Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-04-09
ECLI:NL:CBB:2024:255
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,415 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2351
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] , (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes)
Procesverloop
Met het besluit van 18 februari 2021 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 afgewezen.
Met het besluit van 21 september 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister opnieuw het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 15 februari 2024. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
1.1
De onderneming heeft een aanvraag ingediend voor een subsidie op grond van de TVL voor het vierde kwartaal van 2020. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat de SBI-code (64.20) waarmee de onderneming op 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel niet is opgenomen in de bijlage van de TVL. Met het besluit van 24 juni 2021 heeft de minister de bezwaren van de onderneming daartegen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 april 2022 (zaaknummer 21/913) heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit van 24 juni 2021 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van de onderneming.
1.2
Met het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van de onderneming tegen het afwijzingsbesluit opnieuw ongegrond verklaard, omdat de onderneming niet voldoet aan het vereiste dat de vaste lasten € 3.000,- of meer bedragen. Deze eis volgt uit artikel 2.1.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de TVL. De minister is bij de berekening van de vaste lasten van de onderneming uitgegaan van de (feitelijke) activiteiten die vallen onder SBI-code 81.10 (facility management). Bij die SBI-code zijn de vaste lasten bepaald op 15% van de omzet. Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat de omzet van de onderneming in het referentiekwartaal (het vierde kwartaal van 2019) € 14.014,- was. De minister gaat er daarom van uit dat de vaste lasten € 2.102,10,- (15% van € 14.014,-) zijn. Dat is minder dan het minimale bedrag van € 3.000,- en daarom is het afwijzingsbesluit gehandhaafd.
1.3
Het College oordeelt dat de minister de subsidieaanvraag voor het vierde kwartaal van 2020 terecht heeft afgewezen. Het College licht dit oordeel hieronder toe.
1.4
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling
2.1
De regelgever heeft gekozen voor een ‘forfaitair systeem’. Dat betekent in dit geval dat bij de beoordeling van de aanvraag niet wordt gekeken naar de werkelijke vaste lasten, maar dat wordt gekeken naar wat de verhouding is tussen de vaste lasten en de omzet van een gemiddeld bedrijf in een bepaalde sector. Het percentage vaste lasten per sector is vastgelegd in de tabel in de bijlage bij de TVL. Voor ondernemingen met een SBI-code beginnend met 81 bepaalt die tabel dat de vaste lasten 15% van de omzet bedragen. De vaste lasten van de onderneming komen met de voorgeschreven berekeningswijze uit op een lager bedrag dan € 3.000,-. Daarom voldoet de onderneming niet aan het vereiste dat de vaste lasten ten minste € 3.000,- bedragen en komt zij niet in aanmerking voor een subsidie.
2.2
De onderneming vindt de drempel van € 3.000,- oneerlijk, onredelijk en discriminerend voor een klein bedrijf, zoals dat van haar. Deze drempel is naar het oordeel van het College niet op voorhand oneerlijk, onredelijk of discriminerend. De onderneming heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze drempel voor kleine ondernemingen in het algemeen onevenredig uitvalt.
2.3
De onderneming vindt dat de minister in plaats van het vaste percentage van 15% van de omzet uit had moeten gaan van de werkelijke vaste lasten. Die zijn namelijk hoger dan 15% van de omzet. Het College heeft over deze beroepsgrond al in meerdere zaken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 augustus 2021, ECLI:NL:CBB:2021:809) uitspraak gedaan. De vaste lijn hierin is: In een systeem waarin vaste percentages worden gebruikt, kan het nu eenmaal voorkomen dat de werkelijke vaste lasten lager of hoger zijn. Daar kan geen rekening mee gehouden worden en dat maakt het systeem op zich niet oneerlijk. Het College ziet geen reden om in deze zaak van die vaste lijn af te wijken. De onderneming heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat dit percentage in haar specifieke geval onevenredig is.
2.4
De minister heeft dus terecht geen uitzondering gemaakt op de drempel van € 3.000,- en terecht geen rekening gehouden met de werkelijke vaste lasten van de onderneming. De minister heeft de subsidieaanvraag voor het vierde kwartaal van 2020 dan ook terecht afgewezen.
2.5
De stelling van de onderneming dat zij alsnog in aanmerking zou moeten komen voor een subsidie op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS) valt buiten de grenzen van het TVL-besluit waar het College nu over oordeelt.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2024.
w.g. M.P. Glerum w.g. A.M. Slierendrecht
Bijlage
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
Artikel 2.1.1 (verstrekking subsidie), eerste lid en tweede lid, aanhef en onder b
1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een getroffen MKBonderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de maanden oktober, november en december van 2020.
2. De subsidie wordt enkel verstrekt aan een MKB-onderneming:
(…)
b. waarvan de uitkomst van de vermenigvuldiging van A en C ten minste € 3.000,- bedraagt;
(…)
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2351
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] , (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes)
Procesverloop
Met het besluit van 18 februari 2021 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 afgewezen.
Met het besluit van 21 september 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister opnieuw het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 15 februari 2024. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
1.1
De onderneming heeft een aanvraag ingediend voor een subsidie op grond van de TVL voor het vierde kwartaal van 2020. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat de SBI-code (64.20) waarmee de onderneming op 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel niet is opgenomen in de bijlage van de TVL. Met het besluit van 24 juni 2021 heeft de minister de bezwaren van de onderneming daartegen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 april 2022 (zaaknummer 21/913) heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit van 24 juni 2021 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van de onderneming.
1.2
Met het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van de onderneming tegen het afwijzingsbesluit opnieuw ongegrond verklaard, omdat de onderneming niet voldoet aan het vereiste dat de vaste lasten € 3.000,- of meer bedragen. Deze eis volgt uit artikel 2.1.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de TVL. De minister is bij de berekening van de vaste lasten van de onderneming uitgegaan van de (feitelijke) activiteiten die vallen onder SBI-code 81.10 (facility management). Bij die SBI-code zijn de vaste lasten bepaald op 15% van de omzet. Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat de omzet van de onderneming in het referentiekwartaal (het vierde kwartaal van 2019) € 14.014,- was. De minister gaat er daarom van uit dat de vaste lasten € 2.102,10,- (15% van € 14.014,-) zijn. Dat is minder dan het minimale bedrag van € 3.000,- en daarom is het afwijzingsbesluit gehandhaafd.
1.3
Het College oordeelt dat de minister de subsidieaanvraag voor het vierde kwartaal van 2020 terecht heeft afgewezen. Het College licht dit oordeel hieronder toe.
1.4
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling
2.1
De regelgever heeft gekozen voor een ‘forfaitair systeem’. Dat betekent in dit geval dat bij de beoordeling van de aanvraag niet wordt gekeken naar de werkelijke vaste lasten, maar dat wordt gekeken naar wat de verhouding is tussen de vaste lasten en de omzet van een gemiddeld bedrijf in een bepaalde sector. Het percentage vaste lasten per sector is vastgelegd in de tabel in de bijlage bij de TVL. Voor ondernemingen met een SBI-code beginnend met 81 bepaalt die tabel dat de vaste lasten 15% van de omzet bedragen. De vaste lasten van de onderneming komen met de voorgeschreven berekeningswijze uit op een lager bedrag dan € 3.000,-. Daarom voldoet de onderneming niet aan het vereiste dat de vaste lasten ten minste € 3.000,- bedragen en komt zij niet in aanmerking voor een subsidie.
2.2
De onderneming vindt de drempel van € 3.000,- oneerlijk, onredelijk en discriminerend voor een klein bedrijf, zoals dat van haar. Deze drempel is naar het oordeel van het College niet op voorhand oneerlijk, onredelijk of discriminerend. De onderneming heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze drempel voor kleine ondernemingen in het algemeen onevenredig uitvalt.
2.3
De onderneming vindt dat de minister in plaats van het vaste percentage van 15% van de omzet uit had moeten gaan van de werkelijke vaste lasten. Die zijn namelijk hoger dan 15% van de omzet. Het College heeft over deze beroepsgrond al in meerdere zaken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 augustus 2021, ECLI:NL:CBB:2021:809) uitspraak gedaan. De vaste lijn hierin is: In een systeem waarin vaste percentages worden gebruikt, kan het nu eenmaal voorkomen dat de werkelijke vaste lasten lager of hoger zijn. Daar kan geen rekening mee gehouden worden en dat maakt het systeem op zich niet oneerlijk. Het College ziet geen reden om in deze zaak van die vaste lijn af te wijken. De onderneming heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat dit percentage in haar specifieke geval onevenredig is.
2.4
De minister heeft dus terecht geen uitzondering gemaakt op de drempel van € 3.000,- en terecht geen rekening gehouden met de werkelijke vaste lasten van de onderneming. De minister heeft de subsidieaanvraag voor het vierde kwartaal van 2020 dan ook terecht afgewezen.
2.5
De stelling van de onderneming dat zij alsnog in aanmerking zou moeten komen voor een subsidie op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS) valt buiten de grenzen van het TVL-besluit waar het College nu over oordeelt.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2024.
w.g. M.P. Glerum w.g. A.M. Slierendrecht
Bijlage
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
Artikel 2.1.1 (verstrekking subsidie), eerste lid en tweede lid, aanhef en onder b
1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een getroffen MKBonderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de maanden oktober, november en december van 2020.
2. De subsidie wordt enkel verstrekt aan een MKB-onderneming:
(…)
b. waarvan de uitkomst van de vermenigvuldiging van A en C ten minste € 3.000,- bedraagt;
(…)
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2351
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] , (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes)
Procesverloop
Met het besluit van 18 februari 2021 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 afgewezen.
Met het besluit van 21 september 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister opnieuw het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 15 februari 2024. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
1.1
De onderneming heeft een aanvraag ingediend voor een subsidie op grond van de TVL voor het vierde kwartaal van 2020. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat de SBI-code (64.20) waarmee de onderneming op 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel niet is opgenomen in de bijlage van de TVL. Met het besluit van 24 juni 2021 heeft de minister de bezwaren van de onderneming daartegen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 april 2022 (zaaknummer 21/913) heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit van 24 juni 2021 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van de onderneming.
1.2
Met het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van de onderneming tegen het afwijzingsbesluit opnieuw ongegrond verklaard, omdat de onderneming niet voldoet aan het vereiste dat de vaste lasten € 3.000,- of meer bedragen. Deze eis volgt uit artikel 2.1.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de TVL. De minister is bij de berekening van de vaste lasten van de onderneming uitgegaan van de (feitelijke) activiteiten die vallen onder SBI-code 81.10 (facility management). Bij die SBI-code zijn de vaste lasten bepaald op 15% van de omzet. Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat de omzet van de onderneming in het referentiekwartaal (het vierde kwartaal van 2019) € 14.014,- was. De minister gaat er daarom van uit dat de vaste lasten € 2.102,10,- (15% van € 14.014,-) zijn. Dat is minder dan het minimale bedrag van € 3.000,- en daarom is het afwijzingsbesluit gehandhaafd.
1.3
Het College oordeelt dat de minister de subsidieaanvraag voor het vierde kwartaal van 2020 terecht heeft afgewezen. Het College licht dit oordeel hieronder toe.
1.4
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling
2.1
De regelgever heeft gekozen voor een ‘forfaitair systeem’. Dat betekent in dit geval dat bij de beoordeling van de aanvraag niet wordt gekeken naar de werkelijke vaste lasten, maar dat wordt gekeken naar wat de verhouding is tussen de vaste lasten en de omzet van een gemiddeld bedrijf in een bepaalde sector. Het percentage vaste lasten per sector is vastgelegd in de tabel in de bijlage bij de TVL. Voor ondernemingen met een SBI-code beginnend met 81 bepaalt die tabel dat de vaste lasten 15% van de omzet bedragen. De vaste lasten van de onderneming komen met de voorgeschreven berekeningswijze uit op een lager bedrag dan € 3.000,-. Daarom voldoet de onderneming niet aan het vereiste dat de vaste lasten ten minste € 3.000,- bedragen en komt zij niet in aanmerking voor een subsidie.
2.2
De onderneming vindt de drempel van € 3.000,- oneerlijk, onredelijk en discriminerend voor een klein bedrijf, zoals dat van haar. Deze drempel is naar het oordeel van het College niet op voorhand oneerlijk, onredelijk of discriminerend. De onderneming heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze drempel voor kleine ondernemingen in het algemeen onevenredig uitvalt.
2.3
De onderneming vindt dat de minister in plaats van het vaste percentage van 15% van de omzet uit had moeten gaan van de werkelijke vaste lasten. Die zijn namelijk hoger dan 15% van de omzet. Het College heeft over deze beroepsgrond al in meerdere zaken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 augustus 2021, ECLI:NL:CBB:2021:809) uitspraak gedaan. De vaste lijn hierin is: In een systeem waarin vaste percentages worden gebruikt, kan het nu eenmaal voorkomen dat de werkelijke vaste lasten lager of hoger zijn. Daar kan geen rekening mee gehouden worden en dat maakt het systeem op zich niet oneerlijk. Het College ziet geen reden om in deze zaak van die vaste lijn af te wijken. De onderneming heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat dit percentage in haar specifieke geval onevenredig is.
2.4
De minister heeft dus terecht geen uitzondering gemaakt op de drempel van € 3.000,- en terecht geen rekening gehouden met de werkelijke vaste lasten van de onderneming. De minister heeft de subsidieaanvraag voor het vierde kwartaal van 2020 dan ook terecht afgewezen.
2.5
De stelling van de onderneming dat zij alsnog in aanmerking zou moeten komen voor een subsidie op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS) valt buiten de grenzen van het TVL-besluit waar het College nu over oordeelt.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2024.
w.g. M.P. Glerum w.g. A.M. Slierendrecht
Bijlage
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
Artikel 2.1.1 (verstrekking subsidie), eerste lid en tweede lid, aanhef en onder b
1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een getroffen MKBonderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de maanden oktober, november en december van 2020.
2. De subsidie wordt enkel verstrekt aan een MKB-onderneming:
(…)
b. waarvan de uitkomst van de vermenigvuldiging van A en C ten minste € 3.000,- bedraagt;
(…)
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2351
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] , (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes)
Procesverloop
Met het besluit van 18 februari 2021 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 afgewezen.
Met het besluit van 21 september 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister opnieuw het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 15 februari 2024. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
1.1
De onderneming heeft een aanvraag ingediend voor een subsidie op grond van de TVL voor het vierde kwartaal van 2020. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat de SBI-code (64.20) waarmee de onderneming op 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel niet is opgenomen in de bijlage van de TVL. Met het besluit van 24 juni 2021 heeft de minister de bezwaren van de onderneming daartegen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 april 2022 (zaaknummer 21/913) heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit van 24 juni 2021 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van de onderneming.
1.2
Met het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van de onderneming tegen het afwijzingsbesluit opnieuw ongegrond verklaard, omdat de onderneming niet voldoet aan het vereiste dat de vaste lasten € 3.000,- of meer bedragen. Deze eis volgt uit artikel 2.1.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de TVL. De minister is bij de berekening van de vaste lasten van de onderneming uitgegaan van de (feitelijke) activiteiten die vallen onder SBI-code 81.10 (facility management). Bij die SBI-code zijn de vaste lasten bepaald op 15% van de omzet. Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat de omzet van de onderneming in het referentiekwartaal (het vierde kwartaal van 2019) € 14.014,- was. De minister gaat er daarom van uit dat de vaste lasten € 2.102,10,- (15% van € 14.014,-) zijn. Dat is minder dan het minimale bedrag van € 3.000,- en daarom is het afwijzingsbesluit gehandhaafd.
1.3
Het College oordeelt dat de minister de subsidieaanvraag voor het vierde kwartaal van 2020 terecht heeft afgewezen. Het College licht dit oordeel hieronder toe.
1.4
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling
2.1
De regelgever heeft gekozen voor een ‘forfaitair systeem’. Dat betekent in dit geval dat bij de beoordeling van de aanvraag niet wordt gekeken naar de werkelijke vaste lasten, maar dat wordt gekeken naar wat de verhouding is tussen de vaste lasten en de omzet van een gemiddeld bedrijf in een bepaalde sector. Het percentage vaste lasten per sector is vastgelegd in de tabel in de bijlage bij de TVL. Voor ondernemingen met een SBI-code beginnend met 81 bepaalt die tabel dat de vaste lasten 15% van de omzet bedragen. De vaste lasten van de onderneming komen met de voorgeschreven berekeningswijze uit op een lager bedrag dan € 3.000,-. Daarom voldoet de onderneming niet aan het vereiste dat de vaste lasten ten minste € 3.000,- bedragen en komt zij niet in aanmerking voor een subsidie.
2.2
De onderneming vindt de drempel van € 3.000,- oneerlijk, onredelijk en discriminerend voor een klein bedrijf, zoals dat van haar. Deze drempel is naar het oordeel van het College niet op voorhand oneerlijk, onredelijk of discriminerend. De onderneming heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze drempel voor kleine ondernemingen in het algemeen onevenredig uitvalt.
2.3
De onderneming vindt dat de minister in plaats van het vaste percentage van 15% van de omzet uit had moeten gaan van de werkelijke vaste lasten. Die zijn namelijk hoger dan 15% van de omzet. Het College heeft over deze beroepsgrond al in meerdere zaken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 augustus 2021, ECLI:NL:CBB:2021:809) uitspraak gedaan. De vaste lijn hierin is: In een systeem waarin vaste percentages worden gebruikt, kan het nu eenmaal voorkomen dat de werkelijke vaste lasten lager of hoger zijn. Daar kan geen rekening mee gehouden worden en dat maakt het systeem op zich niet oneerlijk. Het College ziet geen reden om in deze zaak van die vaste lijn af te wijken. De onderneming heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat dit percentage in haar specifieke geval onevenredig is.
2.4
De minister heeft dus terecht geen uitzondering gemaakt op de drempel van € 3.000,- en terecht geen rekening gehouden met de werkelijke vaste lasten van de onderneming. De minister heeft de subsidieaanvraag voor het vierde kwartaal van 2020 dan ook terecht afgewezen.
2.5
De stelling van de onderneming dat zij alsnog in aanmerking zou moeten komen voor een subsidie op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS) valt buiten de grenzen van het TVL-besluit waar het College nu over oordeelt.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2024.
w.g. M.P. Glerum w.g. A.M. Slierendrecht
Bijlage
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
Artikel 2.1.1 (verstrekking subsidie), eerste lid en tweede lid, aanhef en onder b
1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een getroffen MKBonderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de maanden oktober, november en december van 2020.
2. De subsidie wordt enkel verstrekt aan een MKB-onderneming:
(…)
b. waarvan de uitkomst van de vermenigvuldiging van A en C ten minste € 3.000,- bedraagt;
(…)
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/2351
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2024 in de zaak tussen
[naam] B.V., te [plaats] , (de onderneming)
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigde: mr. H.G.M. Wammes)
Procesverloop
Met het besluit van 18 februari 2021 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020 afgewezen.
Met het besluit van 21 september 2022 (het bestreden besluit) heeft de minister opnieuw het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 15 februari 2024. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
1.1
De onderneming heeft een aanvraag ingediend voor een subsidie op grond van de TVL voor het vierde kwartaal van 2020. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat de SBI-code (64.20) waarmee de onderneming op 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel niet is opgenomen in de bijlage van de TVL. Met het besluit van 24 juni 2021 heeft de minister de bezwaren van de onderneming daartegen ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 april 2022 (zaaknummer 21/913) heeft het College het beroep van de onderneming tegen het besluit van 24 juni 2021 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van de onderneming.
1.2
Met het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van de onderneming tegen het afwijzingsbesluit opnieuw ongegrond verklaard, omdat de onderneming niet voldoet aan het vereiste dat de vaste lasten € 3.000,- of meer bedragen. Deze eis volgt uit artikel 2.1.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de TVL. De minister is bij de berekening van de vaste lasten van de onderneming uitgegaan van de (feitelijke) activiteiten die vallen onder SBI-code 81.10 (facility management). Bij die SBI-code zijn de vaste lasten bepaald op 15% van de omzet. Uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat de omzet van de onderneming in het referentiekwartaal (het vierde kwartaal van 2019) € 14.014,- was. De minister gaat er daarom van uit dat de vaste lasten € 2.102,10,- (15% van € 14.014,-) zijn. Dat is minder dan het minimale bedrag van € 3.000,- en daarom is het afwijzingsbesluit gehandhaafd.
1.3
Het College oordeelt dat de minister de subsidieaanvraag voor het vierde kwartaal van 2020 terecht heeft afgewezen. Het College licht dit oordeel hieronder toe.
1.4
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling
2.1
De regelgever heeft gekozen voor een ‘forfaitair systeem’. Dat betekent in dit geval dat bij de beoordeling van de aanvraag niet wordt gekeken naar de werkelijke vaste lasten, maar dat wordt gekeken naar wat de verhouding is tussen de vaste lasten en de omzet van een gemiddeld bedrijf in een bepaalde sector. Het percentage vaste lasten per sector is vastgelegd in de tabel in de bijlage bij de TVL. Voor ondernemingen met een SBI-code beginnend met 81 bepaalt die tabel dat de vaste lasten 15% van de omzet bedragen. De vaste lasten van de onderneming komen met de voorgeschreven berekeningswijze uit op een lager bedrag dan € 3.000,-. Daarom voldoet de onderneming niet aan het vereiste dat de vaste lasten ten minste € 3.000,- bedragen en komt zij niet in aanmerking voor een subsidie.
2.2
De onderneming vindt de drempel van € 3.000,- oneerlijk, onredelijk en discriminerend voor een klein bedrijf, zoals dat van haar. Deze drempel is naar het oordeel van het College niet op voorhand oneerlijk, onredelijk of discriminerend. De onderneming heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze drempel voor kleine ondernemingen in het algemeen onevenredig uitvalt.
2.3
De onderneming vindt dat de minister in plaats van het vaste percentage van 15% van de omzet uit had moeten gaan van de werkelijke vaste lasten. Die zijn namelijk hoger dan 15% van de omzet. Het College heeft over deze beroepsgrond al in meerdere zaken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 augustus 2021, ECLI:NL:CBB:2021:809) uitspraak gedaan. De vaste lijn hierin is: In een systeem waarin vaste percentages worden gebruikt, kan het nu eenmaal voorkomen dat de werkelijke vaste lasten lager of hoger zijn. Daar kan geen rekening mee gehouden worden en dat maakt het systeem op zich niet oneerlijk. Het College ziet geen reden om in deze zaak van die vaste lijn af te wijken. De onderneming heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat dit percentage in haar specifieke geval onevenredig is.
2.4
De minister heeft dus terecht geen uitzondering gemaakt op de drempel van € 3.000,- en terecht geen rekening gehouden met de werkelijke vaste lasten van de onderneming. De minister heeft de subsidieaanvraag voor het vierde kwartaal van 2020 dan ook terecht afgewezen.
2.5
De stelling van de onderneming dat zij alsnog in aanmerking zou moeten komen voor een subsidie op grond van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 (TOGS) valt buiten de grenzen van het TVL-besluit waar het College nu over oordeelt.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2024.
w.g. M.P. Glerum w.g. A.M. Slierendrecht
Bijlage
Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL)
Artikel 2.1.1 (verstrekking subsidie), eerste lid en tweede lid, aanhef en onder b
1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een getroffen MKBonderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de maanden oktober, november en december van 2020.
2. De subsidie wordt enkel verstrekt aan een MKB-onderneming:
(…)
b. waarvan de uitkomst van de vermenigvuldiging van A en C ten minste € 3.000,- bedraagt;
(…)