Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2020-06-09
ECLI:NL:CRVB:2020:1243
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,396 tokens
Inleiding
181350 PW, 19/3415 PW, 19/3416 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 31 januari 2018, 17/1406, 17/1407 (aangevallen uitspraak 1) en van 26 juni 2019, 18/2950, 18/2951 (aangevallen uitspraak 2).
Partijen:
[appellant 1] en [appellant 2] (appellanten), beiden te [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)
Datum uitspraak: 9 juni 2020
Procesverloop
Namens appellanten heeft mr. E. Kaya, advocaat, hoger beroepen ingesteld.
Het college heeft verweerschriften ingediend.
Partijen hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellanten ontvingen sinds 16 februari 1998, met onderbrekingen, bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor gehuwden.
1.2.
In het kader van een themacontrole op bezit van onroerende zaken (themacontrole) heeft een medewerker handhaving/toezichthouder van de gemeente Venlo (medewerker) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand.
1.3.
In dat kader heeft de medewerker Bureau Buitenland ingeschakeld om onderzoek te laten verrichten naar op naam van appellanten geregistreerde onroerende zaken in Turkije. Bureau Buitenland heeft hiervoor gebruik gemaakt van de diensten van Juridisch Bureau Rain (Rain). Uit het door Rain in Turkije verrichte onderzoek blijkt dat appellanten in het Kadastraal Register van de districten [district 1] , [district 2] en [district 3] als eigenaren staan geregistreerd van diverse onroerende zaken, bestaande uit een woning en diverse percelen landbouw-, tuinbouw- en bouwgrond. Appellanten hebben alle onroerende zaken in eigendom verkregen voordat zij bijstand ontvingen van het college. De totale actuele waarde van het onroerend goed is bij taxaties op 7 mei 2015 en 28 mei 2015 bepaald op € 302.800,-.
1.4.
Naar aanleiding van de onder 1.3 - kort weergegeven - bevindingen heeft het college de volgende besluiten genomen. Bij besluit van 30 december 2015 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 april 2017 (bestreden besluit 1), heeft het college de betaling van de bijstand aan appellanten geblokkeerd met ingang van 1 november 2015. Bij besluiten van 27 januari 2016 (besluit 2) en 14 maart 2016 (besluit 3), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van eveneens 13 april 2017 (bestreden besluit 2) heeft het college de bijstand van appellanten per 19 januari 2016 opgeschort onderscheidenlijk de bijstand van appellanten per 1 november 2015 ingetrokken en beëindigd met ingang van 14 maart 2016. Het college heeft – voor zover het besluit 3 betreft – aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegd dat appellanten geen melding hebben gemaakt van de op hun naam geregistreerde onroerende zaken. De getaxeerde waarde van deze onroerende zaken is hoger dan de voor appellanten geldende vermogensgrens, zodat zij geen recht hebben op bijstand. Voor zover het besluit 2 betreft, heeft het college aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegd dat appellanten niet tijdig de gevraagde informatie over de in het onderzoek aangetroffen onroerende zaken hebben verschaft.
1.5.
Het college heeft voorts bij besluit van 14 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 oktober 2018 (bestreden besluit 3) en bij besluit van 22 november 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van eveneens 23 oktober 2018 (bestreden besluit 4) de bijstand van appellanten over de periode van 16 februari 1998 tot en met 31 oktober 2015 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 293.026,46 van appellanten teruggevorderd. Aan deze besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat door het niet melden van het eigendom van de diverse onroerende zaken op naam van appellanten het recht op bijstand over de periode van 16 februari 1998 tot en met 31 oktober 2015 niet is vast te stellen.
2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank vastgesteld dat appellanten hun beroep voor zover betrekking hebbend op de blokkering, en dus op bestreden besluit 1, en de opschorting ter zitting hebben ingetrokken, zodat op de daartegen ingediende gronden niet hoeft te worden ingegaan. De rechtbank heeft voorts het beroep tegen bestreden besluit 2, voor zover nog aan de orde, ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluiten 3 en 4 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te besproken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellanten hebben in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 onder meer verzocht om de besluiten 1 en 2 te vernietigen. Gelet op wat onder 2 is vastgesteld, valt de beoordeling van de blokkering en opschorting echter buiten de omvang van de gedingen in hoger beroep.
4.2.
Gelet op 1.3 en 1.4 loopt de te beoordelen periode van 16 februari 1998 tot 14 maart 2016.
Themacontrole
4.3.
Appellanten hebben aangevoerd dat de onderzoeksbevindingen onrechtmatig zijn verkregen en om die reden niet aan de besluitvorming ten grondslag kunnen worden gelegd. In dit verband hebben appellanten – kort gezegd – aangevoerd dat het college bij het onderzoek in het kader van de themacontrole heeft gehandeld in strijd met het verbod van discriminatie. Appellanten hebben hiertoe verwezen naar een soortgelijk onderzoek dat de gemeente Almelo heeft uitgevoerd en waarover de Raad in zijn uitspraak van 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3153 (uitspraak Almelo) heeft geoordeeld dat bij dit onderzoek is gehandeld in strijd met het verbod van discriminatie.
4.4.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 6 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2615 (uitspraak Venlo) reeds geoordeeld dat het door het college verrichte onderzoek naar vermogen van bijstandsgerechtigden niet vergelijkbaar is met het onderzoek waarover de Raad heeft geoordeeld in de uitspraak Almelo. Kortheidshalve wordt verwezen naar rechtsoverweging 4.2.5 van de uitspraak Venlo. Geen aanleiding bestaat om in deze zaak tot een ander oordeel te komen.
4.5.
Zoals uitgebreid is beschreven in de uitspraak Venlo, behelst de themacontrole een algemeen onderzoek naar vermogen van alle bijstandsgerechtigden van de gemeenten Venlo en Venray. Dit onderzoek vindt vanaf maart 2015 plaats in de landen van herkomst van de bijstandsgerechtigden en zal gefaseerd plaatsvinden. Inherent aan een dergelijk gefaseerd onderzoek is, dat per fase een groep bijstandsgerechtigden met een bepaald land van herkomst wordt onderzocht en dit levert, anders dan appellanten hebben betoogd, geen ongerechtvaardigd onderscheid tussen de verschillende groepen bijstandsgerechtigden op.
Strijd met Turkse wetgeving en privacywetgeving
4.6.
Zoals de Raad heeft overwogen in de uitspraak van 1 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2914, is bij de vraag of bewijs, vergaard door, in opdracht of onder verantwoordelijkheid van Nederlandse bestuursorganen, bij besluitvorming of de toetsing daarvan in een bestuursrechtelijke procedure mag worden gebruikt, slechts van belang of dat bewijs naar Nederlands recht, daaronder begrepen het in Nederland geldende Internationale en Europese recht, rechtmatig is verkregen.
4.7.
Ingevolge artikel 53a van de PW is het college bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2615) kan deze algemene onderzoeksbevoegdheid steeds en spontaan worden uitgeoefend ten aanzien van alle bijstandsgerechtigden, zonder dat daartoe een redengevend feit, signaal, grond of vermoeden vereist is. Daarbij moet wel voldoende acht worden geslagen op de waarborgen zoals die onder andere verankerd liggen in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 november 2018, ECLI:N:CRVB:2018:3466.
4.8.
De gehanteerde onderzoeksmiddelen vormden een inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellanten.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2020.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) R.B.E. van Nimwegen