Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-08-27
ECLI:NL:CBB:2024:600
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,516 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1227
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (ondernemer)
(gemachtigde: mr. M.J. Borgs)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 11 augustus 2022 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 1.705,55 teruggevorderd.
Met het besluit van 3 april 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidie op € 0,- vastgesteld, omdat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. De minister heeft Q1 van 2019 als referentieperiode gehanteerd voor de berekening van het omzetverlies.
3 De ondernemer voert aan dat hij zich tot Q1 van 2019 bezighield met de op- en afbouw van podia voor evenementen. Begin 2019 heeft hij zijn bedrijfsactiviteiten gewijzigd naar werken op hoogte voor industrie en bedrijfsleven (rigging, rope access en valbeveiliging). De omzet in Q1 van 2019 is daarom niet representatief. Het bestreden besluit pakt daarom onevenredig nadelig uit. De ondernemer verwijst naar een uitspraak van het College van 15 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:271), waarin een vergelijkbare situatie aan de orde was. Het College kwam daar tot de conclusie dat dit een grond oplevert om af te wijken van de op grond van de TVL voorgeschreven referentieperiode.
4.1
Op grond van artikel 2.2.2, tweede lid, van de TVL geldt Q1 van 2019 als referentieperiode. De ondernemer valt niet onder de in het derde lid van dat artikel opgenomen uitzondering. Uit de door de ondernemer genoemde uitspraak van het College van 15 mei 2022 volgt dat een wijziging van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel (KvK) in verband met de start van nieuwe bedrijfsactiviteiten in een bestaande eenmanszaak, onder omstandigheden kan worden aangemerkt als eerste inschrijving. Het beroep op die uitspraak slaagt niet, omdat de ondernemer de inschrijving bij de KvK niet heeft gewijzigd in verband met de wijziging van zijn bedrijfsactiviteiten.
4.2
De TVL biedt, op de uitzondering uit het derde lid van artikel 2.2.2 van de TVL na, geen mogelijkheid om af te wijken van de referentieperiode Q1 van 2019. Het College heeft hierover al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens overwogen dat de TVL geen mogelijkheid biedt om af te wijken van de in de TVL genoemde referentieperioden. De regelgever heeft geen hardheidsclausule in de TVL opgenomen. Omdat er heel veel aanvragen zijn ingediend, is de uitvoering zo ingericht dat zo veel mogelijk ondernemers zo snel mogelijk een voorschot krijgen uitgekeerd. Om te zorgen dat de TVL uitvoerbaar blijft, maakt de minister alleen in zeer bijzondere gevallen een uitzondering. Het College vindt dat niet onrechtmatig (zie bijvoorbeeld de uitspraken van
8 juni 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:594) en 8 november 2022, ECLI:NL:CBB:2022:751). Dat de omzet in de referentieperiode door het verrichten van nieuwe bedrijfsactiviteiten niet representatief is, wat daar ook van zij, maakt niet dat sprake is van zo’n zeer bijzonder geval.
4.3
De minister heeft daarom terecht Q1 van 2019 als referentieperiode gehanteerd en geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de TVL lager (op € 0,-) vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
w.g. B. Bastein w.g. M. Ettema
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1227
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (ondernemer)
(gemachtigde: mr. M.J. Borgs)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 11 augustus 2022 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 1.705,55 teruggevorderd.
Met het besluit van 3 april 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidie op € 0,- vastgesteld, omdat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. De minister heeft Q1 van 2019 als referentieperiode gehanteerd voor de berekening van het omzetverlies.
3 De ondernemer voert aan dat hij zich tot Q1 van 2019 bezighield met de op- en afbouw van podia voor evenementen. Begin 2019 heeft hij zijn bedrijfsactiviteiten gewijzigd naar werken op hoogte voor industrie en bedrijfsleven (rigging, rope access en valbeveiliging). De omzet in Q1 van 2019 is daarom niet representatief. Het bestreden besluit pakt daarom onevenredig nadelig uit. De ondernemer verwijst naar een uitspraak van het College van 15 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:271), waarin een vergelijkbare situatie aan de orde was. Het College kwam daar tot de conclusie dat dit een grond oplevert om af te wijken van de op grond van de TVL voorgeschreven referentieperiode.
4.1
Op grond van artikel 2.2.2, tweede lid, van de TVL geldt Q1 van 2019 als referentieperiode. De ondernemer valt niet onder de in het derde lid van dat artikel opgenomen uitzondering. Uit de door de ondernemer genoemde uitspraak van het College van 15 mei 2022 volgt dat een wijziging van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel (KvK) in verband met de start van nieuwe bedrijfsactiviteiten in een bestaande eenmanszaak, onder omstandigheden kan worden aangemerkt als eerste inschrijving. Het beroep op die uitspraak slaagt niet, omdat de ondernemer de inschrijving bij de KvK niet heeft gewijzigd in verband met de wijziging van zijn bedrijfsactiviteiten.
4.2
De TVL biedt, op de uitzondering uit het derde lid van artikel 2.2.2 van de TVL na, geen mogelijkheid om af te wijken van de referentieperiode Q1 van 2019. Het College heeft hierover al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens overwogen dat de TVL geen mogelijkheid biedt om af te wijken van de in de TVL genoemde referentieperioden. De regelgever heeft geen hardheidsclausule in de TVL opgenomen. Omdat er heel veel aanvragen zijn ingediend, is de uitvoering zo ingericht dat zo veel mogelijk ondernemers zo snel mogelijk een voorschot krijgen uitgekeerd. Om te zorgen dat de TVL uitvoerbaar blijft, maakt de minister alleen in zeer bijzondere gevallen een uitzondering. Het College vindt dat niet onrechtmatig (zie bijvoorbeeld de uitspraken van
8 juni 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:594) en 8 november 2022, ECLI:NL:CBB:2022:751). Dat de omzet in de referentieperiode door het verrichten van nieuwe bedrijfsactiviteiten niet representatief is, wat daar ook van zij, maakt niet dat sprake is van zo’n zeer bijzonder geval.
4.3
De minister heeft daarom terecht Q1 van 2019 als referentieperiode gehanteerd en geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de TVL lager (op € 0,-) vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
w.g. B. Bastein w.g. M. Ettema
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1227
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (ondernemer)
(gemachtigde: mr. M.J. Borgs)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 11 augustus 2022 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 1.705,55 teruggevorderd.
Met het besluit van 3 april 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidie op € 0,- vastgesteld, omdat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. De minister heeft Q1 van 2019 als referentieperiode gehanteerd voor de berekening van het omzetverlies.
3 De ondernemer voert aan dat hij zich tot Q1 van 2019 bezighield met de op- en afbouw van podia voor evenementen. Begin 2019 heeft hij zijn bedrijfsactiviteiten gewijzigd naar werken op hoogte voor industrie en bedrijfsleven (rigging, rope access en valbeveiliging). De omzet in Q1 van 2019 is daarom niet representatief. Het bestreden besluit pakt daarom onevenredig nadelig uit. De ondernemer verwijst naar een uitspraak van het College van 15 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:271), waarin een vergelijkbare situatie aan de orde was. Het College kwam daar tot de conclusie dat dit een grond oplevert om af te wijken van de op grond van de TVL voorgeschreven referentieperiode.
4.1
Op grond van artikel 2.2.2, tweede lid, van de TVL geldt Q1 van 2019 als referentieperiode. De ondernemer valt niet onder de in het derde lid van dat artikel opgenomen uitzondering. Uit de door de ondernemer genoemde uitspraak van het College van 15 mei 2022 volgt dat een wijziging van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel (KvK) in verband met de start van nieuwe bedrijfsactiviteiten in een bestaande eenmanszaak, onder omstandigheden kan worden aangemerkt als eerste inschrijving. Het beroep op die uitspraak slaagt niet, omdat de ondernemer de inschrijving bij de KvK niet heeft gewijzigd in verband met de wijziging van zijn bedrijfsactiviteiten.
4.2
De TVL biedt, op de uitzondering uit het derde lid van artikel 2.2.2 van de TVL na, geen mogelijkheid om af te wijken van de referentieperiode Q1 van 2019. Het College heeft hierover al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens overwogen dat de TVL geen mogelijkheid biedt om af te wijken van de in de TVL genoemde referentieperioden. De regelgever heeft geen hardheidsclausule in de TVL opgenomen. Omdat er heel veel aanvragen zijn ingediend, is de uitvoering zo ingericht dat zo veel mogelijk ondernemers zo snel mogelijk een voorschot krijgen uitgekeerd. Om te zorgen dat de TVL uitvoerbaar blijft, maakt de minister alleen in zeer bijzondere gevallen een uitzondering. Het College vindt dat niet onrechtmatig (zie bijvoorbeeld de uitspraken van
8 juni 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:594) en 8 november 2022, ECLI:NL:CBB:2022:751). Dat de omzet in de referentieperiode door het verrichten van nieuwe bedrijfsactiviteiten niet representatief is, wat daar ook van zij, maakt niet dat sprake is van zo’n zeer bijzonder geval.
4.3
De minister heeft daarom terecht Q1 van 2019 als referentieperiode gehanteerd en geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de TVL lager (op € 0,-) vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
w.g. B. Bastein w.g. M. Ettema
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1227
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen
[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (ondernemer)
(gemachtigde: mr. M.J. Borgs)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 11 augustus 2022 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 1.705,55 teruggevorderd.
Met het besluit van 3 april 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidie op € 0,- vastgesteld, omdat de ondernemer niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. De minister heeft Q1 van 2019 als referentieperiode gehanteerd voor de berekening van het omzetverlies.
3 De ondernemer voert aan dat hij zich tot Q1 van 2019 bezighield met de op- en afbouw van podia voor evenementen. Begin 2019 heeft hij zijn bedrijfsactiviteiten gewijzigd naar werken op hoogte voor industrie en bedrijfsleven (rigging, rope access en valbeveiliging). De omzet in Q1 van 2019 is daarom niet representatief. Het bestreden besluit pakt daarom onevenredig nadelig uit. De ondernemer verwijst naar een uitspraak van het College van 15 mei 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:271), waarin een vergelijkbare situatie aan de orde was. Het College kwam daar tot de conclusie dat dit een grond oplevert om af te wijken van de op grond van de TVL voorgeschreven referentieperiode.
4.1
Op grond van artikel 2.2.2, tweede lid, van de TVL geldt Q1 van 2019 als referentieperiode. De ondernemer valt niet onder de in het derde lid van dat artikel opgenomen uitzondering. Uit de door de ondernemer genoemde uitspraak van het College van 15 mei 2022 volgt dat een wijziging van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel (KvK) in verband met de start van nieuwe bedrijfsactiviteiten in een bestaande eenmanszaak, onder omstandigheden kan worden aangemerkt als eerste inschrijving. Het beroep op die uitspraak slaagt niet, omdat de ondernemer de inschrijving bij de KvK niet heeft gewijzigd in verband met de wijziging van zijn bedrijfsactiviteiten.
4.2
De TVL biedt, op de uitzondering uit het derde lid van artikel 2.2.2 van de TVL na, geen mogelijkheid om af te wijken van de referentieperiode Q1 van 2019. Het College heeft hierover al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens overwogen dat de TVL geen mogelijkheid biedt om af te wijken van de in de TVL genoemde referentieperioden. De regelgever heeft geen hardheidsclausule in de TVL opgenomen. Omdat er heel veel aanvragen zijn ingediend, is de uitvoering zo ingericht dat zo veel mogelijk ondernemers zo snel mogelijk een voorschot krijgen uitgekeerd. Om te zorgen dat de TVL uitvoerbaar blijft, maakt de minister alleen in zeer bijzondere gevallen een uitzondering. Het College vindt dat niet onrechtmatig (zie bijvoorbeeld de uitspraken van
8 juni 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:594) en 8 november 2022, ECLI:NL:CBB:2022:751). Dat de omzet in de referentieperiode door het verrichten van nieuwe bedrijfsactiviteiten niet representatief is, wat daar ook van zij, maakt niet dat sprake is van zo’n zeer bijzonder geval.
4.3
De minister heeft daarom terecht Q1 van 2019 als referentieperiode gehanteerd en geconcludeerd dat niet is voldaan aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies. De minister mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om de TVL lager (op € 0,-) vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
w.g. B. Bastein w.g. M. Ettema
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.