. Ter zitting heeft verzoeker echter erkend dat het hem gaat om een standpunt in een andere procedure. Een nieuw feit in de zin van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, is niet gesteld of gebleken. Er is dus niet voldaan aan de voorwaarden voor herziening. Hieruit volgt dat het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 11 november 2019 moet worden afgewezen.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2020.
(getekend) H.G. Rottier
(getekend) A.M.M. Chevalier