Rechtspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
2024-03-12
ECLI:NL:CBB:2024:153
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
10,185 tokens
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1061
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2024 in de zaak tussen
Handelsonderneming [naam 1] , te [plaats] , (het landbouwbedrijf)
(gemachtigde: B. Bassa),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. L. Anvelink)
Procesverloop
Met het besluit van 10 december 2021 heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling van het landbouwbedrijf voor het aanvraagjaar 2021 vastgesteld.
Met het besluit van 13 mei 2022 heeft de minister het daartegen door het landbouwbedrijf gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
Het landbouwbedrijf heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 31 januari 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding en feiten
1.1
Het landbouwbedrijf wordt geëxploiteerd als eenmanszaak door [naam 2] ( [naam 2] ). Op hetzelfde adres als het landbouwbedrijf is ook de eenmanszaak van [naam 3] ( [naam 3] ), de echtgenote van [naam 2] , gevestigd. Zij hebben ieder afzonderlijk voor het aanvraagjaar 2021 GLB-inkomenssteun aangevraagd en daartoe ieder afzonderlijk een Gecombineerde opgave ingediend. Het landbouwbedrijf heeft daarbij onder meer de percelen 111, 112 en 113 voor uitbetaling opgegeven.
1.2
[naam 3] heeft met Staatsbosbeheer een pachtovereenkomst gesloten. Die overeenkomst gaat in op 1 januari 2021 en eindigt op 31 december 2021 en heeft betrekking op de percelen 111, 112 en 113. In de e-mail van boswachter [naam 4] van Staatsbosbeheer van 2 maart 2022 staat:
“Hierbij bevestig ik dat mevrouw [naam 3] en de heer [naam 2] één bedrijf is dat land pacht van Staatsbosbeheer. Staatsbosbeheer is akkoord dat [naam 2] het land gebruikt van mevrouw [naam 3] .”
Het standpunt van de minister
2 De minister heeft voor de percelen 111, 112 en 113 geen uitbetaling toegekend, omdat het landbouwbedrijf die percelen niet op 15 mei 2021 in beheer had. Volgens de minister had het landbouwbedrijf namelijk geen geldige gebruikstitel. De pachtovereenkomst is gesloten tussen Staatsbosbeheer en [naam 3] . Daarbij is het landbouwbedrijf geen partij. Op grond van de pachtovereenkomst is het de pachter niet toegestaan de percelen in onderpacht te geven. In bezwaar is navraag gedaan en heeft Staatsbosbeheer bevestigd dat de e-mail van de boswachter niet zo begrepen mag worden dat Staatsbosbeheer heeft ingestemd met het onderverpachten van de percelen.
Het standpunt van het landbouwbedrijf
3 Volgens het landbouwbedrijf beschikte zij wel over een geldige gebruikstitel voor de percelen 111, 112 en 113. [naam 2] en [naam 3] hebben samen het landbouwbedrijf. Een deel van de koeien en het jongvee loopt op deze percelen en ook het geoogste gras wordt door het landbouwbedrijf gebruikt. Uit de e-mail van de boswachter blijkt duidelijk dat Staatsbosbeheer toestaat dat het landbouwbedrijf de grond gebruikte en dat de gebruikstitel dus wel geldig was.
Beoordeling
4.1
De basisbetaling en de vergroeningsbetaling worden uitbetaald voor subsidiabele hectares. Onder 'subsidiabele hectare' wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid). De oppervlakte moet, om subsidiabel te zijn, deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer en worden gebruikt voor landbouwdoeleinden of bij gelijktijdig ander gebruik overwegend worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof), Demmer, C-684/13, ECLI:EU:C:2015:439, p. 54).
4.2
Percelen behoren tot een bedrijf als de landbouwer het perceel feitelijk in gebruik heeft en tevens beschikt over een (vormvrije) gebruikstitel voor dat perceel (vergelijk het arrest van het Hof van 14 oktober 2010 (ECLI:EU:C:2010:606), Landkreis Bad Dürkheim, C 61/09). De gebruikstitel moet de landbouwer de bevoegdheid geven om de percelen met een zekere autonomie voor de uitoefening van een landbouwactiviteit te beheren.
4.3
Niet in geschil is dat het landbouwbedrijf de percelen 111, 112 en 113 in 2021 feitelijk in gebruik had en dat die percelen in dat jaar niet door een ander landbouwbedrijf voor uitbetaling van betalingsrechten zijn opgegeven. Het College volgt het landbouwbedrijf niet in diens stelling dat sprake is van een gezamenlijk landbouwbedrijf met [naam 3] , omdat zij haar eigen landbouwbedrijf heeft en ook een eigen gecombineerde opgave heeft ingediend. Wel is het College met het landbouwbedrijf eens dat [naam 3] de percelen aan hem in onderpacht heeft gegeven en dat het landbouwbedrijf aldus over een geldige gebruikstitel beschikte. De pachtovereenkomst staat weliswaar onderpacht zonder schriftelijke akte in de weg, maar in de hiervoor onder 1.2 weergegeven e-mail, heeft de (hoofd)boswachter verklaard dat Staatsbosbeheer ermee akkoord is dat het landbouwbedrijf het land gebruikt van [naam 3] . De navraag door de minister bij Staatsbosbeheer leidt niet tot een ander oordeel, al omdat daarvan geen verslag is gemaakt en niet duidelijk is wat er precies en door wie is verklaard. Daarnaast maakt de interne verwarring binnen Staatsbosbeheer niet dat daarmee een geldige gebruikstitel ontbreekt; de minister heeft niet gesteld en evenmin is anderszins gebleken dat Staatsbosbeheer de vernietiging heeft ingeroepen. Het College is daarom van oordeel dat het landbouwbedrijf een geldige gebruikstitel had voor het uitoefenen van landbouwactiviteiten op de percelen 111, 112 en 113.
Conclusie
5.1
Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. De minister heeft het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Het College draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College geeft hiervoor een termijn van acht weken.
5.2.
Het College zal de minister veroordelen in de door het landbouwbedrijf gemaakte proceskosten. Het College stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,-).
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan het landbouwbedrijf te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van het landbouwbedrijf tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. A. Venekamp en mr. P.H.A. Knol, in aanwezigheid van mr. M. Pier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
12 maart 2024.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. M. Pier
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1061
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2024 in de zaak tussen
Handelsonderneming [naam 1] , te [plaats] , (het landbouwbedrijf)
(gemachtigde: B. Bassa),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. L. Anvelink)
Procesverloop
Met het besluit van 10 december 2021 heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling van het landbouwbedrijf voor het aanvraagjaar 2021 vastgesteld.
Met het besluit van 13 mei 2022 heeft de minister het daartegen door het landbouwbedrijf gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
Het landbouwbedrijf heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 31 januari 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding en feiten
1.1
Het landbouwbedrijf wordt geëxploiteerd als eenmanszaak door [naam 2] ( [naam 2] ). Op hetzelfde adres als het landbouwbedrijf is ook de eenmanszaak van [naam 3] ( [naam 3] ), de echtgenote van [naam 2] , gevestigd. Zij hebben ieder afzonderlijk voor het aanvraagjaar 2021 GLB-inkomenssteun aangevraagd en daartoe ieder afzonderlijk een Gecombineerde opgave ingediend. Het landbouwbedrijf heeft daarbij onder meer de percelen 111, 112 en 113 voor uitbetaling opgegeven.
1.2
[naam 3] heeft met Staatsbosbeheer een pachtovereenkomst gesloten. Die overeenkomst gaat in op 1 januari 2021 en eindigt op 31 december 2021 en heeft betrekking op de percelen 111, 112 en 113. In de e-mail van boswachter [naam 4] van Staatsbosbeheer van 2 maart 2022 staat:
“Hierbij bevestig ik dat mevrouw [naam 3] en de heer [naam 2] één bedrijf is dat land pacht van Staatsbosbeheer. Staatsbosbeheer is akkoord dat [naam 2] het land gebruikt van mevrouw [naam 3] .”
Het standpunt van de minister
2 De minister heeft voor de percelen 111, 112 en 113 geen uitbetaling toegekend, omdat het landbouwbedrijf die percelen niet op 15 mei 2021 in beheer had. Volgens de minister had het landbouwbedrijf namelijk geen geldige gebruikstitel. De pachtovereenkomst is gesloten tussen Staatsbosbeheer en [naam 3] . Daarbij is het landbouwbedrijf geen partij. Op grond van de pachtovereenkomst is het de pachter niet toegestaan de percelen in onderpacht te geven. In bezwaar is navraag gedaan en heeft Staatsbosbeheer bevestigd dat de e-mail van de boswachter niet zo begrepen mag worden dat Staatsbosbeheer heeft ingestemd met het onderverpachten van de percelen.
Het standpunt van het landbouwbedrijf
3 Volgens het landbouwbedrijf beschikte zij wel over een geldige gebruikstitel voor de percelen 111, 112 en 113. [naam 2] en [naam 3] hebben samen het landbouwbedrijf. Een deel van de koeien en het jongvee loopt op deze percelen en ook het geoogste gras wordt door het landbouwbedrijf gebruikt. Uit de e-mail van de boswachter blijkt duidelijk dat Staatsbosbeheer toestaat dat het landbouwbedrijf de grond gebruikte en dat de gebruikstitel dus wel geldig was.
Beoordeling
4.1
De basisbetaling en de vergroeningsbetaling worden uitbetaald voor subsidiabele hectares. Onder 'subsidiabele hectare' wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid). De oppervlakte moet, om subsidiabel te zijn, deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer en worden gebruikt voor landbouwdoeleinden of bij gelijktijdig ander gebruik overwegend worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof), Demmer, C-684/13, ECLI:EU:C:2015:439, p. 54).
4.2
Percelen behoren tot een bedrijf als de landbouwer het perceel feitelijk in gebruik heeft en tevens beschikt over een (vormvrije) gebruikstitel voor dat perceel (vergelijk het arrest van het Hof van 14 oktober 2010 (ECLI:EU:C:2010:606), Landkreis Bad Dürkheim, C 61/09). De gebruikstitel moet de landbouwer de bevoegdheid geven om de percelen met een zekere autonomie voor de uitoefening van een landbouwactiviteit te beheren.
4.3
Niet in geschil is dat het landbouwbedrijf de percelen 111, 112 en 113 in 2021 feitelijk in gebruik had en dat die percelen in dat jaar niet door een ander landbouwbedrijf voor uitbetaling van betalingsrechten zijn opgegeven. Het College volgt het landbouwbedrijf niet in diens stelling dat sprake is van een gezamenlijk landbouwbedrijf met [naam 3] , omdat zij haar eigen landbouwbedrijf heeft en ook een eigen gecombineerde opgave heeft ingediend. Wel is het College met het landbouwbedrijf eens dat [naam 3] de percelen aan hem in onderpacht heeft gegeven en dat het landbouwbedrijf aldus over een geldige gebruikstitel beschikte. De pachtovereenkomst staat weliswaar onderpacht zonder schriftelijke akte in de weg, maar in de hiervoor onder 1.2 weergegeven e-mail, heeft de (hoofd)boswachter verklaard dat Staatsbosbeheer ermee akkoord is dat het landbouwbedrijf het land gebruikt van [naam 3] . De navraag door de minister bij Staatsbosbeheer leidt niet tot een ander oordeel, al omdat daarvan geen verslag is gemaakt en niet duidelijk is wat er precies en door wie is verklaard. Daarnaast maakt de interne verwarring binnen Staatsbosbeheer niet dat daarmee een geldige gebruikstitel ontbreekt; de minister heeft niet gesteld en evenmin is anderszins gebleken dat Staatsbosbeheer de vernietiging heeft ingeroepen. Het College is daarom van oordeel dat het landbouwbedrijf een geldige gebruikstitel had voor het uitoefenen van landbouwactiviteiten op de percelen 111, 112 en 113.
Conclusie
5.1
Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. De minister heeft het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Het College draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College geeft hiervoor een termijn van acht weken.
5.2.
Het College zal de minister veroordelen in de door het landbouwbedrijf gemaakte proceskosten. Het College stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,-).
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan het landbouwbedrijf te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van het landbouwbedrijf tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. A. Venekamp en mr. P.H.A. Knol, in aanwezigheid van mr. M. Pier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
12 maart 2024.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. M. Pier
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1061
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2024 in de zaak tussen
Handelsonderneming [naam 1] , te [plaats] , (het landbouwbedrijf)
(gemachtigde: B. Bassa),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. L. Anvelink)
Procesverloop
Met het besluit van 10 december 2021 heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling van het landbouwbedrijf voor het aanvraagjaar 2021 vastgesteld.
Met het besluit van 13 mei 2022 heeft de minister het daartegen door het landbouwbedrijf gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
Het landbouwbedrijf heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 31 januari 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding en feiten
1.1
Het landbouwbedrijf wordt geëxploiteerd als eenmanszaak door [naam 2] ( [naam 2] ). Op hetzelfde adres als het landbouwbedrijf is ook de eenmanszaak van [naam 3] ( [naam 3] ), de echtgenote van [naam 2] , gevestigd. Zij hebben ieder afzonderlijk voor het aanvraagjaar 2021 GLB-inkomenssteun aangevraagd en daartoe ieder afzonderlijk een Gecombineerde opgave ingediend. Het landbouwbedrijf heeft daarbij onder meer de percelen 111, 112 en 113 voor uitbetaling opgegeven.
1.2
[naam 3] heeft met Staatsbosbeheer een pachtovereenkomst gesloten. Die overeenkomst gaat in op 1 januari 2021 en eindigt op 31 december 2021 en heeft betrekking op de percelen 111, 112 en 113. In de e-mail van boswachter [naam 4] van Staatsbosbeheer van 2 maart 2022 staat:
“Hierbij bevestig ik dat mevrouw [naam 3] en de heer [naam 2] één bedrijf is dat land pacht van Staatsbosbeheer. Staatsbosbeheer is akkoord dat [naam 2] het land gebruikt van mevrouw [naam 3] .”
Het standpunt van de minister
2 De minister heeft voor de percelen 111, 112 en 113 geen uitbetaling toegekend, omdat het landbouwbedrijf die percelen niet op 15 mei 2021 in beheer had. Volgens de minister had het landbouwbedrijf namelijk geen geldige gebruikstitel. De pachtovereenkomst is gesloten tussen Staatsbosbeheer en [naam 3] . Daarbij is het landbouwbedrijf geen partij. Op grond van de pachtovereenkomst is het de pachter niet toegestaan de percelen in onderpacht te geven. In bezwaar is navraag gedaan en heeft Staatsbosbeheer bevestigd dat de e-mail van de boswachter niet zo begrepen mag worden dat Staatsbosbeheer heeft ingestemd met het onderverpachten van de percelen.
Het standpunt van het landbouwbedrijf
3 Volgens het landbouwbedrijf beschikte zij wel over een geldige gebruikstitel voor de percelen 111, 112 en 113. [naam 2] en [naam 3] hebben samen het landbouwbedrijf. Een deel van de koeien en het jongvee loopt op deze percelen en ook het geoogste gras wordt door het landbouwbedrijf gebruikt. Uit de e-mail van de boswachter blijkt duidelijk dat Staatsbosbeheer toestaat dat het landbouwbedrijf de grond gebruikte en dat de gebruikstitel dus wel geldig was.
Beoordeling
4.1
De basisbetaling en de vergroeningsbetaling worden uitbetaald voor subsidiabele hectares. Onder 'subsidiabele hectare' wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid). De oppervlakte moet, om subsidiabel te zijn, deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer en worden gebruikt voor landbouwdoeleinden of bij gelijktijdig ander gebruik overwegend worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof), Demmer, C-684/13, ECLI:EU:C:2015:439, p. 54).
4.2
Percelen behoren tot een bedrijf als de landbouwer het perceel feitelijk in gebruik heeft en tevens beschikt over een (vormvrije) gebruikstitel voor dat perceel (vergelijk het arrest van het Hof van 14 oktober 2010 (ECLI:EU:C:2010:606), Landkreis Bad Dürkheim, C 61/09). De gebruikstitel moet de landbouwer de bevoegdheid geven om de percelen met een zekere autonomie voor de uitoefening van een landbouwactiviteit te beheren.
4.3
Niet in geschil is dat het landbouwbedrijf de percelen 111, 112 en 113 in 2021 feitelijk in gebruik had en dat die percelen in dat jaar niet door een ander landbouwbedrijf voor uitbetaling van betalingsrechten zijn opgegeven. Het College volgt het landbouwbedrijf niet in diens stelling dat sprake is van een gezamenlijk landbouwbedrijf met [naam 3] , omdat zij haar eigen landbouwbedrijf heeft en ook een eigen gecombineerde opgave heeft ingediend. Wel is het College met het landbouwbedrijf eens dat [naam 3] de percelen aan hem in onderpacht heeft gegeven en dat het landbouwbedrijf aldus over een geldige gebruikstitel beschikte. De pachtovereenkomst staat weliswaar onderpacht zonder schriftelijke akte in de weg, maar in de hiervoor onder 1.2 weergegeven e-mail, heeft de (hoofd)boswachter verklaard dat Staatsbosbeheer ermee akkoord is dat het landbouwbedrijf het land gebruikt van [naam 3] . De navraag door de minister bij Staatsbosbeheer leidt niet tot een ander oordeel, al omdat daarvan geen verslag is gemaakt en niet duidelijk is wat er precies en door wie is verklaard. Daarnaast maakt de interne verwarring binnen Staatsbosbeheer niet dat daarmee een geldige gebruikstitel ontbreekt; de minister heeft niet gesteld en evenmin is anderszins gebleken dat Staatsbosbeheer de vernietiging heeft ingeroepen. Het College is daarom van oordeel dat het landbouwbedrijf een geldige gebruikstitel had voor het uitoefenen van landbouwactiviteiten op de percelen 111, 112 en 113.
Conclusie
5.1
Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. De minister heeft het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Het College draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College geeft hiervoor een termijn van acht weken.
5.2.
Het College zal de minister veroordelen in de door het landbouwbedrijf gemaakte proceskosten. Het College stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,-).
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan het landbouwbedrijf te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van het landbouwbedrijf tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. A. Venekamp en mr. P.H.A. Knol, in aanwezigheid van mr. M. Pier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
12 maart 2024.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. M. Pier
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1061
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2024 in de zaak tussen
Handelsonderneming [naam 1] , te [plaats] , (het landbouwbedrijf)
(gemachtigde: B. Bassa),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. L. Anvelink)
Procesverloop
Met het besluit van 10 december 2021 heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling van het landbouwbedrijf voor het aanvraagjaar 2021 vastgesteld.
Met het besluit van 13 mei 2022 heeft de minister het daartegen door het landbouwbedrijf gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
Het landbouwbedrijf heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 31 januari 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding en feiten
1.1
Het landbouwbedrijf wordt geëxploiteerd als eenmanszaak door [naam 2] ( [naam 2] ). Op hetzelfde adres als het landbouwbedrijf is ook de eenmanszaak van [naam 3] ( [naam 3] ), de echtgenote van [naam 2] , gevestigd. Zij hebben ieder afzonderlijk voor het aanvraagjaar 2021 GLB-inkomenssteun aangevraagd en daartoe ieder afzonderlijk een Gecombineerde opgave ingediend. Het landbouwbedrijf heeft daarbij onder meer de percelen 111, 112 en 113 voor uitbetaling opgegeven.
1.2
[naam 3] heeft met Staatsbosbeheer een pachtovereenkomst gesloten. Die overeenkomst gaat in op 1 januari 2021 en eindigt op 31 december 2021 en heeft betrekking op de percelen 111, 112 en 113. In de e-mail van boswachter [naam 4] van Staatsbosbeheer van 2 maart 2022 staat:
“Hierbij bevestig ik dat mevrouw [naam 3] en de heer [naam 2] één bedrijf is dat land pacht van Staatsbosbeheer. Staatsbosbeheer is akkoord dat [naam 2] het land gebruikt van mevrouw [naam 3] .”
Het standpunt van de minister
2 De minister heeft voor de percelen 111, 112 en 113 geen uitbetaling toegekend, omdat het landbouwbedrijf die percelen niet op 15 mei 2021 in beheer had. Volgens de minister had het landbouwbedrijf namelijk geen geldige gebruikstitel. De pachtovereenkomst is gesloten tussen Staatsbosbeheer en [naam 3] . Daarbij is het landbouwbedrijf geen partij. Op grond van de pachtovereenkomst is het de pachter niet toegestaan de percelen in onderpacht te geven. In bezwaar is navraag gedaan en heeft Staatsbosbeheer bevestigd dat de e-mail van de boswachter niet zo begrepen mag worden dat Staatsbosbeheer heeft ingestemd met het onderverpachten van de percelen.
Het standpunt van het landbouwbedrijf
3 Volgens het landbouwbedrijf beschikte zij wel over een geldige gebruikstitel voor de percelen 111, 112 en 113. [naam 2] en [naam 3] hebben samen het landbouwbedrijf. Een deel van de koeien en het jongvee loopt op deze percelen en ook het geoogste gras wordt door het landbouwbedrijf gebruikt. Uit de e-mail van de boswachter blijkt duidelijk dat Staatsbosbeheer toestaat dat het landbouwbedrijf de grond gebruikte en dat de gebruikstitel dus wel geldig was.
Beoordeling
4.1
De basisbetaling en de vergroeningsbetaling worden uitbetaald voor subsidiabele hectares. Onder 'subsidiabele hectare' wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid). De oppervlakte moet, om subsidiabel te zijn, deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer en worden gebruikt voor landbouwdoeleinden of bij gelijktijdig ander gebruik overwegend worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof), Demmer, C-684/13, ECLI:EU:C:2015:439, p. 54).
4.2
Percelen behoren tot een bedrijf als de landbouwer het perceel feitelijk in gebruik heeft en tevens beschikt over een (vormvrije) gebruikstitel voor dat perceel (vergelijk het arrest van het Hof van 14 oktober 2010 (ECLI:EU:C:2010:606), Landkreis Bad Dürkheim, C 61/09). De gebruikstitel moet de landbouwer de bevoegdheid geven om de percelen met een zekere autonomie voor de uitoefening van een landbouwactiviteit te beheren.
4.3
Niet in geschil is dat het landbouwbedrijf de percelen 111, 112 en 113 in 2021 feitelijk in gebruik had en dat die percelen in dat jaar niet door een ander landbouwbedrijf voor uitbetaling van betalingsrechten zijn opgegeven. Het College volgt het landbouwbedrijf niet in diens stelling dat sprake is van een gezamenlijk landbouwbedrijf met [naam 3] , omdat zij haar eigen landbouwbedrijf heeft en ook een eigen gecombineerde opgave heeft ingediend. Wel is het College met het landbouwbedrijf eens dat [naam 3] de percelen aan hem in onderpacht heeft gegeven en dat het landbouwbedrijf aldus over een geldige gebruikstitel beschikte. De pachtovereenkomst staat weliswaar onderpacht zonder schriftelijke akte in de weg, maar in de hiervoor onder 1.2 weergegeven e-mail, heeft de (hoofd)boswachter verklaard dat Staatsbosbeheer ermee akkoord is dat het landbouwbedrijf het land gebruikt van [naam 3] . De navraag door de minister bij Staatsbosbeheer leidt niet tot een ander oordeel, al omdat daarvan geen verslag is gemaakt en niet duidelijk is wat er precies en door wie is verklaard. Daarnaast maakt de interne verwarring binnen Staatsbosbeheer niet dat daarmee een geldige gebruikstitel ontbreekt; de minister heeft niet gesteld en evenmin is anderszins gebleken dat Staatsbosbeheer de vernietiging heeft ingeroepen. Het College is daarom van oordeel dat het landbouwbedrijf een geldige gebruikstitel had voor het uitoefenen van landbouwactiviteiten op de percelen 111, 112 en 113.
Conclusie
5.1
Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. De minister heeft het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Het College draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College geeft hiervoor een termijn van acht weken.
5.2.
Het College zal de minister veroordelen in de door het landbouwbedrijf gemaakte proceskosten. Het College stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,-).
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan het landbouwbedrijf te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van het landbouwbedrijf tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. A. Venekamp en mr. P.H.A. Knol, in aanwezigheid van mr. M. Pier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
12 maart 2024.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. M. Pier
Inleiding
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 22/1061
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2024 in de zaak tussen
Handelsonderneming [naam 1] , te [plaats] , (het landbouwbedrijf)
(gemachtigde: B. Bassa),
en
de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
(gemachtigden: mr. M. van den Brink en mr. L. Anvelink)
Procesverloop
Met het besluit van 10 december 2021 heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling) de uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling van het landbouwbedrijf voor het aanvraagjaar 2021 vastgesteld.
Met het besluit van 13 mei 2022 heeft de minister het daartegen door het landbouwbedrijf gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit).
Het landbouwbedrijf heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 31 januari 2024. Aan de zitting hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding en feiten
1.1
Het landbouwbedrijf wordt geëxploiteerd als eenmanszaak door [naam 2] ( [naam 2] ). Op hetzelfde adres als het landbouwbedrijf is ook de eenmanszaak van [naam 3] ( [naam 3] ), de echtgenote van [naam 2] , gevestigd. Zij hebben ieder afzonderlijk voor het aanvraagjaar 2021 GLB-inkomenssteun aangevraagd en daartoe ieder afzonderlijk een Gecombineerde opgave ingediend. Het landbouwbedrijf heeft daarbij onder meer de percelen 111, 112 en 113 voor uitbetaling opgegeven.
1.2
[naam 3] heeft met Staatsbosbeheer een pachtovereenkomst gesloten. Die overeenkomst gaat in op 1 januari 2021 en eindigt op 31 december 2021 en heeft betrekking op de percelen 111, 112 en 113. In de e-mail van boswachter [naam 4] van Staatsbosbeheer van 2 maart 2022 staat:
“Hierbij bevestig ik dat mevrouw [naam 3] en de heer [naam 2] één bedrijf is dat land pacht van Staatsbosbeheer. Staatsbosbeheer is akkoord dat [naam 2] het land gebruikt van mevrouw [naam 3] .”
Het standpunt van de minister
2 De minister heeft voor de percelen 111, 112 en 113 geen uitbetaling toegekend, omdat het landbouwbedrijf die percelen niet op 15 mei 2021 in beheer had. Volgens de minister had het landbouwbedrijf namelijk geen geldige gebruikstitel. De pachtovereenkomst is gesloten tussen Staatsbosbeheer en [naam 3] . Daarbij is het landbouwbedrijf geen partij. Op grond van de pachtovereenkomst is het de pachter niet toegestaan de percelen in onderpacht te geven. In bezwaar is navraag gedaan en heeft Staatsbosbeheer bevestigd dat de e-mail van de boswachter niet zo begrepen mag worden dat Staatsbosbeheer heeft ingestemd met het onderverpachten van de percelen.
Het standpunt van het landbouwbedrijf
3 Volgens het landbouwbedrijf beschikte zij wel over een geldige gebruikstitel voor de percelen 111, 112 en 113. [naam 2] en [naam 3] hebben samen het landbouwbedrijf. Een deel van de koeien en het jongvee loopt op deze percelen en ook het geoogste gras wordt door het landbouwbedrijf gebruikt. Uit de e-mail van de boswachter blijkt duidelijk dat Staatsbosbeheer toestaat dat het landbouwbedrijf de grond gebruikte en dat de gebruikstitel dus wel geldig was.
Beoordeling
4.1
De basisbetaling en de vergroeningsbetaling worden uitbetaald voor subsidiabele hectares. Onder 'subsidiabele hectare' wordt verstaan ieder landbouwareaal van het bedrijf dat wordt gebruikt voor een landbouwactiviteit of dat, indien het areaal ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor landbouwactiviteiten wordt gebruikt (artikel 32, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid). De oppervlakte moet, om subsidiabel te zijn, deel uitmaken van het bedrijf van de landbouwer en worden gebruikt voor landbouwdoeleinden of bij gelijktijdig ander gebruik overwegend worden gebruikt voor dergelijke doeleinden (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof), Demmer, C-684/13, ECLI:EU:C:2015:439, p. 54).
4.2
Percelen behoren tot een bedrijf als de landbouwer het perceel feitelijk in gebruik heeft en tevens beschikt over een (vormvrije) gebruikstitel voor dat perceel (vergelijk het arrest van het Hof van 14 oktober 2010 (ECLI:EU:C:2010:606), Landkreis Bad Dürkheim, C 61/09). De gebruikstitel moet de landbouwer de bevoegdheid geven om de percelen met een zekere autonomie voor de uitoefening van een landbouwactiviteit te beheren.
4.3
Niet in geschil is dat het landbouwbedrijf de percelen 111, 112 en 113 in 2021 feitelijk in gebruik had en dat die percelen in dat jaar niet door een ander landbouwbedrijf voor uitbetaling van betalingsrechten zijn opgegeven. Het College volgt het landbouwbedrijf niet in diens stelling dat sprake is van een gezamenlijk landbouwbedrijf met [naam 3] , omdat zij haar eigen landbouwbedrijf heeft en ook een eigen gecombineerde opgave heeft ingediend. Wel is het College met het landbouwbedrijf eens dat [naam 3] de percelen aan hem in onderpacht heeft gegeven en dat het landbouwbedrijf aldus over een geldige gebruikstitel beschikte. De pachtovereenkomst staat weliswaar onderpacht zonder schriftelijke akte in de weg, maar in de hiervoor onder 1.2 weergegeven e-mail, heeft de (hoofd)boswachter verklaard dat Staatsbosbeheer ermee akkoord is dat het landbouwbedrijf het land gebruikt van [naam 3] . De navraag door de minister bij Staatsbosbeheer leidt niet tot een ander oordeel, al omdat daarvan geen verslag is gemaakt en niet duidelijk is wat er precies en door wie is verklaard. Daarnaast maakt de interne verwarring binnen Staatsbosbeheer niet dat daarmee een geldige gebruikstitel ontbreekt; de minister heeft niet gesteld en evenmin is anderszins gebleken dat Staatsbosbeheer de vernietiging heeft ingeroepen. Het College is daarom van oordeel dat het landbouwbedrijf een geldige gebruikstitel had voor het uitoefenen van landbouwactiviteiten op de percelen 111, 112 en 113.
Conclusie
5.1
Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is. De minister heeft het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Het College draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het College geeft hiervoor een termijn van acht weken.
5.2.
Het College zal de minister veroordelen in de door het landbouwbedrijf gemaakte proceskosten. Het College stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875,-).
Dictum
Het College:
verklaart het beroep gegrond;
draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 365,- aan het landbouwbedrijf te vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van het landbouwbedrijf tot een bedrag van € 875,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. A. Venekamp en mr. P.H.A. Knol, in aanwezigheid van mr. M. Pier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
12 maart 2024.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. M. Pier