Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-02-10
ECLI:NL:CRVB:2017:651
Bestuursrecht
16/6558 AKW, 16/7525 AKW-VV Datum uitspraak: 10 februari 2017 Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 september 2016, 16/4516 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 7 december 2016 Partijen: [verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster) de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) De Svb heeft hoger beroep ingesteld. Namens verzoekster heeft mr. A.S. Bodha, advocaat, een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Verzoekster heeft stukken ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2017. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Bodha. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Asadi en mr. K. Verbeek. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; - veroordeelt de Svb tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van in totaal € 990,-; - bepaalt dat de Svb het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van A.M.C. de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2017. (getekend) E.E.V. Lenos (getekend) A.M.C. de Vries NK 1.1. Verzoekster, geboren [in] 1975, is opgegroeid in Nederland en heeft de Nederlandse nationaliteit. In 2009 is verzoekster samen met haar toenmalige partner naar Suriname vertrokken. In verband met het verbreken van deze relatie is zij, samen met haar vijf kinderen en in verwachting van het zesde kind, in 2015 teruggekeerd naar Nederland en, samen met de kinderen, bij haar moeder gaan inwonen. 1.2. Bij aanvraag van 11 november 2015 heeft verzoekster de Svb verzocht om toekenning van kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). 1.3. Bij besluit van 4 december 2015 heeft de Svb die aanvraag afgewezen omdat verzoekster vanaf het eerste kwartaal 2016 niet werkt of woont in Nederland. Van een duurzame band op grond waarvan zij geacht wordt in Nederland te wonen is geen sprake, nu verzoekster niet beschikt over zelfstandige woonruimte in Nederland en zij ook geen inkomen uit arbeid of een uitkering in Nederland heeft aldus de Svb. 1.4. Het tegen het besluit van 4 december 2015 ingediende bezwaar is bij besluit van 1 februari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij heeft de Svb er op gewezen dat verzoekster nog steeds geen zelfstandige woonruimte heeft en dat zij ook geen verdere activiteiten in Nederland heeft ontplooid. Voorts heeft de Svb aangeven dat aan het feit dat verzoekster inmiddels een uitkering van de gemeente heeft gekregen, geen rechten kunnen worden ontleend. Op grond van de feiten en omstandigheden is de Svb van mening dat op de peildatum van het eerste kwartaal van 2016, 1 januari 2016, nog geen sprake is van een duurzame persoonlijk band met Nederland, zodat er geen recht bestaat op kinderbijslag over het eerst kwartaal van 2016. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de Svb veroordeeld in de proceskosten van verzoekster en bepaald dat de Svb het betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat, mede omdat er geen aanwijzingen zijn die er op duiden dat verzoekster binnen afzienbare tijd of in de toekomst Nederland zal verlaten, in dit specifieke geval op grond van de van belang zijnde omstandigheden sprake is van het bestaan van een duurzame band van persoonlijke aard tussen verzoekster en Nederland. De door de Svb aangevoerde omstandigheden, namelijk de korte duur van het verblijf van verzoekster in Nederland op de peildatum van 1 januari 2016 en het gegeven dat verzoekster nog geen zelfstandige woning heeft, leggen voor de rechtbank onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen. 3.1. De Svb heeft in hoger beroep onder verwijzing naar arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP1466) en 4 maart 2011(ECLI:NL:HR:2011:BP6285) gesteld dat uit die arresten en de Svb Beleidsregels (SB1022) volgt dat er niet op basis van één factor wordt beslist of een duurzame band van persoonlijke aard bestaat met Nederland. Objectieve en subjectieve factoren als woon- en werkomgeving, gezin, financiën en inschrijving in het bevolkingsregister worden tegen elkaar afgewogen om tot een eindoordeel te komen, waarbij het onderling verband doorslaggevend is. De Svb is van oordeel dat op basis van de in onderhavige zaak aan de orde zijnde feiten en omstandigheden niet ondubbelzinnig kan worden vastgesteld dat belanghebbende op de peildatum in geding een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Daarbij heeft de Svb verwezen naar uitspraken van deze Raad van 4 mei 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW5741), van 30 oktober 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3916), van 8 maart 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4090) en van 7 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:770). 3.2. Het verzoek van verzoekster om een voorlopige voorziening strekt er toe – naar ter zitting is bevestigd – dat de Svb – in afwachting van het definitieve oordeel van de Raad – zal worden gelast aan verzoekster kinderbijslag te betalen met ingang van het eerste kwartaal van 2016. 4. De voorzieningenrechter van de Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 4.2. Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. 4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. 4.4. De voorzieningenrechter van de Raad stelt vooreerst vast dat de Svb inmiddels bij besluit van 25 oktober 2016 aan verzoekster per 1 januari 2017 kinderbijslag heeft toegekend. Tegen dat besluit heeft verzoekster bezwaar ingediend, waarop – naar ter zitting door de Svb is verklaard – nog niet is beslist. 4.5. Tussen partijen is in geschil of in het geval van verzoekster op de peildatum 1 januari 2016 sprake is van het bestaan van een duurzame band van persoonlijke aard tussen haar en Nederland en daarmee van ingezetenschap en verzekering ingevolge de AKW. 4.6. In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de AKW is bepaald dat verzekerd krachtens die wet degene is die ingezetene is. Ingevolge artikel 2 van de AKW is ingezetene degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld. 4.7. In de arresten van 21 januari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP1466) en 4 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP6285) heeft de Hoge Raad overwogen dat het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aankomt of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. 4.8. In een aantal uitspraken van de Raad van mei 2012 (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2012:BW5741 en ECLI:NL:CRVB:2012:BW6264) is geoordeeld dat het de exclusieve taak van de rechter is om in procedures als de onderhavige het wettelijk begrip ingezetene uit te leggen. Daarmee is niet gezegd dat de Svb geen wetsinterpreterende beleidsregels mag opstellen, maar deze regels kunnen de rechter niet binden. Zij zijn in het algemeen dus niet van doorslaggevende betekenis voor het antwoord op de vraag of een betrokkene als ingezetene moet worden aangemerkt, met dien verstande dat wel steeds beoordeeld moet worden of de Svb zijn beleidsregels ter zake, voor zover daarin sprake is van een begunstigende uitleg van de wet, ook stelselmatig heeft toegepast. 4.9. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende voor onderhavige beoordeling relevante – door de Svb niet betwiste – feiten en omstandigheden. Verzoekster is in Nederland opgegroeid. Zij is in 2009 met haar toenmalige partner en hun kinderen naar Suriname vertrokken omdat hij daar een dienstbetrekking aangeboden had gekregen. Het gezin bewoonde een huurwoning en verzoekster werkte in Suriname in dienstbetrekking. Na het verbreken van de relatie is verzoekster op 13 oktober 2015 met drie kinderen teruggekeerd naar Nederland. Twee kinderen waren op 10 september 2015 al teruggekeerd naar Nederland. In november 2015 is het zesde kind geboren.