Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2019-12-17
ECLI:NL:CRVB:2019:4226
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,047 tokens
Inleiding
184613 PW
Datum uitspraak: 17 december 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2018, 18/304 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft op een vraag van de Raad een reactie ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2019. Namens appellant is verschenen mr. Küçükünal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Mersel.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving over de periode van 15 mei 2003 tot en met 31 augustus 2007 en vanaf 22 augustus 2009 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
Appellant heeft door middel van een wijzigingsformulier aan het college doorgegeven dat hij met ingang van 1 juni 2015 werkzaamheden is gaan verrichten. Op 15 juni 2015 heeft appellant telefonisch doorgegeven dat hij is vergeten om op het door hem ingeleverde wijzigingsformulier te vermelden dat hij een vakantiewoning in Turkije bezit.
1.3.
Naar aanleiding van deze melding heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Op 16 juli 2015 heeft een gesprek met appellant plaatsgevonden waarin hij heeft verklaard dat hij in 2005 een appartement in Turkije heeft gekocht waarvan de waarde ongeveer € 17.000,- bedraagt. Het college heeft appellant vervolgens bij brieven van 16 juli 2015, 11 augustus 2015 en 18 augustus 2015 in de gelegenheid gesteld een door een erkende taxateur uitgevoerd taxatierapport te overleggen waaruit de waarde van het appartement blijkt. Appellant heeft geen taxatierapport ingebracht. Op 17 augustus 2015 heeft appellant een wijzigingsformulier ingeleverd waarop hij heeft vermeld dat zijn vakantiewoning € 6.614,382 (21.000,- Turkse Lira) waard is in plaats van € 17.000,-.
1.4.
Vervolgens heeft het Bureau Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Turkije in opdracht van het college en met tussenkomst van het Internationaal Bureau Fraude-informatie van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (IBF) een onderzoek verricht naar de waarde van het appartement in Turkije. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapportage vermogensonderzoek Turkije van 2 december 2015. Uit het rapport blijkt dat bij de afdeling onroerend goed van de gemeente X, overeenkomstig de verklaring van appellant, sinds 21 juni 2005 een appartement op naam van appellant staat geregistreerd. De waarde van het appartement is door een lokale makelaar op 26 november 2015 getaxeerd op een bedrag van € 40.000,-.
1.5.
Naar aanleiding van de onderzoekresultaten heeft het college bij besluit van 16 maart 2017 (besluit 1) de bijstand van appellant herzien (lees: ingetrokken) over de perioden van 21 juni 2005 tot en met 31 augustus 2007 en van 22 augustus 2009 tot en met 31 mei 2015 en de over deze perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 34.961,60 van appellant teruggevorderd. Aan besluit 1 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geen recht had op bijstand omdat hij beschikte over vermogen boven de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen.
1.7.
Bij besluit van 2 augustus 2017 (besluit 2) heeft het college een boete opgelegd van € 1.183,80.
1.8.
Bij besluit van 8 december 2017 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Intrekking en terugvordering
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat het in Turkije verrichte onderzoek in strijd met de Turkse wet- en regelgeving is verricht. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.1.1.
Zoals de Raad heeft overwogen in de uitspraak van 1 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2914, is bij de vraag of bewijs, vergaard door, in opdracht van of onder verantwoordelijkheid van Nederlandse bestuursorganen, bij besluitvorming of de toetsing daarvan in een bestuursrechtelijke procedure mag worden gebruikt, slechts van belang of dat bewijs naar Nederlands recht, daaronder begrepen het in Nederland geldende internationale en Europese recht, rechtmatig is verkregen. Ingevolge artikel 53a van de PW is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Geen aanleiding bestaat om in het geval van appellant daarover anders te oordelen.
4.2.
Appellant heeft verder aangevoerd dat hij, doordat hij op 15 juni 2016 zelf melding heeft gemaakt van het bezit van een appartement in Turkije, de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Eerder was hem niet duidelijk dat hij melding moest maken van het bezit van onroerende zaken in het buitenland, omdat hem daar niet concreet naar was gevraagd.
4.3.
Deze beroepsgrond slaagt evenmin. De inlichtingenverplichting is objectief geformuleerd. Voor schending daarvan is niet vereist dat betrokkene enig verwijt treft. Vaststaat dat appellant vóór 15 juni 2016 het bezit van zijn appartement niet heeft doorgegeven bij het college. Het bezit van onroerende zaken is onmiskenbaar van belang voor het vaststellen van het recht op bijstand. Het gaat hier om gegevens waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Daarmee is, ongeacht of appellant expliciet naar het bezit van onroerende zaken is gevraagd, de schending van de inlichtingenverplichting gegeven.
Boete
4.4.
Op grond van artikel 18a van de PW legt het college een bestuurlijke boete op als belanghebbende de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Uit 4.3 volgt dat het college ook heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het bezit van een appartement. Appellant kan van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt worden gemaakt. Het college was verplicht een boete op te leggen. De opgelegde boete van € 1.183,80 is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellant gebleken omstandigheden.
4.5.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.H. Bel en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2019.
(getekend) O.L.W.H.I. Korte
(getekend) M. Buur