Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-12-14
ECLI:NL:CRVB:2023:2377
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,490 tokens
Inleiding
22966 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 30 september 2021, 20/677
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 14 december 2023
Procesverloop
Namens verzoekster heeft [A.] verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 3 maart 2022.
Het Uwv heeft een inhoudelijke reactie gegeven op het verzoek.
Partijen hebben nadere stukken ingebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2023. Namens verzoekster is [A.] verschenen. Het Uwv is niet verschenen. Het onderzoek is ter zitting gesloten.
Op 2 oktober 2023 heeft verzoekster een verzoek tot wraking ingediend. Bij uitspraak van 20 november 2023 is het verzoek om wraking afgewezen.
Overwegingen
1. Met de uitspraak van de Raad van 30 september 2021 is de besluitvorming van het Uwv, die ziet op de hoogte van een per 4 september 2017 aan verzoekster toegekende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), in rechte komen vast te staan. Bij uitspraak van 3 maart 2022 heeft de Raad – voor zover hier van belang – het door verzoekster gedane verzoek om herziening van de uitspraak van 30 september 2021 afgewezen.
2. In een brief van 12 maart 2022 heeft verzoekster verzocht om herziening van de uitspraak van 3 maart 2022. Op de zitting is gebleken dat verzoekster hiermee heeft beoogd herziening te vragen van de uitspraak van 30 september 2021. Het verzoek om herziening wordt daarom aangemerkt als een herhaald verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 30 september 2021.
3.. Verzoekster heeft aan het herzieningsverzoek ten grondslag gelegd dat bij latere besluiten de uitkeringen op grond van de WW, Ziektewet (ZW) en de Wet arbeid en zorg (WAZO) zijn vervangen, ingetrokken en/of aangepast. Dit betekent volgens verzoekster dat de uitspraak van 30 september 2021 niet in stand kan blijven, omdat daaraan de grondslag is komen te vervallen. Verzoekster heeft een besluit van het Uwv van 24 februari 2022 overgelegd waarin haar een ZW-uitkering is toegekend met ingang van 1 september 2017. Het Uwv heeft een besluit van 6 juli 2022 ingebracht waaruit volgt dat de WW-uitkering van verzoekster met ingang van 4 september 2017 is ingetrokken. Dit laatste is volgens verzoekster een besluit dat op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden betrokken in de procedure over de WW-uitkering van verzoekster zodat de uitspraak van 30 september 2021 niet in stand kan blijven. Verder verzoekt verzoekster om een volledige kostenvergoeding.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Op grond van artikel 8:119 van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 11 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1308) dient het bijzondere rechtsmiddel van herziening er niet toe om een hernieuwde discussie te voeren, noch om een discussie over de betreffende uitspraak te openen, maar om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te herstellen.
3.3.
Verzoekster heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht als onder 3.1 bedoeld. Zowel het besluit van 24 februari 2022 als het daarmee samenhangende besluit van 6 juli 2022 betreffen nieuwe besluiten die door het Uwv zijn genomen na de uitspraak van de Raad van 30 september 2021. Tegen deze besluiten stonden rechtsmiddelen open die verzoekster ook heeft aangewend. Verzoekster had dan ook de door haar naar voren gebrachte gronden in de bezwaarprocedure tegen de toekenning van de ZW-uitkering en de beëindiging van de WW-uitkering kunnen aanvoeren en kunnen verzoeken om vergoeding van kosten.
3.4.
Uit wat ter zitting is besproken is gebleken dat verzoekster vasthoudt aan het standpunt dat het WW-dagloon onjuist is vastgesteld en dat dit doorwerkt in de vaststelling van het ZW- en WAZO-dagloon. Daarmee beoogt verzoekster in feite een hernieuwde discussie te voeren over de beoordeling van de Raad in de uitspraak van 30 september 2021. Uit 3.2 volgt dat het rechtsmiddel van herziening daar niet toe kan strekken. Dit geldt eveneens voor de door verzoekster verzochte volledige kostenvergoeding in verband met de door haar gevoerde procedures over de, inmiddels ingetrokken, WW-uitkering. Hiervoor is het rechtsmiddel van herziening niet bedoeld.
3.5.
Uit 3.3 en 3.4 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2023.
(getekend) M. Schoneveld
(getekend) S. Pouw
ECLI:NL:CRVB:2022:511.
ECLI:NL:CRVB:2023:2309.
ECLI:NL:CRVB:2021:2455.
ECLI:NL:CRVB:2022:511.