Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-08-27
ECLI:NL:CBB:2024:592
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,364 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1121
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen
[naam 1]
, handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 20 oktober 2022 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 6.496,-teruggevorderd.
Met het besluit van 13 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer gegrond verklaard, het vaststellingsbesluit herroepen en de verleende subsidie vastgesteld op € 3.851,75.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 3.851,75. Bij zijn berekening is de minister uitgegaan van de omzet in de subsidieperiode (Q4 van 2021), zoals die blijkt uit de over die periode ingediende aangifte omzetbelasting (€ 19.665,-).
3 De ondernemer stelt dat hij in de subsidieperiode geen omzet had. De accountant heeft de jaaromzet in de aangifte omzetbelasting aan Q4 van 2021 toegerekend. Achteraf is de jaaromzet alsnog verdeeld over de verschillende kwartalen. In Q4 van 2020 had de ondernemer ook geen omzet en toen heeft hij subsidie op grond van de TVL gekregen.
4.1
Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een ondernemer over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5) en 9 juli 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:442).
4.2
Vast staat dat de ondernemer aangifte doet over zijn gehele omzet. Ook in dit geval is het College daarom van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat de accountant de jaaromzet in de aangifte over Q4 van 2021 heeft opgegeven, komt voor rekening van de ondernemer. Niet is gebleken dat de aangifte omzetbelasting over dat kwartaal is gecorrigeerd met een suppletieaangifte. Dat de ondernemer voor Q4 van 2020 subsidie heeft gekregen, is geen reden om van de aangifte over Q4 van 2021 af te wijken. Voor iedere subsidieperiode moet de minister het omzetverlies berekenen aan de hand van de omzetgegevens in de subsidie- en referentieperiode.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
w.g. B. Bastein w.g. M. Ettema
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1121
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen
[naam 1]
, handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 20 oktober 2022 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 6.496,-teruggevorderd.
Met het besluit van 13 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer gegrond verklaard, het vaststellingsbesluit herroepen en de verleende subsidie vastgesteld op € 3.851,75.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 3.851,75. Bij zijn berekening is de minister uitgegaan van de omzet in de subsidieperiode (Q4 van 2021), zoals die blijkt uit de over die periode ingediende aangifte omzetbelasting (€ 19.665,-).
3 De ondernemer stelt dat hij in de subsidieperiode geen omzet had. De accountant heeft de jaaromzet in de aangifte omzetbelasting aan Q4 van 2021 toegerekend. Achteraf is de jaaromzet alsnog verdeeld over de verschillende kwartalen. In Q4 van 2020 had de ondernemer ook geen omzet en toen heeft hij subsidie op grond van de TVL gekregen.
4.1
Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een ondernemer over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5) en 9 juli 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:442).
4.2
Vast staat dat de ondernemer aangifte doet over zijn gehele omzet. Ook in dit geval is het College daarom van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat de accountant de jaaromzet in de aangifte over Q4 van 2021 heeft opgegeven, komt voor rekening van de ondernemer. Niet is gebleken dat de aangifte omzetbelasting over dat kwartaal is gecorrigeerd met een suppletieaangifte. Dat de ondernemer voor Q4 van 2020 subsidie heeft gekregen, is geen reden om van de aangifte over Q4 van 2021 af te wijken. Voor iedere subsidieperiode moet de minister het omzetverlies berekenen aan de hand van de omzetgegevens in de subsidie- en referentieperiode.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
w.g. B. Bastein w.g. M. Ettema
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1121
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen
[naam 1]
, handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 20 oktober 2022 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 6.496,-teruggevorderd.
Met het besluit van 13 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer gegrond verklaard, het vaststellingsbesluit herroepen en de verleende subsidie vastgesteld op € 3.851,75.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 3.851,75. Bij zijn berekening is de minister uitgegaan van de omzet in de subsidieperiode (Q4 van 2021), zoals die blijkt uit de over die periode ingediende aangifte omzetbelasting (€ 19.665,-).
3 De ondernemer stelt dat hij in de subsidieperiode geen omzet had. De accountant heeft de jaaromzet in de aangifte omzetbelasting aan Q4 van 2021 toegerekend. Achteraf is de jaaromzet alsnog verdeeld over de verschillende kwartalen. In Q4 van 2020 had de ondernemer ook geen omzet en toen heeft hij subsidie op grond van de TVL gekregen.
4.1
Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een ondernemer over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5) en 9 juli 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:442).
4.2
Vast staat dat de ondernemer aangifte doet over zijn gehele omzet. Ook in dit geval is het College daarom van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat de accountant de jaaromzet in de aangifte over Q4 van 2021 heeft opgegeven, komt voor rekening van de ondernemer. Niet is gebleken dat de aangifte omzetbelasting over dat kwartaal is gecorrigeerd met een suppletieaangifte. Dat de ondernemer voor Q4 van 2020 subsidie heeft gekregen, is geen reden om van de aangifte over Q4 van 2021 af te wijken. Voor iedere subsidieperiode moet de minister het omzetverlies berekenen aan de hand van de omzetgegevens in de subsidie- en referentieperiode.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
w.g. B. Bastein w.g. M. Ettema
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1121
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 in de zaak tussen
[naam 1]
, handelend onder de naam [naam 2], te [plaats] (ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 20 oktober 2022 (vaststellingsbesluit) heeft de minister de subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal (Q4) van 2021 vastgesteld op € 0,- en het betaalde voorschot van € 6.496,-teruggevorderd.
Met het besluit van 13 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer gegrond verklaard, het vaststellingsbesluit herroepen en de verleende subsidie vastgesteld op € 3.851,75.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2 De minister heeft de subsidie vastgesteld op € 3.851,75. Bij zijn berekening is de minister uitgegaan van de omzet in de subsidieperiode (Q4 van 2021), zoals die blijkt uit de over die periode ingediende aangifte omzetbelasting (€ 19.665,-).
3 De ondernemer stelt dat hij in de subsidieperiode geen omzet had. De accountant heeft de jaaromzet in de aangifte omzetbelasting aan Q4 van 2021 toegerekend. Achteraf is de jaaromzet alsnog verdeeld over de verschillende kwartalen. In Q4 van 2020 had de ondernemer ook geen omzet en toen heeft hij subsidie op grond van de TVL gekregen.
4.1
Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat als een ondernemer over haar gehele omzet omzetbelasting betaalt, de minister de aangifte omzetbelasting moet gebruiken voor het bepalen van de omzet en de berekening van het omzetverlies. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 11 januari 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:5) en 9 juli 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:442).
4.2
Vast staat dat de ondernemer aangifte doet over zijn gehele omzet. Ook in dit geval is het College daarom van oordeel dat de minister terecht is uitgegaan van de omzet die uit de aangifte omzetbelasting blijkt. Dat de accountant de jaaromzet in de aangifte over Q4 van 2021 heeft opgegeven, komt voor rekening van de ondernemer. Niet is gebleken dat de aangifte omzetbelasting over dat kwartaal is gecorrigeerd met een suppletieaangifte. Dat de ondernemer voor Q4 van 2020 subsidie heeft gekregen, is geen reden om van de aangifte over Q4 van 2021 af te wijken. Voor iedere subsidieperiode moet de minister het omzetverlies berekenen aan de hand van de omzetgegevens in de subsidie- en referentieperiode.
5 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
w.g. B. Bastein w.g. M. Ettema
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.