Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-10-14
ECLI:NL:CRVB:2016:4011
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,579 tokens
Inleiding
15/2216 WAZ
Datum uitspraak: 14 oktober 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 februari 2015, 14/6255 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft J. Versteeg hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2016. Voor appellant is verschenen [naam] en zijn echtgenote [naam echtgenote] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.
Overwegingen
1.1.
Appellant, die in maatschapsverband samen met zijn echtgenote een melkveebedrijf exploiteerde, is voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens rugklachten. De rechtsvoorganger van het Uwv heeft appellant verminderd belastbaar geacht en heeft hem met ingang van ingang van 2 oktober 1989 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, die nadien is omgezet in een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ). De onderneming omvatte de bedrijfstakken jongvee, akkerbouw en een melkveebedrijf. Appellant is, met aanpassing van zijn werkzaamheden, actief gebleven in het bedrijf. Het Uwv heeft de inkomsten van appellant verrekend met zijn uitkering. De WAZ-uitkering van appellant werd laatstelijk gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.
1.2.
Appellant heeft het Uwv op 23 augustus 2013 op de hoogte gebracht van de verkoop van het melkquotum ten bedrage van € 114.368,-.
1.3.
Het Uwv heeft bij besluit van 28 maart 2014 vastgesteld dat appellant over de periode van 1 januari 2012 tot en met 1 januari 2013 geen recht heeft op een WAZ-uitkering, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op grond van zijn inkomsten als zelfstandige wordt vastgesteld op 0%. Het Uwv heeft verder te kennen gegeven dat appellant de onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering over 2012 terug dient te betalen. Bij een ander besluit van 28 maart 2014 heeft het Uwv een bedrag van € 9.546,12 aan onverschuldigd betaalde WAZ-uitkering van appellant teruggevorderd.
1.4.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 maart 2014, waarbij zijn
WAZ-uitkering is verlaagd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het Uwv de verkoop van het melkquotum van € 114.368,-, waarvan 50% aan hem dient te worden toegerekend, ten onrechte heeft betrokken bij de vaststelling van de winst uit onderneming. Appellant heeft toegelicht dat hier geen prestatie tegenover staat en dat de winst over 2012 € 1.545,- bedraagt.
1.5.
Het Uwv heeft bij besluit van 11 september 2014 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 maart 2014 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat in vaste rechtspraak is bepaald dat bij de vaststelling van de inkomsten uit arbeid van een zelfstandige uitgegaan wordt van de fiscaal verantwoorde en vastgestelde nettowinst, tenzij bijzondere omstandigheden, zoals stakingswinst, afwijking rechtvaardigen. Het Uwv heeft op basis van de dossierstukken en het verhandelde ter hoorzitting geen aanknopingspunten gezien om de met de verkoop van het melkquotum gemoeide winst te beschouwen als stakingswinst en deze op grond daarvan buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van het inkomen uit zelfstandige arbeid van appellant. Daartoe is overwogen dat appellant zijn bedrijfsactiviteiten na 2012 heeft voortgezet, zodat er geen sprake is van bedrijfsbeëindiging en dat uit de aangifte inkomstenbelasting 2012 niet blijkt dat appellant stakingsaftrek zoals bedoeld in de Wet Inkomstenbelasting 2001 heeft opgevoerd. Uitgaande van de gegevens van de Belastingdienst heeft het Uwv de winst uit onderneming vastgesteld op € 55.062,- en heeft het Uwv het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 0%.
2.1.
In beroep heeft appellant zijn in bezwaar aangevoerde grond dat sprake is van stakingswinst herhaald. Appellant heeft toegelicht dat met de verkoop van het melkquotum een zelfstandig onderdeel van de onderneming, de bedrijfstak melkveehouderij, is gestaakt. De onderneming is vervolgens in afgeslankte vorm voortgezet, waarbij uitsluitend de bestaande bedrijfstakken jongvee en akkerbouw zijn behouden. Appellant heeft verder toegelicht dat het niet mogelijk was om de stakingsaftrek in de aangifte inkomstenbelasting 2012 als zodanig op te voeren, omdat stakingsaftrek uitsluitend mogelijk is in de situatie dat alle bedrijfsactiviteiten worden gestaakt. Over zijn aangifte inkomstenbelasting 2012 heeft appellant aangevoerd dat een bedrag van € 108.386,- als positief stakingsresultaat is vermeld en dat een bedrag van € 54.193,- als (stakingswinst) lijfrente is geclaimd, wat alleen mogelijk is bij een gedeeltelijke of gehele staking van het bedrijf. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat sprake is van stakingswinst heeft appellant voorts verwezen naar een op 19 november 2014 gedateerde brief van de Belastingdienst.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Zij heeft onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad overwogen dat bij de vaststelling van de inkomsten uit arbeid van een zelfstandige in beginsel doorslaggevende betekenis toegekend moet worden aan de door die zelfstandige in het kader van de fiscale wetgeving gemaakte keuzes, die door de fiscus zijn aanvaard. De rechtbank is in het geval van appellant niet gebleken van bijzondere omstandigheden die afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen. Zij heeft meegewogen dat uit de bij de Belastingdienst geregistreerde inkomstensgegevens blijkt dat de van appellant bekende belastbare winst uit onderneming
€ 36.493,- bedraagt en dat over 2012 geen stakingswinst is opgevoerd of geaccepteerd. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat uit de brief van de Belastingdienst van 19 november 2014 niet volgt dat de Belastingdienst de overdracht van het melkquotum heeft aangemerkt als een staking van een zelfstandig deel van de onderneming zoals bedoeld in het besluit van de Belastingdienst van 13 oktober 2010 DGB2010/1981M. De rechtbank acht het om deze reden niet onjuist dat het Uwv de opbrengst van de verkoop van het melkquotum bij de toepassing van artikel 58 van de WAZ niet buiten beschouwing heeft gelaten en het standpunt heeft ingenomen dat appellant over 2012 geen recht heeft op een WAZ-uitkering, omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt is.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep staande gehouden dat hij de met de verkoop van het melkquotum gemoeide winst tot een bedrag van €108.386,- wel degelijk als stakingswinst heeft opgevoerd in de aangifte inkomstenbelasting 2012. Hij heeft toegelicht dat dit bedrag in de aangifte fiscaal is verantwoord onder de post ‘positief stakingsresultaat’.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak. Daartoe is aangevoerd dat de met de verkoop van het melkquotum gemoeide winst deel uitmaakt van de fiscale nettowinst en als zodanig als inkomsten uit arbeid is aan te merken en dat niet gebleken is dat de Belastingdienst de stakingswinst heeft geaccepteerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Partijen houdt in dit geding verdeeld de vraag of het Uwv de met de verkoop van het melkquotum gemoeide winst terecht tot de inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 58 van de WAZ heeft gerekend.
4.2.
Appellant heeft ter zitting van de Raad nader toegelicht dat hij de met de verkoop van het melkquotum gemoeide winst bij de aangifte inkomstenbelasting 2012 vooreerst heeft verantwoord onder de post ‘saldo fiscale winstberekening’ onder a, maar dat hij gebruik heeft gemaakt van de door de fiscale wetgeving geboden mogelijkheid om bij het geheel of gedeeltelijk staken van een onderneming de stakingswinst aan te wenden voor het sluiten van een lijfrente. Appellant heeft de met de verkoop van het melkquotum gemoeide winst, ter hoogte van het volledige bedrag van die winst, aangewend voor het sluiten van een lijfrente, waarbij hij de hiervoor betaalde premies (voor zover hem betreffend, tot een bedrag van
€ 54.193,-) op de aangifte inkomstenbelasting 2012 fiscaal heeft verantwoord onder de post uitgaven voor inkomensvoorzieningen ‘premies in verband met afneming oudedagsreserve en/of stakingswinst’.
Beoordeling
4.5.
Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, evenals het bestreden besluit en dat het primaire besluit van
28 maart 2014 dient te worden herroepen.
5. Het Uwv zal worden veroordeeld in de (proces)kosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze kosten worden vastgesteld op € 992,- in bezwaar, € 992,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen het besluit van 11 september 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;
herroept het besluit van 28 maart 2014;
veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 2.976,-;
bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en R.E. Bakker en
H. van Leeuwen als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2016.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) G.J. van Gendt
NK