Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-07-23
ECLI:NL:CBB:2024:513
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,244 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/494
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen
[naam 1] handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (de ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 4 mei 2022 heeft de minister de aanvraag van de ondernemer voor subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten COVID-19 (TVL) voor de periode januari tot en met maart 2022 afgewezen.
Met het besluit van 18 november 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2. De minister heeft de subsidie afgewezen, omdat de ondernemer over de periode juli tot en met september 2020 niet ten minste € 1.500,- aan vaste lasten had, terwijl dat op grond van de TVL wel een vereiste is om voor subsidie in aanmerking te komen.
3. De ondernemer voert aan dat hij wel ten minste € 1.500,- aan vaste lasten had. Hij begrijpt daarom niet waarom er geen subsidie is toegekend. Verder voert de ondernemer aan dat de hele procedure lang heeft geduurd.
4. Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat de minister de vaste lasten mag berekenen met een forfaitair percentage in plaats van de daadwerkelijke vaste lasten. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 3 augustus 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:809) en 20 september 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:636). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister de vaste lasten mocht berekenen met het forfaitaire percentage dat geldt bij de Standaard Bedrijfsindelingcode Vervoer over land (33%). De referentieperiode is het derde kwartaal van 2020. De minister heeft op basis van een suppletieaangifte vastgesteld dat de omzet in de periode 1 juli tot en met 31 december 2020 in totaal € 3.305,- was. Ook als dit gehele bedrag aan omzet in de referentieperiode is behaald, komt de ondernemer niet aan het vereiste drempelbedrag van € 1.500,-; 33% van dit bedrag is namelijk € 1.090,65. De aanvraag is daarom terecht afgewezen.
5 Het College heeft begrip voor de frustratie van de ondernemer dat de procedure lang heeft geduurd. Dit is alleen geen reden om alsnog subsidie te verlenen.
6 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.
B. Bastein L.N. Foppen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Zie artikel 2.6.3, derde lid, onder b, van de TVL en de keuze van de ondernemer in het aanvraagformulier voor het derde kwartaal van 2020.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/494
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen
[naam 1] handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (de ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 4 mei 2022 heeft de minister de aanvraag van de ondernemer voor subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten COVID-19 (TVL) voor de periode januari tot en met maart 2022 afgewezen.
Met het besluit van 18 november 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2. De minister heeft de subsidie afgewezen, omdat de ondernemer over de periode juli tot en met september 2020 niet ten minste € 1.500,- aan vaste lasten had, terwijl dat op grond van de TVL wel een vereiste is om voor subsidie in aanmerking te komen.
3. De ondernemer voert aan dat hij wel ten minste € 1.500,- aan vaste lasten had. Hij begrijpt daarom niet waarom er geen subsidie is toegekend. Verder voert de ondernemer aan dat de hele procedure lang heeft geduurd.
4. Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat de minister de vaste lasten mag berekenen met een forfaitair percentage in plaats van de daadwerkelijke vaste lasten. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 3 augustus 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:809) en 20 september 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:636). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister de vaste lasten mocht berekenen met het forfaitaire percentage dat geldt bij de Standaard Bedrijfsindelingcode Vervoer over land (33%). De referentieperiode is het derde kwartaal van 2020. De minister heeft op basis van een suppletieaangifte vastgesteld dat de omzet in de periode 1 juli tot en met 31 december 2020 in totaal € 3.305,- was. Ook als dit gehele bedrag aan omzet in de referentieperiode is behaald, komt de ondernemer niet aan het vereiste drempelbedrag van € 1.500,-; 33% van dit bedrag is namelijk € 1.090,65. De aanvraag is daarom terecht afgewezen.
5 Het College heeft begrip voor de frustratie van de ondernemer dat de procedure lang heeft geduurd. Dit is alleen geen reden om alsnog subsidie te verlenen.
6 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.
B. Bastein L.N. Foppen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Zie artikel 2.6.3, derde lid, onder b, van de TVL en de keuze van de ondernemer in het aanvraagformulier voor het derde kwartaal van 2020.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/494
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen
[naam 1] handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (de ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 4 mei 2022 heeft de minister de aanvraag van de ondernemer voor subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten COVID-19 (TVL) voor de periode januari tot en met maart 2022 afgewezen.
Met het besluit van 18 november 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2. De minister heeft de subsidie afgewezen, omdat de ondernemer over de periode juli tot en met september 2020 niet ten minste € 1.500,- aan vaste lasten had, terwijl dat op grond van de TVL wel een vereiste is om voor subsidie in aanmerking te komen.
3. De ondernemer voert aan dat hij wel ten minste € 1.500,- aan vaste lasten had. Hij begrijpt daarom niet waarom er geen subsidie is toegekend. Verder voert de ondernemer aan dat de hele procedure lang heeft geduurd.
4. Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat de minister de vaste lasten mag berekenen met een forfaitair percentage in plaats van de daadwerkelijke vaste lasten. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 3 augustus 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:809) en 20 september 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:636). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister de vaste lasten mocht berekenen met het forfaitaire percentage dat geldt bij de Standaard Bedrijfsindelingcode Vervoer over land (33%). De referentieperiode is het derde kwartaal van 2020. De minister heeft op basis van een suppletieaangifte vastgesteld dat de omzet in de periode 1 juli tot en met 31 december 2020 in totaal € 3.305,- was. Ook als dit gehele bedrag aan omzet in de referentieperiode is behaald, komt de ondernemer niet aan het vereiste drempelbedrag van € 1.500,-; 33% van dit bedrag is namelijk € 1.090,65. De aanvraag is daarom terecht afgewezen.
5 Het College heeft begrip voor de frustratie van de ondernemer dat de procedure lang heeft geduurd. Dit is alleen geen reden om alsnog subsidie te verlenen.
6 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.
B. Bastein L.N. Foppen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Zie artikel 2.6.3, derde lid, onder b, van de TVL en de keuze van de ondernemer in het aanvraagformulier voor het derde kwartaal van 2020.
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/494
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2024 in de zaak tussen
[naam 1] handelend onder de naam [naam 2] , te [plaats] (de ondernemer)
en
de minister van Economische Zaken
Procesverloop
Met het besluit van 4 mei 2022 heeft de minister de aanvraag van de ondernemer voor subsidie op grond van de Regeling subsidie financiering vaste lasten COVID-19 (TVL) voor de periode januari tot en met maart 2022 afgewezen.
Met het besluit van 18 november 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de ondernemer ongegrond verklaard.
De ondernemer heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
1. Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het na lezing van het beroepschrift en de andere stukken in het dossier over voldoende informatie beschikt om tot een oordeel te komen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.
2. De minister heeft de subsidie afgewezen, omdat de ondernemer over de periode juli tot en met september 2020 niet ten minste € 1.500,- aan vaste lasten had, terwijl dat op grond van de TVL wel een vereiste is om voor subsidie in aanmerking te komen.
3. De ondernemer voert aan dat hij wel ten minste € 1.500,- aan vaste lasten had. Hij begrijpt daarom niet waarom er geen subsidie is toegekend. Verder voert de ondernemer aan dat de hele procedure lang heeft geduurd.
4. Het College heeft al veel vergelijkbare zaken behandeld. Daarin heeft het telkens geoordeeld dat de minister de vaste lasten mag berekenen met een forfaitair percentage in plaats van de daadwerkelijke vaste lasten. De belangrijkste reden daarvoor is dat dit een bewuste keuze van de regelgever is geweest, om zo de TVL uitvoerbaar te houden en de administratieve lasten te beperken. Zie onder andere de uitspraken van het College van 3 augustus 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:809) en 20 september 2022 (ECLI:NL:CBB:2022:636). Ook in dit geval is het College van oordeel dat de minister de vaste lasten mocht berekenen met het forfaitaire percentage dat geldt bij de Standaard Bedrijfsindelingcode Vervoer over land (33%). De referentieperiode is het derde kwartaal van 2020. De minister heeft op basis van een suppletieaangifte vastgesteld dat de omzet in de periode 1 juli tot en met 31 december 2020 in totaal € 3.305,- was. Ook als dit gehele bedrag aan omzet in de referentieperiode is behaald, komt de ondernemer niet aan het vereiste drempelbedrag van € 1.500,-; 33% van dit bedrag is namelijk € 1.090,65. De aanvraag is daarom terecht afgewezen.
5 Het College heeft begrip voor de frustratie van de ondernemer dat de procedure lang heeft geduurd. Dit is alleen geen reden om alsnog subsidie te verlenen.
6 Het beroep is (kennelijk) ongegrond.
Dictum
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Bastein, in aanwezigheid van mr. L.N. Foppen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2024.
B. Bastein L.N. Foppen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak
Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.
Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl.
Zie artikel 2.6.3, derde lid, onder b, van de TVL en de keuze van de ondernemer in het aanvraagformulier voor het derde kwartaal van 2020.