Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2023-05-03
ECLI:NL:CRVB:2023:846
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,426 tokens
Inleiding
22/2531 WAO
Datum uitspraak: 3 mei 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 9 mei 2008, 06/5088 WAO
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 9 mei 2008, 06/5088 WAO (ECLI:NL:CRVB:2008:BD2059).
Het Uwv heeft op dit verzoek om herziening gereageerd.
Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft samen, maar niet gevoegd, met zaak 22/1232 WW plaatsgevonden op 5 april 2023. Verzoekster is verschenen, vergezeld door haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert. In zaak 22/1232 WW heeft de Raad afzonderlijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Bij besluit van 1 oktober 2003, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 2 april 2004, heeft het Uwv de uitkering van verzoekster ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 2 december 2003 ingetrokken. Verzoekster heeft beroep en hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 9 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD2059, heeft de Raad de intrekking van deze uitkering bevestigd.
2.1.Verzoekster heeft aan haar verzoek om herziening ten grondslag gelegd dat de WAO uitkering in 2003 ten onrechte is ingetrokken. De rapporten van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen kloppen niet. Verzoekster is slachtoffer van de vuurwerkramp in Enschede in 2000. Zij heeft nog altijd medische klachten en gebruikt chronisch pijnstillers. Ook krijgt zij fysiotherapie en manuele therapie.
2.2.
Het Uwv heeft aangevoerd dat het verzoek onredelijk laat is ingediend en dat er van nieuwe feiten of omstandigheden geen sprake is.
3. De Raad oordeelt als volgt.
3.1.
Op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraken van 20 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1055, en 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1702) mag van degene die herziening vraagt van een uitspraak worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend verzoek om herziening moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.3.
Het verzoek is op 14 april 2022, dus bijna 14 jaar na de uitspraak van 9 mei 2008, door de Raad ontvangen. Nu geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden waarmee verzoekster minder dan een jaar vóór de datum van indiening van het herzieningsverzoek bekend is geworden en de oorspronkelijke uitspraak dateert van meer dan een jaar vóór de datum van het herzieningsverzoek, is het verzoek om herziening onredelijk laat ingediend.
3.4.
Uit 3.2 en 3.3 volgt dat het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
4. Het voorgaande betekent dat de Raad aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om herziening niet toekomt. Ter voorlichting aan verzoekster wordt nog opgemerkt dat, naar vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 24 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW3802), het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om, eventueel op basis van nieuwe argumenten, een hernieuwde discussie over de zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Dit brengt onder meer mee dat een vermeend onjuist oordeel van de Raad niet als grond voor herziening kan dienen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van N. Zwijnenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2023.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) N. Zwijnenberg
Inleiding
22/2531 WAO
Datum uitspraak: 3 mei 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 9 mei 2008, 06/5088 WAO
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Verzoekster heeft verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 9 mei 2008, 06/5088 WAO (ECLI:NL:CRVB:2008:BD2059).
Het Uwv heeft op dit verzoek om herziening gereageerd.
Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft samen, maar niet gevoegd, met zaak 22/1232 WW plaatsgevonden op 5 april 2023. Verzoekster is verschenen, vergezeld door haar echtgenoot. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door T. van der Weert. In zaak 22/1232 WW heeft de Raad afzonderlijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Bij besluit van 1 oktober 2003, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 2 april 2004, heeft het Uwv de uitkering van verzoekster ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 2 december 2003 ingetrokken. Verzoekster heeft beroep en hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 9 mei 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD2059, heeft de Raad de intrekking van deze uitkering bevestigd.
2.1.Verzoekster heeft aan haar verzoek om herziening ten grondslag gelegd dat de WAO uitkering in 2003 ten onrechte is ingetrokken. De rapporten van de verzekeringsartsen en de arbeidsdeskundigen kloppen niet. Verzoekster is slachtoffer van de vuurwerkramp in Enschede in 2000. Zij heeft nog altijd medische klachten en gebruikt chronisch pijnstillers. Ook krijgt zij fysiotherapie en manuele therapie.
2.2.
Het Uwv heeft aangevoerd dat het verzoek onredelijk laat is ingediend en dat er van nieuwe feiten of omstandigheden geen sprake is.
3. De Raad oordeelt als volgt.
3.1.
Op grond van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn; en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraken van 20 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1055, en 2 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1702) mag van degene die herziening vraagt van een uitspraak worden verlangd dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend verzoek om herziening moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
3.3.
Het verzoek is op 14 april 2022, dus bijna 14 jaar na de uitspraak van 9 mei 2008, door de Raad ontvangen. Nu geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden waarmee verzoekster minder dan een jaar vóór de datum van indiening van het herzieningsverzoek bekend is geworden en de oorspronkelijke uitspraak dateert van meer dan een jaar vóór de datum van het herzieningsverzoek, is het verzoek om herziening onredelijk laat ingediend.
3.4.
Uit 3.2 en 3.3 volgt dat het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
4. Het voorgaande betekent dat de Raad aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om herziening niet toekomt. Ter voorlichting aan verzoekster wordt nog opgemerkt dat, naar vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 24 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW3802), het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om, eventueel op basis van nieuwe argumenten, een hernieuwde discussie over de zaak te voeren en evenmin om een discussie over de juistheid van de betrokken uitspraak te openen. Dit brengt onder meer mee dat een vermeend onjuist oordeel van de Raad niet als grond voor herziening kan dienen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van N. Zwijnenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2023.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) N. Zwijnenberg